Archives for Dirk

TWEEDE DEEL ZWEIG EN BEETHOVEN

                                  

                STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP  NEDERLAND

                                             JANUARI 2020

 

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Zoals beloofd in onze nieuwsbrief van 7 december 2019 sturen wij u graag het tweede deel toe van het verhaal dat Piet Wackie Eysten schreef over de relatie tussen Stefan Zweig en Ludwig van Beethoven. Om onze nieuwe lezers niet teleur te stellen hebben we hierbij ook het eerste deel van zijn verhaal opgenomen, zodat het essay in zijn geheel in deze nieuwsbrief te volgen is.

In 2020 wordt het 250ste geboortejaar van Beethoven in Bonn gevierd. Het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft heeft daarom op 16 en 17 april 2020 in Bonn een Tagung georganiseerd. Reserveert u deze data alvast; binnenkort zullen wij u het programma toezenden.

Met hartelijke groet,

Dirk Jansen

 

Zweig en Beethoven

In april 1904 voltooit Zweig, hij is dan 22 jaar, zijn studie aan de Universiteit van Wenen met een dissertatie over Die Philosophie des Hippolyte Taine. In de inleiding tot dat proefschrift valt in zijn oeuvre voor het eerst de naam Beethoven. Hij betreurt, schrijft hij, het huidige ontbreken van creatieve scheppingskracht, grote geesten als weleer lijken er niet meer te zijn, ‘Napoleon, Goethe, Beethoven und Byron sind gestorben’. Ligt hier de kiem van de hartstocht waarmee hij zijn leven lang zo’n hartstochtelijk verzamelaar is gebleven van handschriften van grote geleerden en beroemde kunstenaars? Probeert hij daarmee de scheppende mens, het genie nader te komen, hem als het ware aan het werk te zien? Een bladzijde van Balzac met ontelbare correcties, een lied van Schubert met doorhalingen, een tekening van Dürer, ‘een eerste notitie van Beethoven, met zijn wilde, ongeduldige krassen, zijn woeste wirwar van begonnen en verworpen motieven, met daarin de tot een paar potloodstrepen gecomprimeerde scheppingsdrift van zijn demonisch geladen wezen’, zoals hij in zijn herinneringen Die Welt von gestern schrijft, het zijn voor hem even zovele mogelijkheden om oog in oog te staan met de scheppende kunstenaar, het ontstaan van een kunstwerk mee te beleven.

Als gymnasiast was hij al begonnen met het verzamelen van handschriften. Karl-Emil Franzos, uitgever van het in Berlijn verschijnende blad Deutsche Dichtung, waarin spoedig Stefans eerste gedichten zouden verschijnen, was een vermaard autografenverzamelaar. Met hem voert Zweig reeds als tiener een levendige correspondentie over hun gedeelte passie. In een brief van 18 februari 1898 – Zweig is dan net 16 jaar – biedt hij Franzos enkele stukken aan uit zijn eigen, nog bescheiden verzameling, onder andere een lange brief van Wieland, een door Goethe eigenhandig ondertekende brief en ‘ein unterschriebenes eigenhänd. Billet von Beethoven, sehr drastischen Inhalts’, voegt hij eraan toe. Het is hem menens. In 1914 verschijnt in de Weense Bibliophilenkalender een opstel van zijn hand met de veelzeggende titel Die Autographensammlung als Kunstwerk.

Zijn passie voor het verzamelen van handschriften blijkt hij te delen met de Franse schrijver, musicoloog en Beethovenbiograaf Romain Rolland, die hij voor het eerst ontmoet in 1913. In Die Welt von gestern beschrijft hij uitvoerig zijn eerste bezoek aan Rolland in Parijs, in april van dat jaar. Hij verbaast zich over Rollands kleine studeerkamer, ‘waar de boeken tot aan het plafond opgestapeld stonden’, en voegt daar in zijn dagboek aan toe: ‘Als wandversiering niets anders dan het dodenmasker van Beethoven en een portret van Richard Strauss’ [met wie Rolland goed bevriend was, pwe]. De hoofdpersoon in Rollands grote romancyclus Jean Christophe is een geniale jonge Duitse musicus, waarvoor Beethoven model heeft gestaan.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog, als Zweig geruime tijd in Zwitserland verblijft, waar Rolland werkzaam is voor het Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis, ontmoeten zij elkaar regelmatig. Tijdens zijn verblijf in Zwitserland in die oorlogsjaren is Zweig uiterst somber over het verloop van de oorlogshandelingen. Maar er zijn ook lichtere momenten. Op 26 oktober 1915 heeft hij een concert van het beroemde Rosé-kwartet bijgewoond. Zij hebben Beethoven gespeeld. ‘Ich lebe noch heute davon,’ noteert hij de volgende dag in zijn dagboek. Beethovens muziek ‘spoelde het vuil, de zwarte neerslag van de gebeurtenissen, van mij af.’

In maart 1927 wonen Zweig en Rolland samen in Wenen de concerten en feestelijkheden bij ter gelegenheid van het honderdste sterfjaar van hun gemeenschappelijke held. In de Weense krant Neue Freie Presse publiceert Rolland een ‘hommage’ aan Beethoven.

Rolland is een van de weinigen onder Zweigs vrienden die werkelijk belangstelling toonden voor diens verzameling handschriften. Eind december 1927 schrijft Zweig hem opgetogen over de aanwinsten die hij zich heeft kunnen veroorloven uit de opbrengsten van zijn toneelstuk Volpone, een bewerking van het gelijknamige stuk van de zeventiende-eeuwse Engelse toneelschrijver Ben Jonson. De première in het Wiener Burgtheater is een immens succes geweest, het stuk trekt in Oostenrijk en daarbuiten volle zalen. ‘Ik moet u bekennen, schrijft Zweig, dat ik alles wat die brave Volpone mij het afgelopen jaar heeft opgeleverd heb uitgegeven aan handschriften’. Een bijzondere aanwinst, die hij zich onmiddellijk na de première al had kunnen veroorloven, was het handschrift van Joseph Haydns Variaties op Gott erhalte Franz den Kaiser. Maar in de daarop volgende maanden heeft hij op veilingen een ware schat aan kostbare handschriften weten te bemachtigen. Onder andere van Bach (een volledige cantate, 16 bladzijden), Chopin, Cimarosa, Brahms (Zigeunerlieder, 22 bladzijden),  Mozart (een mars en tien duetten), Schubert, Scarlatti etc. Ook literaire aanwinsten zijn daarbij, zoals 32 bladzijden van Montesquieus eerste ontwerp voor De l’esprit des lois, een redevoering van Robespierre, twee gedichten uit Les fleurs du mal van Baudelaire, een tekening (‘eine wundervolle’, schrijft Zweig) van Goethe, etc. ‘Bij uw volgende bezoek zult u de Kapuzinerberg (Zweigs grote woonhuis in Salzburg) in een museum veranderd vinden.’

Het topstuk van dat ‘museum’ verwerft Zweig een jaar later. In juni 1929 koopt hij, rechtstreeks van de eigenaren, de familie Von Breuning, die tot Beethovens vriendenkring had behoord, Beethovens schrijftafel. (ZIE FOTO)

Stephan von Breuning was een jeugdvriend van Beethoven uit Bonn, met wie hij ook in Wenen tot zijn dood bevriend  bleef, hij droeg het Vioolconcert aan hem op. ‘Die schrijftafel is in 1827, na Beethovens dood, met diens gehele nalatenschap op een veiling door Breuning gekocht en sindsdien ononderbroken in het bezit van de familie gebleven’, schrijft Zweig aan een collega-verzamelaar. ‘Het was Beethovens enige goede meubelstuk, zegt men, zijn beroemde brief aan de Unsterbliche Geliebte is erin aangetroffen.’ Hij heeft het meubel relatief goedkoop kunnen verwerven, schrijft hij, ‘omdat het Oostenrijk niet mocht verlaten, er waren dus geen buitenlandse gegadigden. Bovendien wilde de familie dat de verkoop zo geruisloos mogelijk zou verlopen. Zodoende was, behalve ikzelf, alleen de gemeente Wenen geïnteresseerd, maar die was ‘so furchtbar langweilig’, dat ik het relatief goedkoop heb kunnen aanschaffen. Wij zullen het met grote vreugde in ons huis ‘museaal’ opstellen en goed bewaken.’ Hij voelt zich geen ‘eigenaar’, schrijft hij aan Rolland, maar slechts ‘Verwalter’, beheerder, om deze kostbaarheden uiteindelijk in een museum onder te brengen.

Het blijft niet bij de schrijftafel. Van de familie Von Breuning koopt Zweig ook nog de viool die Beethoven als kind zou hebben bespeeld, een opklapbaar lessenaartje, waarop Beethoven nog in bed zijn laatste composities en brieven heeft geschreven, een geldkistje en een kompas, wat je niet direct in Beethovens nalatenschap zou verwachten. Al deze voorwerpen werden uitgestald op de beroemde schrijftafel in de grote zaal van het huis op de Kapuzinerberg. ‘Daar stond’, herinnert Zweig zich in Die Welt von gestern, ‘de schrijftafel van Beethoven en zijn kleine geldkistje, waaruit hij nog toen hij al bedlegerig was met een door de dood beroerde, bevende hand de kleine bedragen voor het dienstmeisje had gehaald, een bladzijde uit zijn huishoudboek en een lok van zijn al grijze haar.’

ZWEIG EN BEETHOVEN  DEEL II

Na zijn overhaaste vertrek uit Salzburg in februari 1934 wegens een brutale huiszoeking door de politie naar beweerdelijk verborgen wapens, vestigt Zweig zich aanvankelijk in Londen. Nog éénmaal, in augustus van dat jaar, komt Zweig terug in zijn oude huis. Op 25 augustus 1934 zijn Arturo Toscanini en Bruno Walter, beiden in Salzburg aanwezig vanwege de Festspiele, daar zijn gasten. Friderikes dochter Suze maakt van het beroemde drietal een beroemd geworden foto.

Zweig met zijn beide gasten Arturo Toscanini en Bruno Walter

Friderike staat nu voor de taak zich te ontfermen over de ontruiming en de verkoop van het grote huis, waartoe Stefan, tegen de zin van zijn vrouw, heeft besloten. De verstandhouding tussen de beide echtelieden is zeer gespannen. In Londen heeft Zweig een secretaresse in dienst genomen, Lotte Altmann genaamd.  Zij zal enkele jaren later zijn tweede echtgenote worden.

In Londen heeft hij een ruim appartement gehuurd in Hallam Street. Hij geeft per brief instructies over zijn verhuizing aan Friderike. Hij wil zo weinig mogelijk naar Engeland meenemen, ‘ik ben nergens aan gehecht, ik wil alleen mijn hoofd maar vrij maken’, schrijft hij haar, ‘hoe meer je kan verkopen, hoe beter het is.’ Het bureau van Beethoven, die hij in een brief bedekt aanduidt als ‘een’ schrijftafel, van ‘mijn muzikale vriend’, is zonder twijfel het kostbaarste meubel in de inboedel. Het lijkt of hij niet goed weet wat hij ermee moet doen. ‘Over Beethovens schrijftafel zal ik snel een beslissing nemen’, schrijft hij op 17 april 1937 aan zijn vrouw. ‘Ik verkoop hem in geen geval en neem hem ook niet mee hier naartoe.’ Waarom deze voorzichtige omschrijving? Is hij bang dat het nog steeds niet geoorloofd is dit bijzondere meubel, mogelijk als Oostenrijks nationaal kunstbezit, naar het buitenland te brengen? Voorlopig wordt het kostbare meubel, met de andere Beethoven-reliquien in Wenen ondergebracht, bij zijn broer Alfred en een notaris. Met hulp van Alfred, die er misschien zakelijke of andere contacten had, is het bureau in de loop van 1937 alsnog in Engeland terecht gekomen.

In de zomer van 1939 verhuist Zweig naar een kleine villa in Bath. Op dinsdag 19 september  brengt hij het grootste deel van de dag door in angstige afwachting van de komst van de verhuiswagens, ‘waiting for the vans’, noteert hij in zijn dagboek, dat hij vanaf september 1939 in het Engels voerde. Als die zo lang uitblijven is hij ‘quite convinced that something terrible must have happened with my furniture (poor Beethoven)’. Maar het valt mee, ‘the two vans arrive. We unpack all.’ Thuisgekomen hoort hij in de radio een ‘disgusting speech of Hitler, full of lies, the worst of all his speeches. To think, that this liar is the master of the world…’ Het zal voor Zweig spoedig the world of yesterday zijn.

Zijn handschriftenverzameling, die letterlijk duizenden manuscripten, autografen, brieven, gedichten, tekeningen en composities van beroemheden bevatte – Zweig gold als een internationaal vermaarde verzamelaar – was in 1937 voor het grootste deel in Wenen onder de hamer gekomen. Dit was Zweig op een boze brief van zijn vriend Rolland komen te staan, met wie de verhoudingen toch al enigszins waren verkild. Rolland was gepikeerd dat Zweig hem er niet tevoren van had verwittigd dat hij zijn collectie van de hand wilde doen; hij wíst toch dat Rolland vooral in Beethoven-stukken geïnteresseerd zou zijn geweest? ‘Ik kan niet begrijpen dat u ze liever in vreemde handen ziet komen, die daar niet veel mee zullen weten aan te vangen, dan ze eerst aan mij te tonen’, schreef hij op 1 maart 1938 aan zijn oude vriend.

In de catalogus voor de veiling in Wenen lijkt Zweig verantwoording af te leggen voor zijn verzameldrift. Of is het een geloofsbelijdenis? Hij schrijft:

“Wat ik zocht waren schetsen of ontwerpen voor gedichten of composities, omdat mij, meer dan iets anders, zowel uit biografisch als psychologisch opzicht, het mysterie van het ontstaan van een kunstwerk bezighield. De mysterieuze seconde waarin een versregel, een melodie vanuit het onkenbare op papier wordt vastgelegd en daardoor tastbaar wordt, waar is zij beter waar te nemen dan in de doorwrochte of in volledige overgave ontstane oervorm? Het ging er voor mij als verzamelaar vanaf het begin om de kunstenaar te kunnen bespieden tijdens zijn scheppingsproces en kunstwerken die allang als voltooide meesterwerken zijn opgenomen in de gevestigde wereldwijde kunstcanon opnieuw in de fase van wording en ontstaan zichtbaar te maken.”

 

In Londen verwierf Zweig ondanks alles opnieuw enkele collectors’ items. Hij kocht er onder andere handschriften van Händel en een topstuk als Schuberts manuscript van An die Musik. Ook voor zijn verzameling Beethoven-reliquien heeft hij nog interessante stukken kunnen aankopen, onder andere de tekening van Beethoven op zijn doodsbed door Danhauser.

De beide meer bekende tekeningen door Teltscher bezat hij al. ‘Nu heb ik met de schrijftafel een soort museum bij elkaar, dat geen mens ter wereld mij na kan doen,’ schrijft hij nog op 27 juli 1939 aan een vriend. In de British Library in Londen bevindt zich een getypte lijst, waarschijnlijk uit 1939/1940, met het opschrift Lebensreliquien Beethovens, met Zweigs handgeschreven toelichtingen en aanvullingen. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij omstreeks die tijd het voornemen opgevat iets over Beethoven te publiceren. Een  nieuwe Sternstunde misschien?

Wij zullen het waarschijnlijk nooit weten. Wij kunnen alleen vaststellen dat Zweig, niet minder dan zijn vriend Rolland, behalve verzamelaar, ook een groot bewonderaar èn een kritisch luisteraar van Beethoven is geweest. Na een concert in november 1931 met Bruno Walter, waar na een vroege symfonie van Haydn de Eroica werd gespeeld, roemde hij in zijn dagboek weliswaar Haydns ‘selige unschuldige Heiterkeit’, maar hij vervolgt: ‘Erst mit Beethoven ist der Mensch da. Haydn die Unschuld, Beethoven das Wissen um die Schuld.’

 

Piet Wackie Eysten

ZWEIG EN BEETHOVEN

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Stefan Zweig heeft in zijn werkzaam leven veel belangstelling gehad voor muziek: contacten met de grote dirigenten en componisten uit zijn tijd, verwoed verzamelaar van muziekmanuscripten en zijn langdurig verblijf in de Festspiele-stad Salzburg was hierbij zeker behulpzaam. Het werk van Ludwig van Beethoven had zijn bijzondere belangstelling.

Volgend jaar wordt het 250ste verjaardag van Beethoven herdacht met groots opgezette festiviteiten in onder meer Bonn, de geboortestad van Beethoven. Een van de organisatoren in Bonn is onze Stefan Zweig vriend Joachim Brügge van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft in Salzburg. Het programma in Bonn zal op 17 en 18 april 2020 plaatsvinden. Wij houden u op de hoogte van het programma.

Om u alvast te introduceren in het Beethovenjaar 2020 heeft de u intussen bekende schrijver over Zweig en zijn werk Piet Wackie Eysten een verhaal geschreven over de relatie tussen Ludwig Van Beethoven en Stefan Zweig. Met groot genoegen drukken wij hieronder het eerste deel af en u kunt het tweede deel begin 2020 tegemoet zien.

Wij wensen u prettige feestdagen, een goede jaarwisseling en veel leesplezier.

Dirk Jansen

 

 Zweig en Beethoven
I

Als gymnasiast was hij al begonnen met het verzamelen van handschriften. Karl-Emil Franzos, uitgever van het in Berlijn verschijnende blad Deutsche Dichtung, waarin spoedig Stefans eerste gedichten zouden verschijnen, was een vermaard autografenverzamelaar. Met hem voert Zweig reeds als tiener een levendige correspondentie over hun gedeelte passie. In een brief van 18 februari 1898 – Zweig is dan net 16 jaar – biedt hij Franzos enkele stukken aan uit zijn eigen, nog bescheiden verzameling, onder andere een lange brief van Wieland, een door Goethe eigenhandig ondertekende brief en ‘ein unterschriebenes eigenhänd. Billet von Beethoven, sehr drastischen Inhalts’, voegt hij eraan toe. Het is hem menens. In 1914 verschijnt in de Weense Bibliophilenkalender een opstel van zijn hand met de veelzeggende titel Die Autographensammlung als Kunstwerk.
In april 1904 voltooit Zweig, hij is dan 22 jaar, zijn studie aan de Universiteit van Wenen met een dissertatie over Die Philosophie des Hippolyte Taine. In de inleiding tot dat proefschrift valt in zijn oeuvre voor het eerst de naam Beethoven. Hij betreurt, schrijft hij, het huidige ontbreken van creatieve scheppingskracht, grote geesten als weleer lijken er niet meer te zijn, ‘Napoleon, Goethe, Beethoven und Byron sind gestorben’. Ligt hier de kiem van de hartstocht waarmee hij zijn leven lang zo’n hartstochtelijk verzamelaar is gebleven van handschriften van grote geleerden en beroemde kunstenaars? Probeert hij daarmee de scheppende mens, het genie nader te komen, hem als het ware aan het werk te zien? Een bladzijde van Balzac met ontelbare correcties, een lied van Schubert met doorhalingen, een tekening van Dürer, ‘een eerste notitie van Beethoven, met zijn wilde, ongeduldige krassen, zijn woeste wirwar van begonnen en verworpen motieven, met daarin de tot een paar potloodstrepen gecomprimeerde scheppingsdrift van zijn demonisch geladen wezen’, zoals hij in zijn herinneringen Die Welt von gestern schrijft, het zijn voor hem even zovele mogelijkheden om oog in oog te staan met de scheppende kunstenaar, het ontstaan van een kunstwerk mee te beleven.

Zijn passie voor het verzamelen van handschriften blijkt hij te delen met de Franse schrijver, musicoloog en Beethovenbiograaf Romain Rolland, die hij voor het eerst ontmoet in 1913. In Die Welt von gestern beschrijft hij uitvoerig zijn eerste bezoek aan Rolland in Parijs, in april van dat jaar. Hij verbaast zich over Rollands kleine studeerkamer, ‘waar de boeken tot aan het plafond opgestapeld stonden’, en voegt daar in zijn dagboek aan toe: ‘Als wandversiering niets anders dan het dodenmasker van Beethoven en een portret van Richard Strauss’ [met wie Rolland goed bevriend was, pwe]. De hoofdpersoon in Rollands grote romancyclus Jean Christophe is een geniale jonge Duitse musicus, waarvoor Beethoven model heeft gestaan.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog, als Zweig geruime tijd in Zwitserland verblijft, waar Rolland werkzaam is voor het Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis, ontmoeten zij elkaar regelmatig. Tijdens zijn verblijf in Zwitserland in die oorlogsjaren is Zweig uiterst somber over het verloop van de oorlogshandelingen. Maar er zijn ook lichtere momenten. Op 26 oktober 1915 heeft hij een concert van het beroemde Rosé-kwartet bijgewoond. Zij hebben Beethoven gespeeld. ‘Ich lebe noch heute davon,’ noteert hij de volgende dag in zijn dagboek. Beethovens muziek ‘spoelde het vuil, de zwarte neerslag van de gebeurtenissen, van mij af.’

In maart 1927 wonen Zweig en Rolland samen in Wenen de concerten en feestelijkheden bij ter gelegenheid van het honderdste sterfjaar van hun gemeenschappelijke held. In de Weense krant Neue Freie Presse publiceert Rolland een ‘hommage’ aan Beethoven.

Rolland is een van de weinigen onder Zweigs vrienden die werkelijk belangstelling toonden voor diens verzameling handschriften. Eind december 1927 schrijft Zweig hem opgetogen over de aanwinsten die hij zich heeft kunnen veroorloven uit de opbrengsten van zijn toneelstuk Volpone, een bewerking van het gelijknamige stuk van de zeventiende-eeuwse Engelse toneelschrijver Ben Jonson. De première in het Wiener Burgtheater is een immens succes geweest, het stuk trekt in Oostenrijk en daarbuiten volle zalen. ‘Ik moet u bekennen, schrijft Zweig, dat ik alles wat die brave Volpone mij het afgelopen jaar heeft opgeleverd heb uitgegeven aan handschriften’. Een bijzondere aanwinst, die hij zich onmiddellijk na de première al had kunnen veroorloven, was het handschrift van Joseph Haydns Variaties op Gott erhalte Franz den Kaiser. Maar in de daarop volgende maanden heeft hij op veilingen een ware schat aan kostbare handschriften weten te bemachtigen. Onder andere van Bach (een volledige cantate, 16 bladzijden), Chopin, Cimarosa, Brahms (Zigeunerlieder, 22 bladzijden),  Mozart (een mars en tien duetten), Schubert, Scarlatti etc. Ook literaire aanwinsten zijn daarbij, zoals 32 bladzijden van Montesquieus eerste ontwerp voor De l’esprit des lois, een redevoering van Robespierre, twee gedichten uit Les fleurs du mal van Baudelaire, een tekening (‘eine wundervolle’, schrijft Zweig) van Goethe, etc. ‘Bij uw volgende bezoek zult u de Kapuzinerberg (Zweigs grote woonhuis in Salzburg) in een museum veranderd vinden.’

Het topstuk van dat ‘museum’ verwerft Zweig een jaar later. In juni 1929 koopt hij, rechtstreeks van de eigenaren, de familie Von Breuning, die tot Beethovens vriendenkring had behoord, Beethovens schrijftafel.

 

Beethovens schrijftafel,
in de ‘grote zaal’ op de Kapuzinerberg

 

Stephan von Breuning was een jeugdvriend van Beethoven uit Bonn, met wie hij ook in Wenen tot zijn dood bevriend  bleef, hij droeg het Vioolconcert aan hem op. ‘Die schrijftafel is in 1827, na Beethovens dood, met diens gehele nalatenschap op een veiling door Breuning gekocht en sindsdien ononderbroken in het bezit van de familie gebleven’, schrijft Zweig aan een collega-verzamelaar. ‘Het was Beethovens enige goede meubelstuk, zegt men, zijn beroemde brief aan de Unsterbliche Geliebte is erin aangetroffen.’ Hij heeft het meubel relatief goedkoop kunnen verwerven, schrijft hij, ‘omdat het Oostenrijk niet mocht verlaten, er waren dus geen buitenlandse gegadigden. Bovendien wilde de familie dat de verkoop zo geruisloos mogelijk zou verlopen. Zodoende was, behalve ikzelf, alleen de gemeente Wenen geïnteresseerd, maar die was ‘so furchtbar langweilig’, dat ik het relatief goedkoop heb kunnen aanschaffen. Wij zullen het met grote vreugde in ons huis ‘museaal’ opstellen en goed bewaken.’ Hij voelt zich geen ‘eigenaar’, schrijft hij aan Rolland, maar slechts ‘Verwalter’, beheerder, om deze kostbaarheden uiteindelijk in een museum onder te brengen.

Het blijft niet bij de schrijftafel. Van de familie Von Breuning koopt Zweig ook nog de viool die Beethoven als kind zou hebben bespeeld, een opklapbaar lessenaartje, waarop Beethoven nog in bed zijn laatste composities en brieven heeft geschreven, een geldkistje en een kompas, wat je niet direct in Beethovens nalatenschap zou verwachten. Al deze voorwerpen werden uitgestald op de beroemde schrijftafel in de grote zaal van het huis op de Kapuzinerberg. ‘Daar stond’, herinnert Zweig zich in Die Welt von gestern, ‘de schrijftafel van Beethoven en zijn kleine geldkistje, waaruit hij nog toen hij al bedlegerig was met een door de dood beroerde, bevende hand de kleine bedragen voor het dienstmeisje had gehaald, een bladzijde uit zijn huishoudboek en een lok van zijn al grijze haar.’

 

Piet Wackie Eysten

NIEUWS UIT SALZBURG

 

 

                                    NIEUWS UIT SALZBURG

Een bezoek aan Salzburg levert altijd weer grote of kleine indrukken op die ik graag met u deel:

 

OVERLAST VAN TOERISME 

Net als in Venetië, Amsterdam en andere toeristische trekpleisters leveren de stromen aan bezoekers welkome inkomsten op, maar de overlast voor de bewoners is groot en roept  weerstanden op. Bijna dagelijks staat de plaatselijke pers vol van politieke strijd rond dit thema. In de Salzburger Nachrichten vond ik een cartoon (zie foto) dat iets van de aversie laat zien. Het plaatje toont de Getreidestrasse, de middeleeuwse hoofdstraat van Salzburg.

 

DE BURGEMEESTER

Toen in 2007 het Stefan Zweig Genootschap Nederland werd opgericht vierden we dit in de Amsterdamse Bibliotheek met een voorstelling en een tentoonstelling. De beide burgemeesters van de betrokken steden, de heer Job Cohen van Amsterdam en de heer Heinz Schaden van Salzburg, kwamen de tentoonstelling openen.  Wij zijn de beide burgemeesters nog steeds dankbaar voor de mooie start die zij ons Genootschap gaven. Tot mijn verbazing verscheen deze zomer het bericht in de Oostenrijkse pers dat de heer Schaden is veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf (waarvan twee voorwaardelijk) voor “Untreue” (kwade trouw, misbruik van aan jou toevertrouwd geld) wegens het als burgemeester bevoordelen van de financiën van zijn politieke partij.

 

HET HUIS VAN STEFAN ZWEIG

 

Stefan Zweig heeft een groot deel van zijn werkzaam leven in Salzburg op de Kapuziner Berg gewoond. In een soort landhuis tegen de helling van de heuvel gebouwd, uitkijkend over de stad en met zicht op Berchtesgaden. Dit Paschinger Schlössl  werd in de 17de eeuw gebouwd en vele malen verbouwd. Toen Zweig er begin 20ste eeuw ging wonen verbouwde hij het opnieuw. In het Salzburger Museum staat al jaren een prachtig in het rond  geschilderd panorama van de stad en omgeving. Gemaakt in het begin van de negentiende eeuw. Toen ik goed keek ontdekte ik de afbeelding van dit huis (zie foto).  Toen nog eigendom van het naastgelegen klooster.

 

EEN GOUDEN STEM IN SCHLOSS FROHNBURG

 

In de nabije omgeving van Salzburg, op weg naar de tuinen van Hellbrunn, ligt het Schloss Frohnburg (zie foto).  Dit statige landhuis wordt regelmatig gebruikt om talenten van de Musikuniversität podiumervaring te geven.

Wij bezochten een concert waarin liederen van onder meer Richard Strauss en Schubert werden gezongen. Natuurlijk kunnen wij ons vergissen, maar de stem van de sopraan Simone Waldhart (zie foto)is veelbelovend. Op YouTube kunt u haar horen zingen (googlen op haar naam). Ze blijft vast niet onopgemerkt in de toch zeer competitieve muziekwereld en niet alleen door haar jurk.

Dirk Jansen

 

STEFAN ZWEIG IN HAMBURG

 

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP                                                        NEDERLAND

October 2019 (2)

 

 

 

STEFAN ZWEIG TAGUNG IN HAMBURG

 

Beste Stefan Zweig vriendinnen en –vrienden,

Ik vertelde u in eerdere nieuwsbrieven over het interessant ogende programma van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft in Hamburg. Wij gingen er twee weken geleden heen en wij konden meemaken dat het programma inderdaad  veelzijdig en zeer de moeite waard was.

Grensgangers spelen een belangrijke rol in het programma. Zij kiezen in hun leven en/of hun kunst niet voor één perspectief, maar gebruiken er vele. Zoals het gebruik van meerdere kunst genres in hun werken, het wonen in meerdere omgevingen, tijdens het leven bewust met de dood als grensoverschrijding bezig zijn, het spreken van meerdere talen, het bemiddelen tussen verschillende culturen etc. etc. Stefan Zweig is een mens en een kunstenaar die met meerdere waarheden leefde en werkte. Ein Grenzgänger.

Het zou te ver voeren om u volledig verslag te doen, maar graag tip ik mijn vier hoogtepunten van het vierdaagse programma aan:

  1. Hamburg leeft en bruist. Als een getogen Rotterdammer zie ik veel overeenkomsten van deze Elbe-stad met de Maas-stad. De haven speelt een grote rol in het stadsleven, al moet ik toegeven dat de Hamburgse haven meer in de stad zelf ligt dan de haven van Rotterdam. De grotendeels verbouwde pakhuizen liggen imposant in en aan het water en terecht noemt Hamburg zich dan ook Speicherstadt. De durf en ondernemingsgeest van de stad weerspiegelen zich in de architectonisch zeer bijzondere Elbphilharmonie. Kosten noch moeite werden gespaard. Het gebouw werd wel tien keer duurder dan begroot. Voor de rest: ga het zelf zien, Hamburg is erg de moeite van de reis waard.
  2. In het naburige dorpje Blankenese ligt het huis van de beroemde dichter Richard Dehmel. Hij was een tijdgenoot en vriend van Stefan Zweig. De briefwisseling tussen beiden geeft een mooi tijdsbeeld. Zijn huis is als museum bewaard gebleven.

                                                      Ein Freiheitslied

Es ist nun einmal so,
seit wir geboren sind;
die Blumen blühen wild und bunt,
wir aber mauern Wände
gegen den Wind.
Es wird wohl einmal sein,
wenn wir gestorben sind;
dann blühen die Blumen noch immer so,
und über unsre Mauern
lacht der Wind.

 

 

  1. Een landhuis van de familie Reemtsma ligt schitterend aan de Elbe. Het huis, in de ’30 jaren gebouwd in de stijl van de nieuwe zakelijkheid getuigt van de enorme rijkdom van deze familie, verkregen in de tabaksindustrie. Het huis, de inrichting en de Hermann Reemstma Stiftung voor wetenschappelijk onderzoek op vele gebieden van cultuur, die er gehuisvest is, roepen bewondering op. Daarnaast is het juist om te vermelden dat de familie in de jaren dertig nauw heeft samengewerkt met de toenmalige nazi-machthebbers. Met hun huidige, veelvoudige sociale- en culturele activiteiten spelen zij op deze gebieden hun rol in de Duitse pogingen tot “wiedergutmachung”.  Ondanks de hoge kwaliteit van de ontvangst en de voorstelling blijven het joods zijn van onze hoofdpersoon Stefan Zweig en de historie van de familie Reemtsma op de achtergrond ongemakkelijk aanwezig. In de avondvoorstelling werden de historische en huidige banden tussen de stad Hamburg en Stefan Zweig en zijn tijdgenoten verteld en verbeeld. Mechthild Groszmann, de in Duitsland bekende toneelspeelster, speelde met haar welluidende basstem een zeer kleurrijke rol in de voorstelling.
  2. Het verhaal van Bernd Oei over Stefan Zweig en de Europese droom gehouden in de Mendelsohn zaal van de Hochschule voor Muziek en Theater was, zonder iets af te willen doen aan de kwaliteit van de andere programma onderdelen, voor mij het hoogtepunt van de Tagung. Hij hield een fascinerend betoog, waarin hij uiteen zette dat het werk van Stefan Zweig lagen behelst die zelden of nooit worden herkend. In zijn verhalen en romans worden wezenlijke, existentiële vragen aan de orde gesteld die veel verder reiken dan alleen een pakkende verhaal en een elegante woordkeuze. In zijn boek “Der Grenzgänger” werkt Oei dit uitgangspunt aan de hand van een beschouwing van veel van Zweigs’ werken uit. Dit onderwerp vind ik zo fascinerend dat ik graag in een volgende nieuwsbrief hierop verder in

 

Als u nu zou denken ”Wat jammer dat ik deze Tagung heb gemist”, dan heb ik goed nieuws voor u: op 17 en 18 april 2020 speelt de volgende Tagung zich af in Bonn. Een combinatie van Stefan Zweig en de feestelijkheden rond Ludwig van Beethoven.

Dirk Jansen

 

 

MET ZWEIG NAAR ARTIS

David met het hoofd van Goliath voor Saul
Rembrandt van Rijn

David speelt harp voor Saul

Met Stefan Zweig naar Artis.

“Reise soll Verschwendung sein, Hingabe der Ordnung an den Zufall, des Täglichen an das Auβerordentliche.”

(Uit Reisen und Gereistwerden, 1915)    

 

In de Nieuwsbrief van september 2018 schreef ik over Stefan Zweigs bezoek aan ons land in maart 1929, hij verbleef toen enkele dagen in Den Haag. Daar hield hij in Pulchri Studio zijn rede Die Europäische Idee in der Literatur, die hij een dag eerder ook in Utrecht had gehouden. Voor zover ik wist was dit – afgezien van een mogelijk vluchtig bezoek als jonge man begin vorige eeuw op doorreis van Engeland naar het continent – de enige keer dat hij ons land bezocht. In zijn eigen herinneringen, Die Welt von gestern, noch in biografieën of andere secundaire literatuur, had ik aanwijzingen gevonden voor een later bezoek aan ons land. Toch hield ik zekerheidshalve een slag om de arm, je kon immers nooit weten. En er was inderdaad enige reden tot voorzichtigheid. In een brief die Zweig op 18 maart vanuit Den Haag aan zijn vrouw schreef verzuchtte hij namelijk dat hij, in plaats van plichtmatige bezoekjes bij de ambassadeurs van Oostenrijk en Duitslands, van wie hij bij aankomst in zijn hotel uitnodigingen had aangetroffen, ‘lieber das Mauritshuis noch einmal’ zou bezoeken. ‘Noch einmal’? Was hij dan eerder in Den Haag geweest? Dirk Jansen sprak niet voor niets in zijn inleiding in de Nieuwsbrief over een ‘sprankje hoop dat Stefan Zweig Nederland weleens twee keer bezocht zou kunnen hebben.’

Welnu, Thomas Huttinga, Zweigvriend en trouw lezer van de Nieuwsbrief, heeft dat sprankje hoop in vervulling doen gaan. Hij wees mij op een passage in Stefan Zweig: wie ich ihn erlebte van Stefans eerste vrouw, Friderike Zweig, dat in 1947 verscheen. Daarin had hij de summiere beschrijving gevonden van een kort bezoek van Zweig, samen met Friderike en haar toen 18-jarige dochter Suse, aan België en Nederland in de zomer van 1928.

Suse von Winternitz, jongste dochter uit Friderikes huwelijk met Felix von Winternitz, was als leerlinge woonachtig in een meisjesinternaat in Gland, aan het Meer van Genève. (Een onbelangrijke maar niet onaardige bijzonderheid is dat dit Quaker-internaat onder leiding stond van een zekere Miss Thomas. Zij was bevriend met Romain Rolland en had haar kat naar diens romanheld Jean-Christophe genoemd.)  Suse was ziek geworden en in de paasvakantie van 1928 door Friderike opgehaald. Zij vergezelde nu haar moeder en stiefvader in augustus op een reis naar België en Nederland.

Sinds zijn overhaaste vertrek in november 1914 was Zweig niet meer terug geweest in België, waarmee hij in het verleden zulke nauwe banden had gehad. De dichter Émile Verhaeren, in november 1916 door een tragisch spoorwegongeluk om het leven gekomen, en de graficus, houtsnijder en kunstschilder Frans Masereel, hadden tot zijn meest intieme vrienden behoord.

Brussel deden Stefan, Friderike en Suse in die warme zomermaand in 1928, anders dan aanvankelijk hun bedoeling was geweest, maar kort aan. Daags na aankomst reisden zij door naar Oostende, waar Stefan dacht meer rust te kunnen vinden om wat te werken. Hun bezoek aan Ieper inspireerde hem tot zijn opstel Ypern, dat op 16 september 1928 verscheen in het Berliner Tageblatt en later is opgenomen in de bundel Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten. Zweig beschrijft daarin zijn weerzien na zovele jaren met deze ‘nun so tragisch berühmte’ stad. Weerzin bekruipt hem vanwege het massatoerisme. Van Lille tot Antwerpen en tot ‘weit ins Holländische hinein’, schrijft hij, staat de naam van deze ville martyre op borden en wegwijzers. Touringcars en autobussen voeren er de ‘ramptoeristen’ (‘nachträgliche Schlachtenbummler’) dagelijks bij duizenden langs de ruïnes, monumenten en begraafplaatsen. De uit patronen vervaardigde souvenirs en uit granaatscherven bestaande crucifixen en rozenkransen stuiten hem tegen de borst. Eén grote show heeft België, tot zijn verdriet en ergernis, van deze lieu de mémoire gemaakt.

Zij reizen verder, Holland in. In Den Haag bezoeken zij het Mauritshuis waar de schilderijen van Rembrandt, in het bijzonder Saul en David, grote indruk op Zweig maken. In Amsterdam gaan zij met Suse naar Artis. Het is een bloedwarme dag, noteert Friderike, ze zijn jaloers op de rinocerossen, die een verkoelend bad tot hun beschikking hebben:

“Stefan begon Hollands tegen ze te praten, dat hadden wij ook in restaurants al geprobeerd, maar zonder enig resultaat. Een paar woorden hadden we wel onthouden, zo bijvoorbeeld ‘vertrecken’, wat ‘sich entfernen’ betekent. Dat riep Stefan een paar maal naar de rinocerossen, maar die bleven ons met hun onbeschrijflijk lelijke koppen onbewogen aanstaren. Zij verstonden hem al net zo min als het bedienend personeel in de restaurants die wij bezochten.”

Op het water hoopt ons drietal vervolgens enige verkoeling te vinden. Zij stappen aan boord van een kleine, overvolle boot die gereed ligt om uit te varen. Wat voor boot dit precies geweest moet zijn is moeilijk te achterhalen. Een rondvaartboot zoals wij die tegenwoordig kennen zal het niet geweest zijn, want Friderike vervolgt dat zij met dit schip ‘een bijzonder interessant Hollands dorp’ zouden gaan bezoeken. Marken misschien, of Volendam? Maar zo ver komt het niet. Voordat ze nog een voet aan boord hebben gezet, nog op de aanlegsteiger, draait Stefan zich resoluut om en stapt weer aan wal. Hij is toch al geen liefhebber van toeristische sightseeing, maar een vaartochtje in deze ‘unbeschreibliche Hitze’ op een stampvol bootje met toeristen wordt hem echt teveel. ‘Zodoende hebben we de Hollandse boerinnen met hun witte kappen, die onvermoeibaar hun koperen spullen zitten te poetsen, nooit gezien’, schrijft Friderike. Ze lachen om Stefans grilligheid en zoeken troost in een koele bierkelder, waar zij zich amuseren met Stefans uitspraak van de Bolsreclame: ‘Enke Dag en Gläschen’.

Hier eindigt Friderikes summiere verslag van haar bezoek met man en dochter aan de Lage Landen. Een goed halfjaar later, als hij wederom Den Haag aandoet, herinnert Zweig zijn vrouw aan hun gezamenlijke bezoek aan het Mauritshuis, dat hij graag ‘noch einmal’ zou bezoeken, liever dan plichtmatige gelegenheidsbezoekjes af te leggen bij ambassadeurs.

Piet Wackie Eysten

 

Sluimersprookje van Ferenc Molnár

SLUIMERSPROOKJE

FERENC MOLNÁR

 

Met dit sprookje kunnen weduwen hun kleine kinderen en goede kinderen hun oude en moede ouders laten indutten. Het sprookje moet zachtjes, maar vloeiend verteld worden, aan het begin levendig, alsof het waar is, naar het einde toe steeds langzamer en goediger, zodat aan het einde, degene aan wie het verteld wordt, is ingeslapen.

1

In het stadsbos woonde in één van de tentjes een zonderlijk mens. Hij werd Závoczki genoemd. Deze Závoczki was een grote schurk, hij schold iedereen uit, sloeg voortdurend om zich heen, stak met een mes in op mensen, hij stal, bedroog, roofde en was toch een goede kerel, die veel van zijn vrouw hield. Want zijn vrouw was een kleine, eenvoudige dienstmeid, die tot haar 17de bij een joodse familie gediend had en toen, op een zondag, toen ze een paar uur vrij was, in het stadsbos Závoczki had leren kennen, die een tweekleurige broek droeg, de enen pijp was geel, de andere rood. In zijn haar droeg hij een hanenveer, waaraan een koordje vastzat. Het eind van het koordje zat in zijn zak, en als Závoczki eraan trok, bewoog de veer op zijn hoofd. Daarover moest iedereen erg lachen, en de mooiste dienstmeisjes klommen op de carrousel  waar Závoczki zijn kunsten vertoonde. De eenvoudige, kleine dienstmaagd leerde hier Závoczki kennen en bleef de hele dag bij hem. Ofschoon ze om 7 uur thuis had moeten zijn, ging ze ook om 11 uur nog niet; de volgende dag durfde ze niet meer naar huis. Ze bleef bij de vent met de veer op z’n hoofd en kon zich geen maagd meer noemen en ze was een zo goed, zacht en klein meisje, dat Závoczki haar mee naar het stadhuis nam en trouwde.

Dit mens was de grootste schurk van het hele stadsbos. Al snel was hij de omroeper van een schiettent en weldra leefde hij maandenlang van het geld dat hij met kaartspelen van anderen afnam. Als hij iets had gestolen, dan hield hij op met werken tot het geld op was. Vaak sloot men hem voor een paar dagen in het brandweerhuisje op, dan huilde zijn vrouw de hele dag en nacht en maakte, ofschoon ze wist dat hij niet naar huis kon komen, toch zijn bed naast zich op, zodat het net leek alsof hij zo thuis zou komen. Závoczki gedroeg zich echter in zijn gevangenis zo onbeschaamd, dat men hem in een isoleercel zette. Daar huilde de stakker erg en zei onophoudelijk: “Wat ben ik ongelukkig, wat ben ik ongelukkig”.

Thuis was er geen geld, en Závoczki schaamde zich dat er geen geld was. Zijn hart deed pijn als hij zag dat het lieve kleine dienstmeisje met het bleke gezichtje ’s avonds broodkostjes moest eten, maar omdat zijn vrouw dit niet mocht merken, snauwde hij tegen haar: “Je verspilt al ons geld, onmogelijk stuk ongeluk”. En het bleke gezicht keek hem dan verdrietig aan en huilde bijna, waarop Zácovzki zijn vuist hief: “Jank niet of ik ram je in elkaar”.

Daarop liep hij naar buiten, sloeg de deur dicht, verstopte zich in de schuur en huilde de hele nacht bitter. Het bleke gezichtje waagde het daarna zelfs niet meer om stilletjes te huilen, omdat hij-met-de-veer-op-zijn-hoofd dat verboden had en omdat vrouwen huilen kunnen inhouden. Zo ging het. Maar de volgende dag dachten zij de hele dag aan elkaar, en Závoczki sprak daar met geen woord over. Gewoonlijk sloeg hij daarna de huismeester of stak een politieagent in de rug om daarna snel weg te hollen. Want hij was een driftig, totaal in de prut weggezakt mens, die allang rijp was voor de galg.

Op een zondagavond regende het, en Závoczki zat samen met een andere maatjesdief ergens in de buurt van Herminastrasse op de rand van een grafsteen. Ze speelden kaart in de regen. Het werd al donker en de kaarten waren nauwelijks meer te zien, overigens had de regen ook de afbeeldingen op de kaarten doen uitlopen. Dat had Závoczki nauwelijks gehinderd, want hij herkende de kaarten ook vanaf de achterkant, maar de andere heer stelde toch voor het spel te stoppen. “Dank u, mijn heer” zei hij en stond moeizaam op van het graf. “Dat gaan we niet doen” schreeuwde Závoczki, “anders ben ik de pineut, want je hebt al mijn geld gewonnen, mijn hele kapitaal. Speel door!”. De ander beriep zich erop, dat het regende en al laat werd, morgen zou hij graag revanche geven. En hij holde zo snel als een pijl weg, op blote voeten spetterend door de modder.

Daarop trok Závoczki een keukenmes tevoorschijn en liep de Franciastrasse door tot de Damm voor de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen. Daar liep, gewoonlijk, Herr Linzmann, de kassier van de Leerfabriek, als hij op zaterdagavond de lonen van de arbeiders kwam brengen. Hij stelde zich verdekt op naast de Damm  om de heer Linzmann op te wachten, hem neer te steken  en het geld  te grijpen. Maar hij wachtte tevergeefs. Hij besefte dat hij te laat was. Herr Linzmann had het geld al weggebracht en was allang met de lege tassen op  weg naar de stad terug. Wat een vervloekt gedoe is dat kaartspel toch.  Je mist daardoor de zaken die werkelijk van belang zijn.

Závoczki klom op de Damm van de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen en er rolde twee tranen over zijn vuile gezicht; plotseling verbleekte hij, glimlachte en riep: “Julia Zeller! Julia Zeller!”. Dat was de naam van zijn vrouw. En hij pakte het keukenmes met beide handen beet, richtte het op zichzelf en stootte het in zijn hart. Hij stierf direct, rolde van de Damm van de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen met in zijn zak een spel smoezelige kaarten en drie witte, ivoren ballen, die hij bij het jongleren gebruikte, in zijn haar een hanenveer, op zijn lippen nog steeds de naam van het kleine, zachte dienstmeisje: “Julia Zeller!, Julia Zeller!.

2.

Závoczki werd ter aarde besteld en er was geen sprake van dat de Aartsbisschop van Esztergom een grafrede zou houden. Alleen zijn vrouw was er, in een zwarte jurk, die ze zelf die nacht genaaid had. Iedereen in het huis troostte de bleke Julia: “God zij geloofd, dat hij de gekwelde, kleine dienstmaagd van haar ellende heeft bevrijd. U bent nog jong, God geve hem eeuwige rust, zo is het beter, God is groot. U bent nog jong”. En Julia knikte, zij gaf met een treurige blik de buren gelijk en zei zelfs: “Dank u wel mevrouw de huisbewaarder, u bent zo goed voor mij, mevrouw Braun, dankuwel mevrouw Braun, dank u mevrouw Stufenberg, u bent allemaal zo goed voor me, dank u mevrouw Braun”. Ja, en wat nog opmerkelijker was, ze zei zelfs: “U heeft gelijk mijnheer de commisaris, het is zo veel beter, God geve zijn ziel eeuwige rust”. Want Julia schaamde zich tegenover de politie dat zij een schurk als Závoczki nog over het graf heen kon liefhebben, zonder enige reden, wat werkelijk schandalig was. En ze begon ook, direct een dag na de begrafenis, kinderkleertjes te naaien, want ze zou de komende maand een kind krijgen.

Závoczki werd ’s middags in een armengraf gelegd, waarin hij echter slechts tot de avond bleef. Wie de regels kent, weet ook dat elke avond de groene wagen van de politie-inspectie verschijnt om iedereen naar de gevangenis te brengen die de hele dag lang vlijtig door de politieagenten verzameld was. Dus rijdt iedere nacht een grote groene wagen naar het kerkhof om de schurken die zelfmoord pleegden af te voeren. Zij gaan niet direct naar de hel, maar moeten eerst het vagevuur in. Daar wordt onderzocht wat de oorzaak was en hoe de zaak in elkaar zit. Want er komen van hen nog vrij veel in het paradijs.

Dus, ook Závoczki ging, samen met de anderen,  in de groene wagen zitten, het grote mes nog in zijn hart. Naast hem zat een drenkeling die nog vol water zat, omdat hij zich in de Donau had verdronken. Tegenover hem zat een vrouw met een touw om haar nek. Zij was een arme vrouw die zich opgehangen had. Aan de anderen was niets te zien. In hen zaten alleen kleine kogels die zij op elkaar hadden afgevuurd. De wagen met hen erin vertrok. Hij rammelde de Keresztúrerstrasse op en verdween, richting gevangenis, de donkere nacht in. Hij reed en reed zolang dat het al begon te dagen. Toen begonnen de paarden plotseling harder te lopen en gingen er in gestrekte galop vandoor. Závoczki keek door een gaatje naar buiten en zag, dat de wagen op een zeer brede weg  een dal in raasde waarboven een roze-achtige nevel hing. De wagen steeg op, de wielen draaiden in de lucht, steden en dorpen onder zich latend, maar dat alles deerde Závozcki niet meer, er stak immers een mes in zijn hart, waardoor niets hem meer pijn deed.

Tot stopten ze. De een na de ander stapte uit de wagen, en wachtlieden brachten ze naar een groot kantoor. Ze moesten in de entree wachten, roken was niet toegestaan, velen rochelden op de grond en het stonk toch naar rook. Toen kwam een brildragende ambtenaar naar buiten en riep op alfabet de namen af. Eindelijk was Závoczki aan de beurt.

“Hoe heet u ?” vroeg de beambte zonder op te kijken van het grote blad papier, waarop alles werd bij gehouden.

“Endre Závoczki”.

“Leeftijd?”.

“Twee en dertig”.

“Geboorteplaats ?”.

Daarop antwoordde Závoczki niet. De beambte keek hem nog steeds niet aan. “Geboorteplaats? Onbekend?” Závoczki knikte, want nu keek de ambtenaar hem aan: “U heeft het recht om één dag terug te keren, als u daar in het leven iets hebt vergeten. Wie gewoon vanzelf doodgaat, zoals het hoort, die mag niet terugkeren, want hij heeft niets achtergelaten.  Maar een zelfmoordenaar gaat niet vanzelf dood. Hij vergeet vaak iets en veroorzaakt daardoor leed op aarde. Geef antwoord”. En hij keek hem streng aan, zoals bij zelfmoordenaars gebruikelijk is. Závoczki antwoordde: “Ik heb vergeten de geboorte van mijn kind af te wachten. Achteraf bezien heb ik spijt dat ik het niet heb afgewacht, want ik had het kind graag gezien, maar nu is het te laat. Dat is erg treurig,, maar ik ben een man, en nu ik eenmaal hier ben, denk ik dat ik hier maar blijf”.

“Hup, de kerker in, harteloze schurk”, schreeuwde de beambte en de wachters grepen Závoczki en sloten hem op in de kerker, en Závoczki lachte hen de hele weg erheen uit, het mes in zijn hart en hij schudde zijn hoofd en zei: “Provocateurs zijn jullie, kankergezwellen zijn jullie, nutteloze provocateurs, beulsknechten”. Daarop gaven de wachtlieden Závoczki een trap, waarbij eén het handvat van het mes vasthield, opdat het niet uit zijn hart zou vallen.

3.

Zestien jaren lang zat Závoczki in het vagevuur. Het is een grote leugen, dat het vagevuur brandt. Het vagevuur is niets anders dan een zeer sterk, roze gekleurd licht waarin men een groot aantal jaren moet zitten, totdat het de slechte eigenschappen uit een mens gewist heeft. Závoczki raakte in de loop der tijd gewend aan het licht en meende dat het hem zeer opgeschoond had. Hij smeedde alweer de meest uiteenlopende plannen, want zijn hart was gelouterd  en hij wilde graag zijn kind zien, van wie hij niet eens wist of het een jongen of een meisje was. Toen er dan ook een klerk in het roze licht opdook en aan iedereen vroeg of er bezwaren tegen het personeel leefden, meldde Závoczki zich en vroeg: “Neemt u mij niet kwalijk, geachte heer, heb ik nog het recht om één dag terug te keren omdat ik iets vergeten heb?

“Dat recht heeft u”, zei de klerk, want met degenen die reeds lang in het vagevuur zitten, spreekt men beleefder. “Meldt u zich maar”.

Dat deed Závoczki de volgende dag. De klerk gaf hem een klein briefje, waarop stond dat hij 24 uur verlof kreeg.  Daarop leidde men hem naar de kelder en trok het zwaard uit zijn hart. Voor het mes kreeg hij in het magazijn een nummertje, die hij in zijn zak moest bewaren. Toen ging hij langzaam op weg en liep zo lang tot hij bij de Ujpester Jutenfabriek kwam. Daar vroeg hij beleefd, waar de weduwe Závocszki woont, die in de fabriek werkt. Men gaf hem het adres en hij liep verder.

Zijn vrouw woonde in een kleine arbeiderswoning, waarvan er zes op een rijtje stonden en de een er net zo uitzag als de andere. Het was zondagochtend en de zon scheen. De vrouw was nog altijd het  bekende, kleine, bleke dienstmeisje en slechts een beetje veranderd. Závoczki zag haar, terwijl ze in de benedenverdieping aan het raam zat te naaien. In het venster bloeiden in twee potjes gewone rode bloemen, en naast de bloemen hing een klein gordijn. Opzij van het gordijn was zoveel ruimte, dat men ook de vrouw kon zien. Haar gezicht was zacht en ingetogen.

Závoczki klopte aan de deur. Op het geklop ging de deur open en een meisje verscheen op de drempel. Ze kon best 16 jaar oud zijn, en de man zag gelijk dat het zijn dochter was. Het meisje vroeg streng: “Wat wilt u?”.

Závoczki bedekte met zijn linkerhand zijn hart , zodat het meisje niet de plek van de messteek in zijn sjofele jas zou kunnen zien. Toen merkte hij bij zichzelf dat hij nu eigenlijk wel terug zou kunnen gaan, want hij had zijn dochter gezien. Maar hij moest iets zeggen, want het meisje had gevraagd wat hij wilde. Dus tastte hij met zijn rechterhand in zijn broekzak en haalde er de drie witte, ivoren balletjes uit, waarmee hij zo duivelsgoed had kunnen jongleren.

“Kijk”, zei hij, ik ken de meest aardige kunsten…”

En hij grijnsde om zijn dochter aan het lachen te krijgen. Maar de dochter lachte niet. Ze was net zo streng en ernstig als haar moeder. Zij zei: “Gaat u weg”.

Daarop greep ze naar de deurklink, om de deur voor de bedelaar dicht te doen. Fijngevormde vingers had zij aan haar kleine witte hand. Op dat ogenblik ontwaakte in Závoczky weer al die woede die in  zestien jaar vagevuur tot rust was gekomen. Zoals de vloed opkomt, zo kwam de bitterheid in hem weer boven. En hij sloeg op de kleine, witte hand, die reikte om de deur voor altijd voor hem dicht te slaan. Het meisje keek hem aan en toen pakte ze de deur en sloot hem. Ze draaide de sleutel in het slot om en Závoczki bleef buiten. Daarop verdampte zijn woede, en hij schaamde zich vreselijk dat hij zijn dochter geslagen had. Verwilderd keek hij om zich heen en merkte dat zijn doorstoken hart weer pijn ging doen. Dus haastte hij zich op weg terug. Eigenlijk wist hij zelf niet waar hij heen ging. Maar gestorven mensen kennen geen andere richting meer dan terug de dood in.

Het was al laat in de avond, toen hij in het grote huis aankwam waar vanuit hij vertrokken was. Daar wist men alles al. De portier grijnsde naar hem vanuit zijn nis. Závoczki boog zijn hoofd en ging zwijgend de trap op om zich te melden. De klerk verwachtte hem. Hij pakte het magazijnnummer aan, drukte het mes in zijn hand en brulde tegen hem: “Jij bent wel de allerergste schoft ter wereld. Komt van de andere zijde terug om zijn kind te slaan!”.

Závoczki zei geen woord. Toen men hem het mes in zijn hart terug stak, zuchtte hij alleen een keer. Toen greep men hem en zette hem op een ijzeren wagentje en schoof hem de hel in. Zo rolde Závoczki uit het roze-achtige licht het rode vuur in, waar hij tot het einde der tijden zou smoren en schreeuwen van pijn. Zo verging het Závoczki.

Het meisje ging echter de huiskamer in naar haar moeder. “Er was een armoedige bedelaar aan de deur” zei zij.  “Hij grijnsde zo akelig, dat ik de deur voor hem wilde dichtslaan. Er laaide een verschrikkelijk vuur in zijn ogen. Zijn ogen huilden, maar zijn gezicht lachte. Net toen ik de deur dicht wilde doen, sloeg hij mij op mijn hand. Zo hard dat het helemaal kletste”. De vrouw keek naar de grond, alsof ze iets zocht. En ze vroeg met een bevende stem: “En toen?”.

“Toen is hij weggegaan. Maar ik tril nog steeds. Hij heeft mij heel hard op mijn hand geslagen, maar het heeft geen pijn gedaan. Het was alsof iemand mij zachtjes aangeraakt heeft. Zijn eeltige, grove hand voelde aan alsof het lippen waren of een hart”.

“Ik weet het”, zei de vrouw heel zacht en naaide door.

En ze hebben er nooit meer over gesproken en ze leefden nog lang, totdat ze dood gingen, en hier is het sprookje afgelopen. Slaap, m’n kleine meid.

 

 

[Van het Hongaars in het Duits vertaald door ORSOLYA KALÁSZ en PETER HOLLAND;

Van het Duits in het Nederlands vertaald door DIRK JANSEN]

Bron: Salzburger Festspiele

Programma Tagung Oktober 2019

Internationale Stefan Zweig Gesellschaft

Jahrestagung in Hamburg, 3.- 6. Oktober 2019

Vorläufiges Programm (Stand vom 7. Juli 2019)

 

Donnerstag, 3.10. 2019: Anreisetag

16.00 Uhr Dämmerungsrundgang durch die Speicherstadt (Bernd Duckstein, Hamburg),

Treffpunkt: U-Bahn Haltestelle “Baumwall” und Ende direkt am

Restaurant “Alte Liebe“.

18.30 Uhr  Abendessen im Restaurant „Alte Liebe“ (Ende ca. 22.30 Uhr)

(Adresse: Kaispeicher B, Koreastraße 1, 20457 Hamburg)

 

Freitag, 4.10.2019:

09.30 Uhr Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg Carl von Ossietzky

(Adresse: Von-Melle-Park 3, 20146 Hamburg)

Führung durch die Bibliothek

Einführung in das Richard Dehmel-Archiv (Mark E. Amtstätter)

und Besichtigung von ausgewählten Handschriften Zweigs

Beziehung R. Dehmel – S. Zweig,

Lesung aus ausgewählten Briefen R. Dehmels und S. Zweigs:

Malte Godglück  – Robert Tillian

12.00 Uhr  bis 14.00 Uhr Mittagessen im Café „Leonar“

(Adresse: Grindelhof 59, 20146 Hamburg,)

                       

14.30 Uhr  Besichtigung der Elbphilharmonie

17.00 Uhr  Hafenrundfahrt mit Barkasse (Butterkuchen und Kaffee)

18.30 Uhr  Ausstieg Teufelsbrück

 

18.45 Uhr  Landhaus Baur (Elbschlösschen)

(Adresse: Christian-F.-Hansen-Straße 19, 22609 Hamburg)

19.00 Uhr Stefan Zweig: Ein vielseitiger Weltliterat mit Hamburg-Verbindung.

Einführungsvortrag, Lesung und Gespräch mit der Schauspielerin Mechthild Großmann und den Literaturwissenschaftlerinnen Jasmin Sohnemann und Beate Borowka-Clausberg, in Kooperation mit dem Heine-Haus e.V., mit freundlicher Unterstützung durch die HERMANN REEMTSMA STIFTUNG

 

20.30 Uhr Empfang der HERMANN REEMTSMA STIFTUNG

anschließend Bustransfer ins Zentrum

 

Samstag, 5.10. 2019

09.30 Uhr  Sammelpunkt: Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg, Bustransfer

10.00 Uhr  Besichtigung des Künstlerhauses von Richard und Ida Dehmel  (Einteilung in Gruppen zu je ca. 15 Personen) Richard-Dehmel-Straße 1, 22587 Hamburg

Mit freundlicher Unterstützung durch die Dehmelhaus Stiftung Hamburg

 

12.00 Uhr  Hinweise auf Gelegenheiten zum  Mittagessen

nachmittags frei

19.00 Uhr  An Bord der „Rickmer Rickmers“ im Hafen, Abendessen (Büffet),

(Adresse: Rickmer Rickmers, Bei den St. Pauli Landungsbrücken,

Fiete-Schmidt-Anleger/ Ponton 1a,20359 Hamburg)

Vortrag von Rudolf Angeli (Hamburg): „Die Jubiläumsreise der ‚Schachnovelle‘“

Im Anschluss widmet Elke Rehder (Barsbüttel) den Teilnehmern am
Jahrestreffen der ISZG einen Original-Holzschnitt zur „Schachnovelle“.

 

Sonntag, 6.10. 2019

10.00 Uhr Mendelssohn-Saal in der Hochschule für Musik und Theater Hamburg

(Adresse: Harvestehuder Weg 12, 20148 Hamburg)

Junge Wissenschaft: Vortrag von Tina Sturm-Ornezeder (Univ. Salzburg):

„Stefan Zweigs ‚Clarissa‘: Ein Romanentwurf“.

10.30 Uhr  Buchpräsentation von Herrn Bernd Oei (Bremen): „Der Grenzgänger: Stefan Zweig und der  europäische Traum“. Zeitlosigkeit von Zweigs politischen Essays, Vision und Kritik Europas.

 

Pause

11.30 Uhr  Konzert mit Daniel Gutmann, Bariton und Matthias Veit, Klavier.

Philipp Manuel Gutmann: Deutsche Erstaufführung seiner Vertonung von 4 Gedichten

aus den “Silbernen Saiten” (Stefan Zweig) und Kompositionen von Johannes Brahms

und Felix Mendelssohn
12.30 Uhr  Ende des Konzerts
12.48 Uhr  Abfahrt Fähranleger Rabenstraße über die Alster zum Anleger Atlantic (12.56 Uhr)

Ticket: 5 Euro,– / 5 Minuten Fußweg; Abschluss-Brunch im Hamburger Segelclub

(Adresse: Hamburger Segelclub e.V., An der Alster 47, 20099 Hamburg)

 

 

 

Aanmelding kan rechtstreeks bij Hildemar Holl (zie hieronder) of bij mij dirk@stefanzweig.nl (ik help dan bij de aanmelding)                                            

 

 

 

Anmeldung zur Tagung bei mir:  Hildemar.Holl@sbg.ac.at

Tel.: 0043 / (0) 676 427 34 37

 

Verbindliche Anmeldung erbeten für:

  1. Abendessen, am 3. Oktober 2019, 18.30 Uhr bis ca. 22.30 Uhr, Restaurant „Alte Liebe“ (Adresse: Kaispeicher B, Koreastraße 1, 20457 Hamburg; 3-Gang Menü inkl. Mineralwasser für 2 Stunden á 29,00 Euro)
  2. Mittagessen, am 4. Oktober 2019, 12.00 Uhr bis 14.00 Uhr, Café „Leonar“ (Adresse: Grindelhof 59, 20148 Hamburg; Buffet inkl. 0,5l Mineralwasser pro Person á 25,00 Euro)
  3. Abendessen (Büffet), am 5. Oktober 2019, um 19.00 Uhr an Bord der „Rickmer Rickmers“ im Hafen (Adresse: Rickmer Rickmers, Bei den St. Pauli Landungsbrücken, Fiete-Schmidt-Anleger/Ponton 1a, 20359 Hamburg; Pro Person 35,90 Euro, ohne Getränke)
  4. Mittagessen (Abschluss-Brunch), am 6. Oktober 2019, um ca. 13.00 Uhr im Hamburger Segelclub(Adresse: Hamburger Segelclub e.V., An der Alster 47, 20099 Hamburg; Brunch pro Person um 19,50 Euro, inkl. Kaffee und Tee)
  5. Besichtigung der Elbphilharmonie, am 4. Okt. 2019, 14.30 Uhr,  (Pro Person 15,00 Euro)(Begrenzte Anzahl an Plätzen)

Bitte geben Sie in Ihrer Antwort die entsprechende Nummer an!

 

Tagungsgebühr für Mitglieder:  € 30,–       Tagungsgebühr für Gäste:  € 40,–

Überweisung an „Internationale Stefan Zweig Gesellschaft“ erbeten:

Konto bei der BAWAG Salzburg

IBAN: AT02 1400 0570 1031 4528

BIC: BAWAATWW

 

BEDACHTZAAMHEID EN SNELHEID

                                  

BEDACHTZAAMHEID EN SNELHEID

 De snelheid waarmee President Trump zijn mening in tweets formuleert is verbluffend, bijna iedereen is blij als we door een snellere trein of nieuwe infrastructuur Londen of Parijs een uurtje sneller kunnen bereiken en velen zien het als een groot voordeel om straks nog sneller op een 5G i.p.v. een 4G netwerk te kunnen internetten.

Snelheid blijken wij, als een vanzelfsprekend, hoog goed te zien.

Onze Stefan Zweig vriend Thomas Klijn vraagt in zijn blog aandacht voor tegenhangers hiervan: bedachtzaamheid, genuanceerdheid en redelijkheid. Thomas vond deze eigenschappen ook in het werk van Stefan Zweig.

Graag drukken wij zijn blog hieronder af.

 

Dirk Jansen

 

Stefan Zweig en de zwaarte van de nuance

Onlangs was ik naar een lezing van filosofe Joke Hermsen, waarin zij een toelichting gaf op haar nieuwe essay ‘Het tij keren’ waarin de (politieke) denkers en filosofes Rosa Luxemburg en Hannah Arendt centraal staan. Hermsen pleitte daarin voor een meer menselijke en rechtvaardige samenleving, bijvoorbeeld door het invoeren van een volksraadpleging om zo het democratische gehalte te verhogen.

Tegen de onverschilligheid
Los van de precieze maatregelen die we als individu of groep kunnen nemen, hield Hermsen ook een vurig betoog tegen de onverschilligheid. Want een houding van desinteresse, van ‘het maakt toch allemaal niet uit’, maakt ons kwetsbaar voor tirannieke en charismatische leiders die bevolkingsgroepen buitensluiten, inspelen op angstgevoelens en daarmee de samenleving verdelen in ongewenste kampen. Een zeker niveau van welvaart en optimisme kan sneller kantelen dan we soms denken.

Het deed me (weer eens) denken aan één van mijn favoriete schrijvers, Stefan Zweig (1881-1942). En gelukkig zag ik hem de laatste tijd, rondom de Europese verkiezingen, vaker voorbij komen. Zo herlas filosoof en schrijver/ dichter Maarten Doorman ‘De wereld van gisteren’, het fenomenale boek van de Oostenrijkse schrijver over enkele decennia Europa vanaf het eind van de 19e eeuw.

Doorman zegt daarover in een artikel in NRC: “Zweig schetst een prachtig beeld van het Wenen uit zijn jeugd, waar het onderwijs weliswaar geestdodend saai was en de burgerlijke moraal benepen en hypocriet, maar waar ook minderheden uit heel Europa vreedzaam samenleefden, met verschillende religies, talen en gebruiken en een bloeiende cultuur. Hij geloofde in de rijkdom van al die verschillen.”

Europa als orkest
Dirk Jansen van het Stefan Zweig Genootschap verwoordt deze visie van Zweig treffend: “Hij zag Europa als een groot orkest dat een prachtige, eigen klankkleur heeft. Het samenspel lukt niet altijd; soms speelt een instrument vals of raakt een instrumentengroep uit het ritme. Maar als het samenspelen slaagt is de klank onovertroffen. Het wordt een eenheid. Een culturele eenheid.”

Zweig laat met de ‘Wereld van gisteren’ zien dat we het verleden niet moeten negeren of alleen als nostalgisch gegeven moeten zien; het kan ook een richtsnoer zijn voor toekomstig handelen. Zowel voor de tijd waarin Zweig leefde als voor de onze geldt de waarschuwing die Doorman meegeeft – en waarin ook de boodschap van Hermsen terugkomt: “Onverschilligheid jegens een humaan en democratisch Europa kan onverwachts snel tot een onaangename toekomst kan leiden.”

Beschaafdheid en bescheidenheid
Ik waardeer zelf de genuanceerde mening en schrijfstijl van de Oostenrijker; de redelijkheid en beschaafdheid is volledig in zijn werk verweven. Je kunt dat natuurlijk ook negatiever uitleggen: in een lezing over de correspondentie van Zweig met de veel zwart-wittere Joseph Roth noemde Pieter Waterdrinker Zweig ‘geparfumeerd’. Ik vind dat eerlijk gezegd niet alleen weinig recht doen aan zijn zorgvuldigheid, maar ook aan het esthetische en narratieve niveau van Zweigs oeuvre.

 

Vertaler Martin de Haan is dezelfde mening toegedaan, zo blijkt uit zijn artikel in de Volkskrant bij het verschijnen van ‘De wereld van gisteren’ in 2014: “Belangrijk is ook dat Zweig in navolging van zijn grote voorbeeld Erasmus altijd de redelijke middenweg zocht, geweld (zelfs als tegenreactie) verfoeide en veel te bescheiden was om zoals Thomas Mann te verkondigen dat de Duitse cultuur overal was waar híj was en dus kon overleven, hoewel het Duits inmiddels de taal van de barbarie was geworden.”

 

Slappe houding
Zweigs (te grote) beschaafdheid en redelijkheid is hem ook op kritiek komen te staan. Daarnaast worden ook wel vragen gesteld bij zijn al te positieve beeld van zijn geliefde Wenen. De Haan refereert aan Hannah Arendt die in haar recensie vlak na de verschijning van ‘De wereld van gisteren’ in 1944 beweert dat de vooroorlogse harmonie die hij in het boek beschrijft, nooit heeft bestaan en dat hij als rijkeluiszoon blind was voor de grote armoede en de daarmee samenhangende spanningen tussen de klassen in Wenen.

De Haan verwijst ook naar Zweigs biograaf George Prochnik die aangeeft dat Zweig in zijn boek verzwijgt dat hij de opkomst van het nazisme aanvankelijk met bewondering begroette als een bewijs van jeugdige vitaliteit. Hannah Arendt laakt zijn gebrek aan politieke overtuiging en verwoordt het feller: “in plaats van te knokken, zweeg hij, blij dat zijn boeken niet ineens verboden werden.”

Zo zie je dat het streven naar hetzelfde doel, naar meer menselijkheid, door Zweig en Arendt op een heel andere manier werd ingevuld. Ook daar kun je dus genuanceerd naar kijken, geheel in de geest van Zweig.

THOMAS KLIJN

Bronnen:
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/17/europa-is-een-broze-beschaving-a3960677
http://stefanzweig.nl/stefan-zweig-vandaag/

Commentaar op Zweig


https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/revival-stefan-zweig~be0d15f8/

(Uitgelichte foto: idee: Boris Brumnjak (1977–2017) / foto: Norman Posselt.

 

BELEVING VAN GELUK

GELUKSBELEVING: INDIVIDUEEL OF MET Z’N ALLEN.

De momenten van gelukbeleving die Stefan Zweig  in zijn werk beschrijft vind ik vaak herkenbaar en beeldend.

Een voorbeeld: in zijn korte verhaal “Onvermoede affiniteit met een ambacht” (Unvermutete Bekanntschaft mit einem Handwerk) komt de ik-figuur na een vermoeiende treinreis in Parijs aan en vindt aan een van de boulevards in de vroege ochtend op een terras een rustige plek.

Zweig schrijft:

 

“Het was zo’n ochtend die alleen in April voorkomt: hij smaakt als zijdenbonbon, zoet, koel en vochtig. Gefilterd voorjaarslicht met de geur van onvervalste ozon. Op de Boulevard Hausmann rook je plotseling de lucht van verse weiden en de zee. Een van de onstuimige aprilbuien had dit wonder veroorzaakt.

Vers aangekomen voelde ik mij gelukzalig: geen afspraken, geen verplichtingen, in Parijs wist niemand dat ik hier was. Ik had geen plannen ik was volkomen vrij”.

 

Ik neem aan dat iedereen zulke momenten van diep geluksgevoel kent. Ze zijn nauwelijks bewust op te roepen; ze overkomen je en je bent er blij mee.

 

Alessandro Barrico, de bekende Italiaanse schrijver en filosoof (bv. Oceaan van een zee en Zijde) voorspelt dat in een komende, vredelievende samenleving de gelukbeleving van iedereen een collectieve aangelegenheid zal worden.   Door de overstelpende mogelijkheden van informatieuitwisseling en met behulp van gametechnieken kan een ieder vrij beschikken over de waarheid, de essentie van dingen en de gelukbelevingen, die door velen zijn opgediept en op internet beschikbaar worden gemaakt.

Een interview met  de schrijver in Letter en Geest van het dagblad Trouw van 22 juni, verhaalt over deze ingrijpende veranderingen. In zijn nieuwe boek “De Game” stelt hij dat er een samenleving aan het ontstaan is waarin geen diepgang en oppervlakkigheid meer bestaan. De grote openbaarheid voorkomt dat machthebbers werkelijkheid en waarheid niet meer kunnen manipuleren.

Alle feiten en opvattingen zijn immers op internet toegankelijk, ook de “postervaringen” (d.w.z. ervaringen die je het gevoel geven dat je werkelijk leeft). Volgens Baricco zal deze samenleving dus per definitie vreedzamer zijn en oorlogen voorkomen.

 

 

Eerlijk gezegd hecht ik erg aan mijn persoonlijke, individuele geluksbeleving. Is het lezen van de geluksbeleving van Stefan Zweig niet van een andere orde dan een in het echt beleefd verblijf aan een Parijse boulevard door jouzelf. Je zou hooguit kunnen zeggen dat het lezen van de Zweig-beleving of het bekijken van de YouTube filmpjes over beleefde geluksmomenten van anderen je herinnert aan soortgelijke momenten die je in jouw leven herkent of ermee associeert.

Natuurlijk juich ook ik een vreedzamer samenleving toe en als dat bereikt kan worden met het bekijken van gelukfilmpjes of -teksten van anderen dan zou dat erg mooi zijn.

Toch zou ik mijn eigen, ongeplande beleving van geluksmomenten niet graag inleveren voor Barrico’s Gamemaatschappij.

Maar ik ga zijn boek “The Game” natuurlijk wel lezen

 

Dirk Jansen

Stefan Zweig Genootschap Nederland

Europa’s culturele eenheid

Beste Zweig lezeressen en –lezers,

Europa’s culturele eenheid

De herdenkingsmaand mei geeft ieder jaar vele gelegenheden om de aandacht naar Stefan Zweig te trekken. Als pacifist en humanist is die belangstelling voor hem zeer terecht. Daarnaast zijn in deze maand mei  de Europese verkiezingen een extra stimulans om de toewijding van Zweig aan de culturele eenheid van Europa in het voetlicht te zetten.

 

Met nadruk zeg ik hier “de culturele eenheid van Europa”, want Zweig heeft nergens in zijn werk een staatkundige eenwording van Europa bepleit.

Hij zag Europa als een groot orkest dat een prachtige, eigen klankkleur heeft. Het samenspel lukt niet altijd; soms speelt een instrument vals of raakt een instrumentengroep uit het ritme. Maar als het samenspelen slaagt is de klank onovertroffen. Het wordt een eenheid. Een culturele eenheid.

 

In de pers werd deze maand Stefan Zweig vaak aangehaald. Voor het geval u het gemist heeft neem ik graag twee verhalen op die zelfs een onderlinge samenhang hebben.

Met groet van

Dirk Jansen

 

Een verhaal van de schrijver Jonah Falke

Vannacht ben ik te gast bij VPRO Nooit Meer Slapen op Radio 1 om te praten over mijn nieuwe roman De mooiste vrouw van de wereld, en wie weet wat nog meer. Een redacteur vroeg me om drie audiofragmenten uit te kiezen voor de uitzending. Het eerste waaraan ik dacht was een man die op de radio, ik denk dat het vorig jaar was, sprak over zijn favoriete boek: De wereld van gisteren van Stefan Zweig. Ik zocht me een ongeluk maar zonder succes. Ik koos andere fragmenten.

Ergens leek het me metaforisch of ironisch dat je op de dag van de Europese verkiezingen een lofprijzing over hét boek over Europa niet kon vinden. Zweig schreef het boek tijdens de oorlog, zag de wereld in elkaar donderen, vluchtte en streefde naar een grenzeloos continent zonder populisme. De Europese idealen die hij beschrijft lijken nu soms op de tocht te staan en eveneens onvindbaar. Het individualisme lijkt hoogtij te vieren, terwijl de eerste zin van De wereld van gisteren luidt: ‘Ik heb mijn eigen persoon nooit zo belangrijk gevonden dat ik in de verleiding ben geweest anderen de verhalen van mijn leven te vertellen.’

Het is een bekend gegeven dat de meeste kennis achteraf komt. Maar het collectieve geheugen lijkt voor sommigen ultraslecht te zijn deze dagen. Zweig zei in 1942 al: ‘In de nieuwe eeuw hebben wij geleerd ons door geen enkele uitbarsting van bestialiteit meer te laten verrassen.’ En: ‘Wij moesten Freud gelijk geven, toen hij onze cultuur, onze beschaving maar als een dunne laag zag, die elk ogenblik aan stukken gebroken kan worden door de destructieve krachten van de onderwereld, we hebben er langzaam aan moeten wennen zonder grond onder onze voeten te leven, zonder recht, zonder vrijheid, zonder zekerheid.’

Vorige week schreef Maarten Doorman in NRC Handelsblad ook al over het belang van dit boek: ‘Dat verleden met zijn slachtpartijen, ook die van de Eerste Wereldoorlog, is het nu vaak vergeten fundament van het hedendaagse, verenigde Europa. Een Europa dat al bijna driekwart eeuw geen oorlog meer kent, afgezien van de al te vaak genegeerde Balkanoorlog uit de jaren ’90 met zeker honderdduizend doden.
Dit Europa is welvarender dan ooit en vooralsnog, grotendeels, democratisch, sociaal en (relatief) tolerant.’

Eigenlijk lijkt het me onvoorstelbaar simplistisch en vermoeiend om hoe-het-niet-moet en het belang van dit Europa steeds te moeten benoemen. Pedanterie ligt dan al snel op de loer en daar jaag je mensen mee weg. Maar zoals Maarten Doorman schreef: ‘De wereld van gisteren laat zien dat onverschilligheid jegens een humaan en democratisch Europa onverwachts snel tot een onaangename toekomst kan leiden, dat we daarom niet schouderophalend aan deze verkiezingen voorbij mogen gaan en dat we al helemaal niet moeten denken dat terugkeer naar de natiestaat van weleer enige bescherming tegen een boze buitenwereld biedt.’

Om het onnodige verval door onwetendheid voor te zijn, zou ik willen aanraden om dit boek eens te lezen.

Jonah Falke

 

 

en een essay van de filosoof Maarten Doorman

 Europa is een broze beschaving

 

Op 1 september 1939 ging de Joodse schrijver Stefan Zweig in het Engelse Bath in ondertrouw om zo mogelijk de volgende dag nog in het huwelijk te treden. Terwijl iemand van de burgerlijke stand de formulieren zat in te vullen, stormde een ambtenaar het kantoor in en riep dat Duitsland Polen binnenviel. De Tweede Wereldoorlog was begonnen.

Omdat Zweig, die uit Oostenrijk gevlucht was, uit vijandelijk gebied kwam, was het niet ondenkbaar dat hij binnen luttele dagen zou worden geïnterneerd. Veiligheidshalve schortte de ambtenaar het huwelijk op. En zo werd de meest succesvolle schrijver van het interbellum uit het door hem altijd bejubelde Europa verdreven. In februari 1942 maakte hij in Brazilië samen met zijn vrouw een eind aan hun leven.

Dit moordlustige Europa behoort tot ‘de wereld van gisteren’, zoals Stefan Zweig het boek noemde dat hij kort voor zijn dood voltooide en waarin hij zijn eigen geschiedenis met een grotere verbindt. Dat verleden met zijn slachtpartijen, ook die van de Eerste Wereldoorlog, is het nu vaak vergeten fundament van het hedendaagse, verenigde Europa. Een Europa dat al bijna driekwart eeuw geen oorlog meer kent, afgezien van de al te vaak genegeerde Balkanoorlog uit de jaren ’90 met zeker honderdduizend doden.

Dit Europa is welvarender dan ooit en vooralsnog, grotendeels, democratisch, sociaal en (relatief) tolerant. Maar schokkend aan Zweigs De wereld van gisteren is dat Europa dat eerder ook was, of althans leek. Met aanstekelijk enthousiasme beschrijft hij het optimisme uit het begin van de vorige eeuw. Het lichaam bevrijdde zich van een puriteinse moraal: er kwam sport, vrije tijd, een openbaar uitgaansleven, badkamers, telefoons. Overal was vooruitgang. „Nooit”, aldus Zweig, „was Europa sterker, rijker en mooier geweest, nooit had het zo vast in een nog betere toekomst geloofd.”

Het Europa van de vele natiestaten, waar romantisch rechts nu zo naar verlangt, leek eeuwig te duren. De bourgeoisie verdiende geld en ging naar de opera, het ideaal van de Britse filosoof Roger Scruton en zijn Nederlandse discipel Thierry Baudet glansde: er was nog geen abstracte kunst, geen atonale muziek, geen wanklank uit de koloniën, de klassenstrijd taande bij toenemende welvaart. ’s Zomers was het prachtig weer. Maar plotseling viel er een schot, in diezelfde Balkan, en was het allemaal voorbij.

Binnen enkele weken stapten honderdduizenden jongens zingend op de trein en vertrokken onder nationale vlag naar de loopgraven, de granaten, het gifgas, gangreen, de doodslag en waanzin. De Europese beschaving die Zweig hartstochtelijk beleefde, bleek broos als de vleugel van een opgezette vlinder. „Zoals nooit tevoren”, schreef hij in een schitterende zin, ‘voelden de duizenden, honderdduizenden mensen wat ze beter in vredestijd hadden kunnen voelen: dat ze bij elkaar hoorden.’

Nerveus optimisme

In de jaren twintig keert het optimisme geleidelijk terug, zij het nerveuzer, actiever. De succesvolle Zweig is in Italië en merkt hoe vergevingsgezind de mensen zijn. Hij hoopt dat men toch iets heeft geleerd, gelooft het zelfs even, tot hij vanuit een steegje een groep jongemannen met stokken ziet marcheren. Het fascisme kondigt zich aan. En „de oorlog van weleer”, in de woorden van Leo Vroman, „wederkeert op vilten voeten / dat we, eigenlijk al niet meer / kunnend alles, toch weer moeten.”

Het is een naïeve gedachte dat de geschiedenis zich herhaalt. De Tweede Wereldoorlog was geen herhaling van de vorige. Maar het is een bijna even naïeve gedachte dat we helemaal niets over Europa kunnen leren van het verleden. Van een optimisme dat aan onverschilligheid grenst, van de broosheid van internationale afspraken, van de desinteresse die we nu terugzien in de lage opkomstpercentages voor Europese verkiezingen, van het vertrouwen in een toekomst die zomaar als een zeepbel uit elkaar spat.

En van het Europa dat Stefan Zweig, en zijn Franse vriend, de schrijver Roman Rolland, voor ogen stond. Zweig schetst een prachtig beeld van het Wenen uit zijn jeugd, waar het onderwijs weliswaar geestdodend saai was en de burgerlijke moraal benepen en hypocriet, maar waar ook minderheden uit heel Europa vreedzaam samenleefden, met verschillende religies, talen en gebruiken en een bloeiende cultuur. Hij geloofde in de rijkdom van al die verschillen.

Europa is echter niet meer het centrum van de wereld zoals dat uit zijn werk naar voren komt, en zal zich evenzeer om andere, geopolitieke redenen moeten verenigen om zich te kunnen handhaven tussen grootmachten als de Verenigde Staten, China en andere opkomende economieën. Maar nu democratische waarden binnen Europa onder spanning komen te staan, antisemitisme weer salonfähig wordt, de vluchteling her en der als indringer wordt beschouwd, de rechterlijke macht onder druk staat en het verlangen naar theatrale, autoritaire leiders opnieuw opbloeit, zou niet alleen de toekomst, maar ook het verleden een richtsnoer mogen zijn.

De wereld van gisteren laat zien dat onverschilligheid jegens een humaan en democratisch Europa onverwachts snel tot een onaangename toekomst kan leiden, dat we daarom niet schouderophalend aan deze verkiezingen voorbij mogen gaan en dat we al helemaal niet moeten denken dat terugkeer naar de natiestaat van weleer enige bescherming tegen een boze buitenwereld biedt.

Maarten Doorman