Uncategorized

Sluimersprookje van Ferenc Molnár

SLUIMERSPROOKJE

FERENC MOLNÁR

 

Met dit sprookje kunnen weduwen hun kleine kinderen en goede kinderen hun oude en moede ouders laten indutten. Het sprookje moet zachtjes, maar vloeiend verteld worden, aan het begin levendig, alsof het waar is, naar het einde toe steeds langzamer en goediger, zodat aan het einde, degene aan wie het verteld wordt, is ingeslapen.

1

In het stadsbos woonde in één van de tentjes een zonderlijk mens. Hij werd Závoczki genoemd. Deze Závoczki was een grote schurk, hij schold iedereen uit, sloeg voortdurend om zich heen, stak met een mes in op mensen, hij stal, bedroog, roofde en was toch een goede kerel, die veel van zijn vrouw hield. Want zijn vrouw was een kleine, eenvoudige dienstmeid, die tot haar 17de bij een joodse familie gediend had en toen, op een zondag, toen ze een paar uur vrij was, in het stadsbos Závoczki had leren kennen, die een tweekleurige broek droeg, de enen pijp was geel, de andere rood. In zijn haar droeg hij een hanenveer, waaraan een koordje vastzat. Het eind van het koordje zat in zijn zak, en als Závoczki eraan trok, bewoog de veer op zijn hoofd. Daarover moest iedereen erg lachen, en de mooiste dienstmeisjes klommen op de carrousel  waar Závoczki zijn kunsten vertoonde. De eenvoudige, kleine dienstmaagd leerde hier Závoczki kennen en bleef de hele dag bij hem. Ofschoon ze om 7 uur thuis had moeten zijn, ging ze ook om 11 uur nog niet; de volgende dag durfde ze niet meer naar huis. Ze bleef bij de vent met de veer op z’n hoofd en kon zich geen maagd meer noemen en ze was een zo goed, zacht en klein meisje, dat Závoczki haar mee naar het stadhuis nam en trouwde.

Dit mens was de grootste schurk van het hele stadsbos. Al snel was hij de omroeper van een schiettent en weldra leefde hij maandenlang van het geld dat hij met kaartspelen van anderen afnam. Als hij iets had gestolen, dan hield hij op met werken tot het geld op was. Vaak sloot men hem voor een paar dagen in het brandweerhuisje op, dan huilde zijn vrouw de hele dag en nacht en maakte, ofschoon ze wist dat hij niet naar huis kon komen, toch zijn bed naast zich op, zodat het net leek alsof hij zo thuis zou komen. Závoczki gedroeg zich echter in zijn gevangenis zo onbeschaamd, dat men hem in een isoleercel zette. Daar huilde de stakker erg en zei onophoudelijk: “Wat ben ik ongelukkig, wat ben ik ongelukkig”.

Thuis was er geen geld, en Závoczki schaamde zich dat er geen geld was. Zijn hart deed pijn als hij zag dat het lieve kleine dienstmeisje met het bleke gezichtje ’s avonds broodkostjes moest eten, maar omdat zijn vrouw dit niet mocht merken, snauwde hij tegen haar: “Je verspilt al ons geld, onmogelijk stuk ongeluk”. En het bleke gezicht keek hem dan verdrietig aan en huilde bijna, waarop Zácovzki zijn vuist hief: “Jank niet of ik ram je in elkaar”.

Daarop liep hij naar buiten, sloeg de deur dicht, verstopte zich in de schuur en huilde de hele nacht bitter. Het bleke gezichtje waagde het daarna zelfs niet meer om stilletjes te huilen, omdat hij-met-de-veer-op-zijn-hoofd dat verboden had en omdat vrouwen huilen kunnen inhouden. Zo ging het. Maar de volgende dag dachten zij de hele dag aan elkaar, en Závoczki sprak daar met geen woord over. Gewoonlijk sloeg hij daarna de huismeester of stak een politieagent in de rug om daarna snel weg te hollen. Want hij was een driftig, totaal in de prut weggezakt mens, die allang rijp was voor de galg.

Op een zondagavond regende het, en Závoczki zat samen met een andere maatjesdief ergens in de buurt van Herminastrasse op de rand van een grafsteen. Ze speelden kaart in de regen. Het werd al donker en de kaarten waren nauwelijks meer te zien, overigens had de regen ook de afbeeldingen op de kaarten doen uitlopen. Dat had Závoczki nauwelijks gehinderd, want hij herkende de kaarten ook vanaf de achterkant, maar de andere heer stelde toch voor het spel te stoppen. “Dank u, mijn heer” zei hij en stond moeizaam op van het graf. “Dat gaan we niet doen” schreeuwde Závoczki, “anders ben ik de pineut, want je hebt al mijn geld gewonnen, mijn hele kapitaal. Speel door!”. De ander beriep zich erop, dat het regende en al laat werd, morgen zou hij graag revanche geven. En hij holde zo snel als een pijl weg, op blote voeten spetterend door de modder.

Daarop trok Závoczki een keukenmes tevoorschijn en liep de Franciastrasse door tot de Damm voor de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen. Daar liep, gewoonlijk, Herr Linzmann, de kassier van de Leerfabriek, als hij op zaterdagavond de lonen van de arbeiders kwam brengen. Hij stelde zich verdekt op naast de Damm  om de heer Linzmann op te wachten, hem neer te steken  en het geld  te grijpen. Maar hij wachtte tevergeefs. Hij besefte dat hij te laat was. Herr Linzmann had het geld al weggebracht en was allang met de lege tassen op  weg naar de stad terug. Wat een vervloekt gedoe is dat kaartspel toch.  Je mist daardoor de zaken die werkelijk van belang zijn.

Závoczki klom op de Damm van de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen en er rolde twee tranen over zijn vuile gezicht; plotseling verbleekte hij, glimlachte en riep: “Julia Zeller! Julia Zeller!”. Dat was de naam van zijn vrouw. En hij pakte het keukenmes met beide handen beet, richtte het op zichzelf en stootte het in zijn hart. Hij stierf direct, rolde van de Damm van de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen met in zijn zak een spel smoezelige kaarten en drie witte, ivoren ballen, die hij bij het jongleren gebruikte, in zijn haar een hanenveer, op zijn lippen nog steeds de naam van het kleine, zachte dienstmeisje: “Julia Zeller!, Julia Zeller!.

2.

Závoczki werd ter aarde besteld en er was geen sprake van dat de Aartsbisschop van Esztergom een grafrede zou houden. Alleen zijn vrouw was er, in een zwarte jurk, die ze zelf die nacht genaaid had. Iedereen in het huis troostte de bleke Julia: “God zij geloofd, dat hij de gekwelde, kleine dienstmaagd van haar ellende heeft bevrijd. U bent nog jong, God geve hem eeuwige rust, zo is het beter, God is groot. U bent nog jong”. En Julia knikte, zij gaf met een treurige blik de buren gelijk en zei zelfs: “Dank u wel mevrouw de huisbewaarder, u bent zo goed voor mij, mevrouw Braun, dankuwel mevrouw Braun, dank u mevrouw Stufenberg, u bent allemaal zo goed voor me, dank u mevrouw Braun”. Ja, en wat nog opmerkelijker was, ze zei zelfs: “U heeft gelijk mijnheer de commisaris, het is zo veel beter, God geve zijn ziel eeuwige rust”. Want Julia schaamde zich tegenover de politie dat zij een schurk als Závoczki nog over het graf heen kon liefhebben, zonder enige reden, wat werkelijk schandalig was. En ze begon ook, direct een dag na de begrafenis, kinderkleertjes te naaien, want ze zou de komende maand een kind krijgen.

Závoczki werd ’s middags in een armengraf gelegd, waarin hij echter slechts tot de avond bleef. Wie de regels kent, weet ook dat elke avond de groene wagen van de politie-inspectie verschijnt om iedereen naar de gevangenis te brengen die de hele dag lang vlijtig door de politieagenten verzameld was. Dus rijdt iedere nacht een grote groene wagen naar het kerkhof om de schurken die zelfmoord pleegden af te voeren. Zij gaan niet direct naar de hel, maar moeten eerst het vagevuur in. Daar wordt onderzocht wat de oorzaak was en hoe de zaak in elkaar zit. Want er komen van hen nog vrij veel in het paradijs.

Dus, ook Závoczki ging, samen met de anderen,  in de groene wagen zitten, het grote mes nog in zijn hart. Naast hem zat een drenkeling die nog vol water zat, omdat hij zich in de Donau had verdronken. Tegenover hem zat een vrouw met een touw om haar nek. Zij was een arme vrouw die zich opgehangen had. Aan de anderen was niets te zien. In hen zaten alleen kleine kogels die zij op elkaar hadden afgevuurd. De wagen met hen erin vertrok. Hij rammelde de Keresztúrerstrasse op en verdween, richting gevangenis, de donkere nacht in. Hij reed en reed zolang dat het al begon te dagen. Toen begonnen de paarden plotseling harder te lopen en gingen er in gestrekte galop vandoor. Závoczki keek door een gaatje naar buiten en zag, dat de wagen op een zeer brede weg  een dal in raasde waarboven een roze-achtige nevel hing. De wagen steeg op, de wielen draaiden in de lucht, steden en dorpen onder zich latend, maar dat alles deerde Závozcki niet meer, er stak immers een mes in zijn hart, waardoor niets hem meer pijn deed.

Tot stopten ze. De een na de ander stapte uit de wagen, en wachtlieden brachten ze naar een groot kantoor. Ze moesten in de entree wachten, roken was niet toegestaan, velen rochelden op de grond en het stonk toch naar rook. Toen kwam een brildragende ambtenaar naar buiten en riep op alfabet de namen af. Eindelijk was Závoczki aan de beurt.

“Hoe heet u ?” vroeg de beambte zonder op te kijken van het grote blad papier, waarop alles werd bij gehouden.

“Endre Závoczki”.

“Leeftijd?”.

“Twee en dertig”.

“Geboorteplaats ?”.

Daarop antwoordde Závoczki niet. De beambte keek hem nog steeds niet aan. “Geboorteplaats? Onbekend?” Závoczki knikte, want nu keek de ambtenaar hem aan: “U heeft het recht om één dag terug te keren, als u daar in het leven iets hebt vergeten. Wie gewoon vanzelf doodgaat, zoals het hoort, die mag niet terugkeren, want hij heeft niets achtergelaten.  Maar een zelfmoordenaar gaat niet vanzelf dood. Hij vergeet vaak iets en veroorzaakt daardoor leed op aarde. Geef antwoord”. En hij keek hem streng aan, zoals bij zelfmoordenaars gebruikelijk is. Závoczki antwoordde: “Ik heb vergeten de geboorte van mijn kind af te wachten. Achteraf bezien heb ik spijt dat ik het niet heb afgewacht, want ik had het kind graag gezien, maar nu is het te laat. Dat is erg treurig,, maar ik ben een man, en nu ik eenmaal hier ben, denk ik dat ik hier maar blijf”.

“Hup, de kerker in, harteloze schurk”, schreeuwde de beambte en de wachters grepen Závoczki en sloten hem op in de kerker, en Závoczki lachte hen de hele weg erheen uit, het mes in zijn hart en hij schudde zijn hoofd en zei: “Provocateurs zijn jullie, kankergezwellen zijn jullie, nutteloze provocateurs, beulsknechten”. Daarop gaven de wachtlieden Závoczki een trap, waarbij eén het handvat van het mes vasthield, opdat het niet uit zijn hart zou vallen.

3.

Zestien jaren lang zat Závoczki in het vagevuur. Het is een grote leugen, dat het vagevuur brandt. Het vagevuur is niets anders dan een zeer sterk, roze gekleurd licht waarin men een groot aantal jaren moet zitten, totdat het de slechte eigenschappen uit een mens gewist heeft. Závoczki raakte in de loop der tijd gewend aan het licht en meende dat het hem zeer opgeschoond had. Hij smeedde alweer de meest uiteenlopende plannen, want zijn hart was gelouterd  en hij wilde graag zijn kind zien, van wie hij niet eens wist of het een jongen of een meisje was. Toen er dan ook een klerk in het roze licht opdook en aan iedereen vroeg of er bezwaren tegen het personeel leefden, meldde Závoczki zich en vroeg: “Neemt u mij niet kwalijk, geachte heer, heb ik nog het recht om één dag terug te keren omdat ik iets vergeten heb?

“Dat recht heeft u”, zei de klerk, want met degenen die reeds lang in het vagevuur zitten, spreekt men beleefder. “Meldt u zich maar”.

Dat deed Závoczki de volgende dag. De klerk gaf hem een klein briefje, waarop stond dat hij 24 uur verlof kreeg.  Daarop leidde men hem naar de kelder en trok het zwaard uit zijn hart. Voor het mes kreeg hij in het magazijn een nummertje, die hij in zijn zak moest bewaren. Toen ging hij langzaam op weg en liep zo lang tot hij bij de Ujpester Jutenfabriek kwam. Daar vroeg hij beleefd, waar de weduwe Závocszki woont, die in de fabriek werkt. Men gaf hem het adres en hij liep verder.

Zijn vrouw woonde in een kleine arbeiderswoning, waarvan er zes op een rijtje stonden en de een er net zo uitzag als de andere. Het was zondagochtend en de zon scheen. De vrouw was nog altijd het  bekende, kleine, bleke dienstmeisje en slechts een beetje veranderd. Závoczki zag haar, terwijl ze in de benedenverdieping aan het raam zat te naaien. In het venster bloeiden in twee potjes gewone rode bloemen, en naast de bloemen hing een klein gordijn. Opzij van het gordijn was zoveel ruimte, dat men ook de vrouw kon zien. Haar gezicht was zacht en ingetogen.

Závoczki klopte aan de deur. Op het geklop ging de deur open en een meisje verscheen op de drempel. Ze kon best 16 jaar oud zijn, en de man zag gelijk dat het zijn dochter was. Het meisje vroeg streng: “Wat wilt u?”.

Závoczki bedekte met zijn linkerhand zijn hart , zodat het meisje niet de plek van de messteek in zijn sjofele jas zou kunnen zien. Toen merkte hij bij zichzelf dat hij nu eigenlijk wel terug zou kunnen gaan, want hij had zijn dochter gezien. Maar hij moest iets zeggen, want het meisje had gevraagd wat hij wilde. Dus tastte hij met zijn rechterhand in zijn broekzak en haalde er de drie witte, ivoren balletjes uit, waarmee hij zo duivelsgoed had kunnen jongleren.

“Kijk”, zei hij, ik ken de meest aardige kunsten…”

En hij grijnsde om zijn dochter aan het lachen te krijgen. Maar de dochter lachte niet. Ze was net zo streng en ernstig als haar moeder. Zij zei: “Gaat u weg”.

Daarop greep ze naar de deurklink, om de deur voor de bedelaar dicht te doen. Fijngevormde vingers had zij aan haar kleine witte hand. Op dat ogenblik ontwaakte in Závoczky weer al die woede die in  zestien jaar vagevuur tot rust was gekomen. Zoals de vloed opkomt, zo kwam de bitterheid in hem weer boven. En hij sloeg op de kleine, witte hand, die reikte om de deur voor altijd voor hem dicht te slaan. Het meisje keek hem aan en toen pakte ze de deur en sloot hem. Ze draaide de sleutel in het slot om en Závoczki bleef buiten. Daarop verdampte zijn woede, en hij schaamde zich vreselijk dat hij zijn dochter geslagen had. Verwilderd keek hij om zich heen en merkte dat zijn doorstoken hart weer pijn ging doen. Dus haastte hij zich op weg terug. Eigenlijk wist hij zelf niet waar hij heen ging. Maar gestorven mensen kennen geen andere richting meer dan terug de dood in.

Het was al laat in de avond, toen hij in het grote huis aankwam waar vanuit hij vertrokken was. Daar wist men alles al. De portier grijnsde naar hem vanuit zijn nis. Závoczki boog zijn hoofd en ging zwijgend de trap op om zich te melden. De klerk verwachtte hem. Hij pakte het magazijnnummer aan, drukte het mes in zijn hand en brulde tegen hem: “Jij bent wel de allerergste schoft ter wereld. Komt van de andere zijde terug om zijn kind te slaan!”.

Závoczki zei geen woord. Toen men hem het mes in zijn hart terug stak, zuchtte hij alleen een keer. Toen greep men hem en zette hem op een ijzeren wagentje en schoof hem de hel in. Zo rolde Závoczki uit het roze-achtige licht het rode vuur in, waar hij tot het einde der tijden zou smoren en schreeuwen van pijn. Zo verging het Závoczki.

Het meisje ging echter de huiskamer in naar haar moeder. “Er was een armoedige bedelaar aan de deur” zei zij.  “Hij grijnsde zo akelig, dat ik de deur voor hem wilde dichtslaan. Er laaide een verschrikkelijk vuur in zijn ogen. Zijn ogen huilden, maar zijn gezicht lachte. Net toen ik de deur dicht wilde doen, sloeg hij mij op mijn hand. Zo hard dat het helemaal kletste”. De vrouw keek naar de grond, alsof ze iets zocht. En ze vroeg met een bevende stem: “En toen?”.

“Toen is hij weggegaan. Maar ik tril nog steeds. Hij heeft mij heel hard op mijn hand geslagen, maar het heeft geen pijn gedaan. Het was alsof iemand mij zachtjes aangeraakt heeft. Zijn eeltige, grove hand voelde aan alsof het lippen waren of een hart”.

“Ik weet het”, zei de vrouw heel zacht en naaide door.

En ze hebben er nooit meer over gesproken en ze leefden nog lang, totdat ze dood gingen, en hier is het sprookje afgelopen. Slaap, m’n kleine meid.

 

 

[Van het Hongaars in het Duits vertaald door ORSOLYA KALÁSZ en PETER HOLLAND;

Van het Duits in het Nederlands vertaald door DIRK JANSEN]

Bron: Salzburger Festspiele

Programma Tagung Oktober 2019

Internationale Stefan Zweig Gesellschaft

Jahrestagung in Hamburg, 3.- 6. Oktober 2019

Vorläufiges Programm (Stand vom 7. Juli 2019)

 

Donnerstag, 3.10. 2019: Anreisetag

16.00 Uhr Dämmerungsrundgang durch die Speicherstadt (Bernd Duckstein, Hamburg),

Treffpunkt: U-Bahn Haltestelle “Baumwall” und Ende direkt am

Restaurant “Alte Liebe“.

18.30 Uhr  Abendessen im Restaurant „Alte Liebe“ (Ende ca. 22.30 Uhr)

(Adresse: Kaispeicher B, Koreastraße 1, 20457 Hamburg)

 

Freitag, 4.10.2019:

09.30 Uhr Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg Carl von Ossietzky

(Adresse: Von-Melle-Park 3, 20146 Hamburg)

Führung durch die Bibliothek

Einführung in das Richard Dehmel-Archiv (Mark E. Amtstätter)

und Besichtigung von ausgewählten Handschriften Zweigs

Beziehung R. Dehmel – S. Zweig,

Lesung aus ausgewählten Briefen R. Dehmels und S. Zweigs:

Malte Godglück  – Robert Tillian

12.00 Uhr  bis 14.00 Uhr Mittagessen im Café „Leonar“

(Adresse: Grindelhof 59, 20146 Hamburg,)

                       

14.30 Uhr  Besichtigung der Elbphilharmonie

17.00 Uhr  Hafenrundfahrt mit Barkasse (Butterkuchen und Kaffee)

18.30 Uhr  Ausstieg Teufelsbrück

 

18.45 Uhr  Landhaus Baur (Elbschlösschen)

(Adresse: Christian-F.-Hansen-Straße 19, 22609 Hamburg)

19.00 Uhr Stefan Zweig: Ein vielseitiger Weltliterat mit Hamburg-Verbindung.

Einführungsvortrag, Lesung und Gespräch mit der Schauspielerin Mechthild Großmann und den Literaturwissenschaftlerinnen Jasmin Sohnemann und Beate Borowka-Clausberg, in Kooperation mit dem Heine-Haus e.V., mit freundlicher Unterstützung durch die HERMANN REEMTSMA STIFTUNG

 

20.30 Uhr Empfang der HERMANN REEMTSMA STIFTUNG

anschließend Bustransfer ins Zentrum

 

Samstag, 5.10. 2019

09.30 Uhr  Sammelpunkt: Staats- und Universitätsbibliothek Hamburg, Bustransfer

10.00 Uhr  Besichtigung des Künstlerhauses von Richard und Ida Dehmel  (Einteilung in Gruppen zu je ca. 15 Personen) Richard-Dehmel-Straße 1, 22587 Hamburg

Mit freundlicher Unterstützung durch die Dehmelhaus Stiftung Hamburg

 

12.00 Uhr  Hinweise auf Gelegenheiten zum  Mittagessen

nachmittags frei

19.00 Uhr  An Bord der „Rickmer Rickmers“ im Hafen, Abendessen (Büffet),

(Adresse: Rickmer Rickmers, Bei den St. Pauli Landungsbrücken,

Fiete-Schmidt-Anleger/ Ponton 1a,20359 Hamburg)

Vortrag von Rudolf Angeli (Hamburg): „Die Jubiläumsreise der ‚Schachnovelle‘“

Im Anschluss widmet Elke Rehder (Barsbüttel) den Teilnehmern am
Jahrestreffen der ISZG einen Original-Holzschnitt zur „Schachnovelle“.

 

Sonntag, 6.10. 2019

10.00 Uhr Mendelssohn-Saal in der Hochschule für Musik und Theater Hamburg

(Adresse: Harvestehuder Weg 12, 20148 Hamburg)

Junge Wissenschaft: Vortrag von Tina Sturm-Ornezeder (Univ. Salzburg):

„Stefan Zweigs ‚Clarissa‘: Ein Romanentwurf“.

10.30 Uhr  Buchpräsentation von Herrn Bernd Oei (Bremen): „Der Grenzgänger: Stefan Zweig und der  europäische Traum“. Zeitlosigkeit von Zweigs politischen Essays, Vision und Kritik Europas.

 

Pause

11.30 Uhr  Konzert mit Daniel Gutmann, Bariton und Matthias Veit, Klavier.

Philipp Manuel Gutmann: Deutsche Erstaufführung seiner Vertonung von 4 Gedichten

aus den “Silbernen Saiten” (Stefan Zweig) und Kompositionen von Johannes Brahms

und Felix Mendelssohn
12.30 Uhr  Ende des Konzerts
12.48 Uhr  Abfahrt Fähranleger Rabenstraße über die Alster zum Anleger Atlantic (12.56 Uhr)

Ticket: 5 Euro,– / 5 Minuten Fußweg; Abschluss-Brunch im Hamburger Segelclub

(Adresse: Hamburger Segelclub e.V., An der Alster 47, 20099 Hamburg)

 

 

 

Aanmelding kan rechtstreeks bij Hildemar Holl (zie hieronder) of bij mij dirk@stefanzweig.nl (ik help dan bij de aanmelding)                                            

 

 

 

Anmeldung zur Tagung bei mir:  Hildemar.Holl@sbg.ac.at

Tel.: 0043 / (0) 676 427 34 37

 

Verbindliche Anmeldung erbeten für:

  1. Abendessen, am 3. Oktober 2019, 18.30 Uhr bis ca. 22.30 Uhr, Restaurant „Alte Liebe“ (Adresse: Kaispeicher B, Koreastraße 1, 20457 Hamburg; 3-Gang Menü inkl. Mineralwasser für 2 Stunden á 29,00 Euro)
  2. Mittagessen, am 4. Oktober 2019, 12.00 Uhr bis 14.00 Uhr, Café „Leonar“ (Adresse: Grindelhof 59, 20148 Hamburg; Buffet inkl. 0,5l Mineralwasser pro Person á 25,00 Euro)
  3. Abendessen (Büffet), am 5. Oktober 2019, um 19.00 Uhr an Bord der „Rickmer Rickmers“ im Hafen (Adresse: Rickmer Rickmers, Bei den St. Pauli Landungsbrücken, Fiete-Schmidt-Anleger/Ponton 1a, 20359 Hamburg; Pro Person 35,90 Euro, ohne Getränke)
  4. Mittagessen (Abschluss-Brunch), am 6. Oktober 2019, um ca. 13.00 Uhr im Hamburger Segelclub(Adresse: Hamburger Segelclub e.V., An der Alster 47, 20099 Hamburg; Brunch pro Person um 19,50 Euro, inkl. Kaffee und Tee)
  5. Besichtigung der Elbphilharmonie, am 4. Okt. 2019, 14.30 Uhr,  (Pro Person 15,00 Euro)(Begrenzte Anzahl an Plätzen)

Bitte geben Sie in Ihrer Antwort die entsprechende Nummer an!

 

Tagungsgebühr für Mitglieder:  € 30,–       Tagungsgebühr für Gäste:  € 40,–

Überweisung an „Internationale Stefan Zweig Gesellschaft“ erbeten:

Konto bei der BAWAG Salzburg

IBAN: AT02 1400 0570 1031 4528

BIC: BAWAATWW

 

BEDACHTZAAMHEID EN SNELHEID

                                  

BEDACHTZAAMHEID EN SNELHEID

 De snelheid waarmee President Trump zijn mening in tweets formuleert is verbluffend, bijna iedereen is blij als we door een snellere trein of nieuwe infrastructuur Londen of Parijs een uurtje sneller kunnen bereiken en velen zien het als een groot voordeel om straks nog sneller op een 5G i.p.v. een 4G netwerk te kunnen internetten.

Snelheid blijken wij, als een vanzelfsprekend, hoog goed te zien.

Onze Stefan Zweig vriend Thomas Klijn vraagt in zijn blog aandacht voor tegenhangers hiervan: bedachtzaamheid, genuanceerdheid en redelijkheid. Thomas vond deze eigenschappen ook in het werk van Stefan Zweig.

Graag drukken wij zijn blog hieronder af.

 

Dirk Jansen

 

Stefan Zweig en de zwaarte van de nuance

Onlangs was ik naar een lezing van filosofe Joke Hermsen, waarin zij een toelichting gaf op haar nieuwe essay ‘Het tij keren’ waarin de (politieke) denkers en filosofes Rosa Luxemburg en Hannah Arendt centraal staan. Hermsen pleitte daarin voor een meer menselijke en rechtvaardige samenleving, bijvoorbeeld door het invoeren van een volksraadpleging om zo het democratische gehalte te verhogen.

Tegen de onverschilligheid
Los van de precieze maatregelen die we als individu of groep kunnen nemen, hield Hermsen ook een vurig betoog tegen de onverschilligheid. Want een houding van desinteresse, van ‘het maakt toch allemaal niet uit’, maakt ons kwetsbaar voor tirannieke en charismatische leiders die bevolkingsgroepen buitensluiten, inspelen op angstgevoelens en daarmee de samenleving verdelen in ongewenste kampen. Een zeker niveau van welvaart en optimisme kan sneller kantelen dan we soms denken.

Het deed me (weer eens) denken aan één van mijn favoriete schrijvers, Stefan Zweig (1881-1942). En gelukkig zag ik hem de laatste tijd, rondom de Europese verkiezingen, vaker voorbij komen. Zo herlas filosoof en schrijver/ dichter Maarten Doorman ‘De wereld van gisteren’, het fenomenale boek van de Oostenrijkse schrijver over enkele decennia Europa vanaf het eind van de 19e eeuw.

Doorman zegt daarover in een artikel in NRC: “Zweig schetst een prachtig beeld van het Wenen uit zijn jeugd, waar het onderwijs weliswaar geestdodend saai was en de burgerlijke moraal benepen en hypocriet, maar waar ook minderheden uit heel Europa vreedzaam samenleefden, met verschillende religies, talen en gebruiken en een bloeiende cultuur. Hij geloofde in de rijkdom van al die verschillen.”

Europa als orkest
Dirk Jansen van het Stefan Zweig Genootschap verwoordt deze visie van Zweig treffend: “Hij zag Europa als een groot orkest dat een prachtige, eigen klankkleur heeft. Het samenspel lukt niet altijd; soms speelt een instrument vals of raakt een instrumentengroep uit het ritme. Maar als het samenspelen slaagt is de klank onovertroffen. Het wordt een eenheid. Een culturele eenheid.”

Zweig laat met de ‘Wereld van gisteren’ zien dat we het verleden niet moeten negeren of alleen als nostalgisch gegeven moeten zien; het kan ook een richtsnoer zijn voor toekomstig handelen. Zowel voor de tijd waarin Zweig leefde als voor de onze geldt de waarschuwing die Doorman meegeeft – en waarin ook de boodschap van Hermsen terugkomt: “Onverschilligheid jegens een humaan en democratisch Europa kan onverwachts snel tot een onaangename toekomst kan leiden.”

Beschaafdheid en bescheidenheid
Ik waardeer zelf de genuanceerde mening en schrijfstijl van de Oostenrijker; de redelijkheid en beschaafdheid is volledig in zijn werk verweven. Je kunt dat natuurlijk ook negatiever uitleggen: in een lezing over de correspondentie van Zweig met de veel zwart-wittere Joseph Roth noemde Pieter Waterdrinker Zweig ‘geparfumeerd’. Ik vind dat eerlijk gezegd niet alleen weinig recht doen aan zijn zorgvuldigheid, maar ook aan het esthetische en narratieve niveau van Zweigs oeuvre.

 

Vertaler Martin de Haan is dezelfde mening toegedaan, zo blijkt uit zijn artikel in de Volkskrant bij het verschijnen van ‘De wereld van gisteren’ in 2014: “Belangrijk is ook dat Zweig in navolging van zijn grote voorbeeld Erasmus altijd de redelijke middenweg zocht, geweld (zelfs als tegenreactie) verfoeide en veel te bescheiden was om zoals Thomas Mann te verkondigen dat de Duitse cultuur overal was waar híj was en dus kon overleven, hoewel het Duits inmiddels de taal van de barbarie was geworden.”

 

Slappe houding
Zweigs (te grote) beschaafdheid en redelijkheid is hem ook op kritiek komen te staan. Daarnaast worden ook wel vragen gesteld bij zijn al te positieve beeld van zijn geliefde Wenen. De Haan refereert aan Hannah Arendt die in haar recensie vlak na de verschijning van ‘De wereld van gisteren’ in 1944 beweert dat de vooroorlogse harmonie die hij in het boek beschrijft, nooit heeft bestaan en dat hij als rijkeluiszoon blind was voor de grote armoede en de daarmee samenhangende spanningen tussen de klassen in Wenen.

De Haan verwijst ook naar Zweigs biograaf George Prochnik die aangeeft dat Zweig in zijn boek verzwijgt dat hij de opkomst van het nazisme aanvankelijk met bewondering begroette als een bewijs van jeugdige vitaliteit. Hannah Arendt laakt zijn gebrek aan politieke overtuiging en verwoordt het feller: “in plaats van te knokken, zweeg hij, blij dat zijn boeken niet ineens verboden werden.”

Zo zie je dat het streven naar hetzelfde doel, naar meer menselijkheid, door Zweig en Arendt op een heel andere manier werd ingevuld. Ook daar kun je dus genuanceerd naar kijken, geheel in de geest van Zweig.

THOMAS KLIJN

Bronnen:
https://www.nrc.nl/nieuws/2019/05/17/europa-is-een-broze-beschaving-a3960677
http://stefanzweig.nl/stefan-zweig-vandaag/

Commentaar op Zweig


https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/revival-stefan-zweig~be0d15f8/

(Uitgelichte foto: idee: Boris Brumnjak (1977–2017) / foto: Norman Posselt.

 

BELEVING VAN GELUK

GELUKSBELEVING: INDIVIDUEEL OF MET Z’N ALLEN.

De momenten van gelukbeleving die Stefan Zweig  in zijn werk beschrijft vind ik vaak herkenbaar en beeldend.

Een voorbeeld: in zijn korte verhaal “Onvermoede affiniteit met een ambacht” (Unvermutete Bekanntschaft mit einem Handwerk) komt de ik-figuur na een vermoeiende treinreis in Parijs aan en vindt aan een van de boulevards in de vroege ochtend op een terras een rustige plek.

Zweig schrijft:

 

“Het was zo’n ochtend die alleen in April voorkomt: hij smaakt als zijdenbonbon, zoet, koel en vochtig. Gefilterd voorjaarslicht met de geur van onvervalste ozon. Op de Boulevard Hausmann rook je plotseling de lucht van verse weiden en de zee. Een van de onstuimige aprilbuien had dit wonder veroorzaakt.

Vers aangekomen voelde ik mij gelukzalig: geen afspraken, geen verplichtingen, in Parijs wist niemand dat ik hier was. Ik had geen plannen ik was volkomen vrij”.

 

Ik neem aan dat iedereen zulke momenten van diep geluksgevoel kent. Ze zijn nauwelijks bewust op te roepen; ze overkomen je en je bent er blij mee.

 

Alessandro Barrico, de bekende Italiaanse schrijver en filosoof (bv. Oceaan van een zee en Zijde) voorspelt dat in een komende, vredelievende samenleving de gelukbeleving van iedereen een collectieve aangelegenheid zal worden.   Door de overstelpende mogelijkheden van informatieuitwisseling en met behulp van gametechnieken kan een ieder vrij beschikken over de waarheid, de essentie van dingen en de gelukbelevingen, die door velen zijn opgediept en op internet beschikbaar worden gemaakt.

Een interview met  de schrijver in Letter en Geest van het dagblad Trouw van 22 juni, verhaalt over deze ingrijpende veranderingen. In zijn nieuwe boek “De Game” stelt hij dat er een samenleving aan het ontstaan is waarin geen diepgang en oppervlakkigheid meer bestaan. De grote openbaarheid voorkomt dat machthebbers werkelijkheid en waarheid niet meer kunnen manipuleren.

Alle feiten en opvattingen zijn immers op internet toegankelijk, ook de “postervaringen” (d.w.z. ervaringen die je het gevoel geven dat je werkelijk leeft). Volgens Baricco zal deze samenleving dus per definitie vreedzamer zijn en oorlogen voorkomen.

 

 

Eerlijk gezegd hecht ik erg aan mijn persoonlijke, individuele geluksbeleving. Is het lezen van de geluksbeleving van Stefan Zweig niet van een andere orde dan een in het echt beleefd verblijf aan een Parijse boulevard door jouzelf. Je zou hooguit kunnen zeggen dat het lezen van de Zweig-beleving of het bekijken van de YouTube filmpjes over beleefde geluksmomenten van anderen je herinnert aan soortgelijke momenten die je in jouw leven herkent of ermee associeert.

Natuurlijk juich ook ik een vreedzamer samenleving toe en als dat bereikt kan worden met het bekijken van gelukfilmpjes of -teksten van anderen dan zou dat erg mooi zijn.

Toch zou ik mijn eigen, ongeplande beleving van geluksmomenten niet graag inleveren voor Barrico’s Gamemaatschappij.

Maar ik ga zijn boek “The Game” natuurlijk wel lezen

 

Dirk Jansen

Stefan Zweig Genootschap Nederland

Europa’s culturele eenheid

Beste Zweig lezeressen en –lezers,

Europa’s culturele eenheid

De herdenkingsmaand mei geeft ieder jaar vele gelegenheden om de aandacht naar Stefan Zweig te trekken. Als pacifist en humanist is die belangstelling voor hem zeer terecht. Daarnaast zijn in deze maand mei  de Europese verkiezingen een extra stimulans om de toewijding van Zweig aan de culturele eenheid van Europa in het voetlicht te zetten.

 

Met nadruk zeg ik hier “de culturele eenheid van Europa”, want Zweig heeft nergens in zijn werk een staatkundige eenwording van Europa bepleit.

Hij zag Europa als een groot orkest dat een prachtige, eigen klankkleur heeft. Het samenspel lukt niet altijd; soms speelt een instrument vals of raakt een instrumentengroep uit het ritme. Maar als het samenspelen slaagt is de klank onovertroffen. Het wordt een eenheid. Een culturele eenheid.

 

In de pers werd deze maand Stefan Zweig vaak aangehaald. Voor het geval u het gemist heeft neem ik graag twee verhalen op die zelfs een onderlinge samenhang hebben.

Met groet van

Dirk Jansen

 

Een verhaal van de schrijver Jonah Falke

Vannacht ben ik te gast bij VPRO Nooit Meer Slapen op Radio 1 om te praten over mijn nieuwe roman De mooiste vrouw van de wereld, en wie weet wat nog meer. Een redacteur vroeg me om drie audiofragmenten uit te kiezen voor de uitzending. Het eerste waaraan ik dacht was een man die op de radio, ik denk dat het vorig jaar was, sprak over zijn favoriete boek: De wereld van gisteren van Stefan Zweig. Ik zocht me een ongeluk maar zonder succes. Ik koos andere fragmenten.

Ergens leek het me metaforisch of ironisch dat je op de dag van de Europese verkiezingen een lofprijzing over hét boek over Europa niet kon vinden. Zweig schreef het boek tijdens de oorlog, zag de wereld in elkaar donderen, vluchtte en streefde naar een grenzeloos continent zonder populisme. De Europese idealen die hij beschrijft lijken nu soms op de tocht te staan en eveneens onvindbaar. Het individualisme lijkt hoogtij te vieren, terwijl de eerste zin van De wereld van gisteren luidt: ‘Ik heb mijn eigen persoon nooit zo belangrijk gevonden dat ik in de verleiding ben geweest anderen de verhalen van mijn leven te vertellen.’

Het is een bekend gegeven dat de meeste kennis achteraf komt. Maar het collectieve geheugen lijkt voor sommigen ultraslecht te zijn deze dagen. Zweig zei in 1942 al: ‘In de nieuwe eeuw hebben wij geleerd ons door geen enkele uitbarsting van bestialiteit meer te laten verrassen.’ En: ‘Wij moesten Freud gelijk geven, toen hij onze cultuur, onze beschaving maar als een dunne laag zag, die elk ogenblik aan stukken gebroken kan worden door de destructieve krachten van de onderwereld, we hebben er langzaam aan moeten wennen zonder grond onder onze voeten te leven, zonder recht, zonder vrijheid, zonder zekerheid.’

Vorige week schreef Maarten Doorman in NRC Handelsblad ook al over het belang van dit boek: ‘Dat verleden met zijn slachtpartijen, ook die van de Eerste Wereldoorlog, is het nu vaak vergeten fundament van het hedendaagse, verenigde Europa. Een Europa dat al bijna driekwart eeuw geen oorlog meer kent, afgezien van de al te vaak genegeerde Balkanoorlog uit de jaren ’90 met zeker honderdduizend doden.
Dit Europa is welvarender dan ooit en vooralsnog, grotendeels, democratisch, sociaal en (relatief) tolerant.’

Eigenlijk lijkt het me onvoorstelbaar simplistisch en vermoeiend om hoe-het-niet-moet en het belang van dit Europa steeds te moeten benoemen. Pedanterie ligt dan al snel op de loer en daar jaag je mensen mee weg. Maar zoals Maarten Doorman schreef: ‘De wereld van gisteren laat zien dat onverschilligheid jegens een humaan en democratisch Europa onverwachts snel tot een onaangename toekomst kan leiden, dat we daarom niet schouderophalend aan deze verkiezingen voorbij mogen gaan en dat we al helemaal niet moeten denken dat terugkeer naar de natiestaat van weleer enige bescherming tegen een boze buitenwereld biedt.’

Om het onnodige verval door onwetendheid voor te zijn, zou ik willen aanraden om dit boek eens te lezen.

Jonah Falke

 

 

en een essay van de filosoof Maarten Doorman

 Europa is een broze beschaving

 

Op 1 september 1939 ging de Joodse schrijver Stefan Zweig in het Engelse Bath in ondertrouw om zo mogelijk de volgende dag nog in het huwelijk te treden. Terwijl iemand van de burgerlijke stand de formulieren zat in te vullen, stormde een ambtenaar het kantoor in en riep dat Duitsland Polen binnenviel. De Tweede Wereldoorlog was begonnen.

Omdat Zweig, die uit Oostenrijk gevlucht was, uit vijandelijk gebied kwam, was het niet ondenkbaar dat hij binnen luttele dagen zou worden geïnterneerd. Veiligheidshalve schortte de ambtenaar het huwelijk op. En zo werd de meest succesvolle schrijver van het interbellum uit het door hem altijd bejubelde Europa verdreven. In februari 1942 maakte hij in Brazilië samen met zijn vrouw een eind aan hun leven.

Dit moordlustige Europa behoort tot ‘de wereld van gisteren’, zoals Stefan Zweig het boek noemde dat hij kort voor zijn dood voltooide en waarin hij zijn eigen geschiedenis met een grotere verbindt. Dat verleden met zijn slachtpartijen, ook die van de Eerste Wereldoorlog, is het nu vaak vergeten fundament van het hedendaagse, verenigde Europa. Een Europa dat al bijna driekwart eeuw geen oorlog meer kent, afgezien van de al te vaak genegeerde Balkanoorlog uit de jaren ’90 met zeker honderdduizend doden.

Dit Europa is welvarender dan ooit en vooralsnog, grotendeels, democratisch, sociaal en (relatief) tolerant. Maar schokkend aan Zweigs De wereld van gisteren is dat Europa dat eerder ook was, of althans leek. Met aanstekelijk enthousiasme beschrijft hij het optimisme uit het begin van de vorige eeuw. Het lichaam bevrijdde zich van een puriteinse moraal: er kwam sport, vrije tijd, een openbaar uitgaansleven, badkamers, telefoons. Overal was vooruitgang. „Nooit”, aldus Zweig, „was Europa sterker, rijker en mooier geweest, nooit had het zo vast in een nog betere toekomst geloofd.”

Het Europa van de vele natiestaten, waar romantisch rechts nu zo naar verlangt, leek eeuwig te duren. De bourgeoisie verdiende geld en ging naar de opera, het ideaal van de Britse filosoof Roger Scruton en zijn Nederlandse discipel Thierry Baudet glansde: er was nog geen abstracte kunst, geen atonale muziek, geen wanklank uit de koloniën, de klassenstrijd taande bij toenemende welvaart. ’s Zomers was het prachtig weer. Maar plotseling viel er een schot, in diezelfde Balkan, en was het allemaal voorbij.

Binnen enkele weken stapten honderdduizenden jongens zingend op de trein en vertrokken onder nationale vlag naar de loopgraven, de granaten, het gifgas, gangreen, de doodslag en waanzin. De Europese beschaving die Zweig hartstochtelijk beleefde, bleek broos als de vleugel van een opgezette vlinder. „Zoals nooit tevoren”, schreef hij in een schitterende zin, ‘voelden de duizenden, honderdduizenden mensen wat ze beter in vredestijd hadden kunnen voelen: dat ze bij elkaar hoorden.’

Nerveus optimisme

In de jaren twintig keert het optimisme geleidelijk terug, zij het nerveuzer, actiever. De succesvolle Zweig is in Italië en merkt hoe vergevingsgezind de mensen zijn. Hij hoopt dat men toch iets heeft geleerd, gelooft het zelfs even, tot hij vanuit een steegje een groep jongemannen met stokken ziet marcheren. Het fascisme kondigt zich aan. En „de oorlog van weleer”, in de woorden van Leo Vroman, „wederkeert op vilten voeten / dat we, eigenlijk al niet meer / kunnend alles, toch weer moeten.”

Het is een naïeve gedachte dat de geschiedenis zich herhaalt. De Tweede Wereldoorlog was geen herhaling van de vorige. Maar het is een bijna even naïeve gedachte dat we helemaal niets over Europa kunnen leren van het verleden. Van een optimisme dat aan onverschilligheid grenst, van de broosheid van internationale afspraken, van de desinteresse die we nu terugzien in de lage opkomstpercentages voor Europese verkiezingen, van het vertrouwen in een toekomst die zomaar als een zeepbel uit elkaar spat.

En van het Europa dat Stefan Zweig, en zijn Franse vriend, de schrijver Roman Rolland, voor ogen stond. Zweig schetst een prachtig beeld van het Wenen uit zijn jeugd, waar het onderwijs weliswaar geestdodend saai was en de burgerlijke moraal benepen en hypocriet, maar waar ook minderheden uit heel Europa vreedzaam samenleefden, met verschillende religies, talen en gebruiken en een bloeiende cultuur. Hij geloofde in de rijkdom van al die verschillen.

Europa is echter niet meer het centrum van de wereld zoals dat uit zijn werk naar voren komt, en zal zich evenzeer om andere, geopolitieke redenen moeten verenigen om zich te kunnen handhaven tussen grootmachten als de Verenigde Staten, China en andere opkomende economieën. Maar nu democratische waarden binnen Europa onder spanning komen te staan, antisemitisme weer salonfähig wordt, de vluchteling her en der als indringer wordt beschouwd, de rechterlijke macht onder druk staat en het verlangen naar theatrale, autoritaire leiders opnieuw opbloeit, zou niet alleen de toekomst, maar ook het verleden een richtsnoer mogen zijn.

De wereld van gisteren laat zien dat onverschilligheid jegens een humaan en democratisch Europa onverwachts snel tot een onaangename toekomst kan leiden, dat we daarom niet schouderophalend aan deze verkiezingen voorbij mogen gaan en dat we al helemaal niet moeten denken dat terugkeer naar de natiestaat van weleer enige bescherming tegen een boze buitenwereld biedt.

Maarten Doorman

stefan zweig vermurwt mussolini

Stefan Zweigs eigen Sternstunde

door Piet Wackie Eysten

‘Ik heb volgens mij het grootste literaire succes van mijn leven behaald, groter dan de Nobelprijs!’

Stefan Zweig aan Romain Rolland, 17 januari 1933

 

In het begin van de twintiger jaren van de vorige eeuw groeide in Italië het fascisme razend snel. De fascistische beweging was in 1921 gegoten in de vorm van de Partito Nazionale Fascista, onder aanvoering van Benito Mussolini. In oktober 1922 vond de beruchte Mars naar Rome plaats. Zoals enkele jaren later in Duitsland Hitler door Rijkspresident Hindenburg op het schild werd getild, zo werd Mussolini door koning Victor Emanuel III, die hoopte daarmee een burgeroorlog te kunnen vermijden, tot minister-president benoemd in een coalitieregering. Met die coalitie maakte Mussolini echter korte metten. Hij werkte zijn coalitiegenoten de een na de andere uit de regering en regeerde vanaf 1924 praktisch als alleenheerser.

Oppositieleider in het Italiaanse parlement was Giacomo Matteotti, voorman van de Partito Socialista Unitario, een journalist die in Bologna rechten had gestudeerd. Hij keerde zich fel tegen Mussolini. Toen de Duce een groot aantal wetten in één keer door het parlement wilde jagen en de vele klachten over de verkiezingen buiten behandeling wilde laten, noemde Matteotti die verkiezingen onwettig en een farce. ‘Iemand die zoiets zegt’, repliceerde Mussolini, ‘zou niet meer mogen rondlopen.’ Enkele dagen later, op 10 juni 1924, raakte Matteotti vermist. Na enige tijd werd zijn verminkte lichaam gevonden, niet ver buiten Rome. Hij was door een fascistische knokploeg ontvoerd en om het leven gebracht. De berichten hierover leidden in heel Europa tot verontwaardigde reacties. De affaire bracht Mussolini’s bewind een ogenblik danig aan het wankelen. Mussolini ontkende aanvankelijk iedere betrokkenheid. Een half jaar later meende hij echter kennelijk voldoende stoer en stevig in het zadel te zitten om de verantwoordelijkheid voor deze schanddaad openlijk te claimen. In januari 1925 eiste hij in het parlement, de verantwoordelijkheid voor de moord op. Intussen werd Matteotti’s weduwe met haar kinderen in Rome onder huisarrest geplaatst.

In zijn Die Welt von gestern, zijn ‘herinneringen van een Europeaan’, vertelt Zweig dat hij op een dag (het moet in januari 1932 zijn geweest) bezoek kreeg van ‘een Italiaanse dame’. Zij vertelde dat zij de vrouw was van een zekere Dr. Giuseppe Germani, die als kind uit een arm gezin, was opgevoed en medicijnen had kunnen studeren op kosten van Giacomo Matteotti. Hij was destijds een van de zes moedige mannen geweest die het gewaagd hadden de kist van de vermoorde socialistenleider door de straten van Rome te dragen. Vanaf dat moment was hij geboycot en bedreigd. Omwille van de nagedachtenis van zijn weldoener had hij vervolgens een vergeefse poging ondernomen diens vrouw en kinderen Italië uit te smokkelen. Hij was daarbij verraden, gearresteerd en – op valse gronden, de herinnering aan Matteotti wilde Mussolini liever niet oprakelen – veroordeeld tot tien jaar zware tuchthuisstraf (carcere duro). Zijn vrouw wilde nu trachten de namen van enkele beroemde Europese schrijvers en kunstenaars te verenigen in een collectief openbaar protest, om hem vrij te krijgen.

Zweig adviseerde haar met klem van een dergelijke publieke actie af te zien. Hij besefte dat Mussolini nooit zou bewilligen in strafvermindering als men zou trachten hem daartoe van buiten af te dwingen. Integendeel. Maar Zweig was oprecht geschokt en beloofde mevrouw Germani dat hij zou trachten haar te helpen, al wist hij nog niet hoe. Misschien kon hij iets ondernemen via Italiaanse vrienden.

Als mevrouw Germani hem enkele weken later – haar man zit dan inmiddels tien maanden gevangen – een paar van de brieven toestuurt die zij vanuit de gevangenis van hem heeft ontvangen, stuurt Zweig die door aan zijn beroemde en invloedrijke vriend Romain Rolland, zijn oudere geestverwant, met wie hij een intensieve briefwisseling onderhoudt. Maar Rolland is niet onder de indruk. Die brave Germani – ‘un bon bourgeois’ noemt hij hem in zijn antwoord aan Zweig – interesseert hem niet zoveel. Nee, hij maakt zich eerder zorgen over mevrouw Matteotti, die in haar gedwongen verblijf in haar huis in Rome in voortdurende angst leeft.

In mei 1932 brengt Zweig vijf dagen door in Florence. Hij houdt er, in het Italiaans, zijn lezing over ‘De Europese gedachte in haar historische ontwikkeling’. De zaal in het Palazzo Vecchio, waar de lezing plaatsvindt, is bomvol. ‘Italië is prachtig, iedereen is even tactvol, heel anders dan ik verwachtte,’ schrijft hij aan Friderike, zijn vrouw. Ook aan Rolland doet hij verslag: ‘Het was mooi om te zien hoeveel mensen blij waren ideeën te horen die hier in Italië niet openlijk kunnen worden uitgesproken.’ Er schemert in zijn brief, die van 9 mei dateert, enige sympathie door voor Mussolini.

‘Het valt niet te ontkennen, schrijft hij, dat Mussolini met zijn grote intelligentie veel goeds heeft gedaan in Italië. De financiën zijn er beter op orde dan elders, belangrijke openbare werken zijn ter hand genomen en het optimisme dat het volk is ingepeperd vormt een krachtige economische drijfveer. Maar onbegrijpelijk blijft de angst van deze man voor het vrije woord! De pers gemuilkorfd, de kranten een spreekbuis van de aanbeden afgod, strenge inquisitie voor boeken – ik heb veel intellectuelen gesproken en ben verbaasd hoe onverbloemd zij zich uitlaten over de verstikkende atmosfeer. Ik heb geprobeerd iets voor die arme Dr. G[ermani] te doen en in ieder geval duidelijk gemaakt dat men bij ons van die zaak op de hoogte is – mijn vrienden daar hadden er geen idee van, ze kenden zelfs zijn naam niet. […] Het is werkelijk een erbarmelijke toestand – al weet ik wel dat het bij ons, als de nationaalsocialisten aan de macht komen, nog duizendmaal erger wordt, want M[ussolini] is tenminste zeer intelligent.’

Deze waarderende woorden over de Duce vielen bij Rolland niet in goede aarde. Hij is teleurgesteld in de humanist Zweig, die zich inzet voor een individueel slachtoffer van het verwerpelijke regime en niet, zoals Rolland, gelooft in de kracht van massaal verzet. Zelf wordt Rolland op dat moment in beslag genomen door de voorbereidingen voor het World Congress against War, dat in augustus in Amsterdam gehouden zal worden. Hijzelf heeft daartoe, samen met de Franse communistenleider Henri Barbusse, het initiatief genomen. Vanwege zijn zwakke gezondheid kan Rolland tot zijn spijt en ergernis het congres zelf niet bijwonen, zijn openingstoespraak moet door iemand anders worden voorgelezen.

Maar ook Zweig, toekomstig auteur van de Schachnovelle, blijkt op meerdere borden tegelijk te kunnen schaken. Hij heeft die zomer zijn biografie van Marie Antoinette voltoord. ‘Ik ben doodmoe’, schijft hij op 1 september 1932 aan Rolland. ‘Ter verstrooiing schrijf ik nu een vrolijke operatekst voor Richard Strauss[1]. Ik verwacht er niet veel van en ik doe geen enkele moeite iets diepzinnigs te bedenken. Ik vermaak me er alleen mee dit libretto (naar de Silent Woman van Ben Jonson) voor hem te schrijven. Hij is er geweldig mee ingenomen.’

Zijn toezegging aan Mevrouw Germani is Zweig intussen niet vergeten. In dezelfde brief schrijft hij aan zijn Franse vriend dat hij opnieuw een hartverscheurende brief van haar heeft ontvangen. Hij overweegt nu rechtstreeks aan Mussolini te schrijven. ‘Die is ijdel’, schrijft hij (van vrienden wist hij, vertelt Zweig in Die Welt von gestern, dat Mussolini een van de eerste en meest toegewijde lezers van zijn boeken in Italië was),

‘en als ik mij tot hem persoonlijk wend, is hij misschien bereidwilliger dan wanneer hij officieel wordt benaderd. Als ik hem duidelijk en zonder pluimstrijkerij, schrijf dat ik, als Oostenrijker, om pardon vraag (niét om gratie) voor iemand die tegen Oostenrijk heeft gevochten[2], zou hij dat misschien als voorwendsel kunnen gebruiken. Ik heb er nog niet toe besloten, maar áls ik het doe, zal ik u mijn brief laten lezen. U begrijpt wel dat ik er een offer mee zou brengen, want ik zou hem duizendmaal liever publiekelijk aanpakken. Maar telt het lijden van een vrouw niet zwaarder dan mijn trots en mijn gemoedsrust?’

Het overtuigt Rolland niet. Alleen openbaar spektakel, angst voor de publieke opinie, meent hij, kan invloed op de dictator hebben. ‘Ik verwacht niets van een persoonlijke brief aan Mussolini’, antwoordt hij Zweig. ‘Mussolini is in wezen een lafaard. Hij is alleen te beïnvloeden met druk van de publieke opinie. U krijgt misschien een beleefd antwoord, maar u moet niet verwachten dat de Duce een door hem gedicteerd vonnis terugdraait, of dat hij een ongelukkige die hij de mond wil snoeren omdat die teveel weet over de ware gronden van zijn veroordeling, zal vrijlaten.’

Maar Zweig laat zich niet ontmoedigen. Korte tijd later ontvangt hij van de Academia d’Italia een uitnodiging voor een ‘Europa’-congres, dat in november in Rome zal worden gehouden. Hij ziet af van deelname (‘om geen handen te hoeven schudden die ik liever niet aanraak’, schrijft hij Rolland), maar stuurt wel de tekst van zijn toespraak over Die moralische Entgiftung Europas, het moreel desinfecteren van Europa, die tijdens het congres zal worden voorgelezen. In een Romeinse krant wordt het wegblijven van het congres van deze ‘vijand van Italië’ fel bekritiseerd.

Tegenover Rolland, die hij in sommige van zijn brieven zijn mentor of leermeester noemt, voelt Zweig kennelijk toch de behoefte nogmaals zijn rechtstreekse benadering van Mussolini te rechtvaardigen. ‘Ik heb al het mogelijke gedaan om die wanhopige vrouw te helpen’, schrijft hij,

‘maar ik ben overal gestuit op angstvalligheid en tegenwerking. Uiteindelijk heb ik rechtstreeks aan Mussolini geschreven, waardig, naar ik hoop, en zonder vleierij. Ik heb een goed geweten. Ik heb mij uit medelijden de zaak van Germani’s vrouw aangetrokken en ben recht op mijn doel afgegaan door mij te richten tot de enige die  haar kan helpen. Of mijn boeken daar worden verbrand, of men mij laf noemt dat ik aan Mussolini heb geschreven, kan mij niets schelen. Ik heb gedaan wat ik volgens mijn geweten moest doen. Ik kan mij niet doof houden voor een wanhopige vrouw die mijn hulp heeft ingeroepen. Ik stuur u, als u wilt, een kopie van mijn brief, die zal u niet beschamen.’ (brief van 18 december 1932)

Een maand later, op 17 januari 1933, ontvangt Zweig een telegram waarin Mussolini laat weten dat hij aan Zweigs verzoek zal voldoen. Nog dezelfde dag schrijft Zweig opgetogen aan Rolland:

tout en secret (ik wil niet dat het bekend wordt): ik heb volgens mij het grootste literaire succes van mijn leven behaald, groter nog dan de Nobelprijs: ik heb Dr. Germani gered! Zoals u weet heb ik Mussolini persoonlijk geschreven en hem gevaagd de gevangenschap in ballingschap om te zetten en nu laat hij mij via het Gezantschap in Wenen weten dat hij niet alleen mijn verzoek heeft ingewilligd, maar dat binnenkort vrijlating zal volgen. Ik ben volmaakt gelukkig, die arme vrouw was de waanzin nabij.’

De aarzelende sympathie voor Mussolini uit eerdere brieven, lijkt door dit succes in regelrechte bewondering te zijn omgeslagen, want de brief vervolgt:

‘Ik moet ondanks alles de energie bewonderen van die man, die de wereld regeert en eenvoudigweg op een aangetekende brief die iemand ergens op de post heeft gedaan, zo snel reageert. Petje af! Ik weet zeker dat hij geraakt is door mijn oprechtheid en dat ik niet teveel woorden heb gebruikt: mijn bief kan, als men wil, in iedere krant gepubliceerd worden. In haast en entre nous. Ik ben dolgelukkig!’

Rollands reactie laat niet lang op zich wachten. Hij wenst Zweig per kerende post geluk met het feit dat hij Germani ‘aan de fascistische kerkers heeft weten te ontrukken.’ Maar hij verbindt daar direct een waarschuwing aan. ‘Zeker, Mussolini is slim’, schrijft hij. ‘Maar laat u zich alstublieft niet om de tuin leiden! Uw onvoorwaardelijke bewondering voor hem is totaal misplaatst. Er is geen enkele reden om, zoals u schrijft, ‘uw petje af’ te nemen voor de beul van Matteotti en Amendola[3].’

‘Non, mon ami’, haast Zweig – die Rolland steeds in het Frans schrijft – zich te antwoorden,

‘ik ben heus niet vergeten wat Mussolini heeft gedaan. Maar ik was zó blij toen ik het goede nieuws hoorde, dat ik (vergeef het mij!) de man wel had kunnen omhelzen. U weet als geen ander hoeveel moeite die brief mij gekost heeft. Ik wilde het niet, mijn zogenaamde overtuiging leed er vreselijk onder, maar ik ben daar overheen gestapt en heb het toch gewaagd. En het besef dat Germani nu weer vrije lucht ademt en de hemel ziet, is voor mij duizendmaal belangrijker dan mijn eigen gedachten.’

*

De briefwisseling tussen Zweig en Rolland over deze aangelegenheid legt mijns inziens een wezenlijk verschil tussen hen beiden bloot, hoezeer zij overigens ook gelijkgezind waren. Rolland, gedreven humanist en pacifist, evengoed als Zweig, was zich sterk bewust van zijn grote morele gezag in Europa en daarbuiten. Hij besefte dat hij daarmee de massa kon inspireren tot actief verzet tegen het dreigende kwaad. Niet voor niets was hij initiator en drijvende kracht achter het World Congress against War in Amsterdam. Hij schrijft Zweig daar enthousiast over, als deze hem juist over de zaak Germani heeft bericht. Zweig daarentegen, niet minder pacifist en humanist dan zijn jarenlange vriend, verafschuwt en wantrouwt alles wat naar politieke activiteit of massabeweging neigt. Hij laat zich door zijn humanisme niet inspireren tot deelname aan massabewegingen of politieke partijen, maar wel tot concrete hulp aan een bedreigd medemens, zelfs als hij het middel dat hij daartoe aanwendt maar nauwelijks met zijn geweten in overeenstemming kan brengen.

Misschien ligt hier wel de kiem van de verwijdering tussen beide vrienden, die zich kort daarna zou openbaren. Een bezoek aan Rolland in september 1935 noemt Zweig in een brief aan Friderike ‘höchst unerfreulich’. Het zou hun laatste ontmoeting blijken te zijn.

 

===

 

[1] Het libretto voor diens Die schweigsame Frau.

[2] In de Eerste Wereldoorlog had Italië in mei 1915 partij gekozen voor de Entente, tégen haar voormalige bondgenoot Oostenrijk.

 

[3] Giovanni Amendola (1882-1926), Italiaans liberaal politicus, scherp criticus van Mussolini, in maart 1926 bezweken aan mishandeling door fascisten.

(No title)

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP                                                        NEDERLAND

                                        20 april 2019

 

HET SCHIMMIG SPEL ROND DE BENAMING VAN EEN PLEK IN SALZBURG NAAR STEFAN ZWEIG

 

Met verwondering heb ik gekeken naar de, voor een buitenlander, moeizaam te begrijpen gebeurtenissen rond het benoemen van een straat of plein in Salzburg naar Stefan Zweig.  Het werd in de huidige eeuw voor het stadsbestuur steeds moeilijker uit te leggen dat de naam van de wereldberoemde schrijver Stefan Zweig nergens in Salzburg terug te vinden was. Pas na een moeizame strijd kreeg de opgang naar het voormalige huis van Zweig aan de Kapuzinerberg een dubbele benaming waarin ook de naam van Zweig werd opgenomen.                              De naamsverandering werd niet in het postadressenbestand opgenomen. Dus het voormalige huis van Zweig ligt nog steeds aan de Kapuzinerberg 5 en niet aan de Stefan Zweig Weg 5.

In Salzburg vestigden zich, met een zekere ondersteuning van de universiteiten in Salzburg, twee Stefan Zweig organisaties. Maar een volwaardige naamgeving bleef ontbreken. In de schermutselingen om dit thema op de agenda van de gemeenteraad te krijgen verschenen  (half-serieus bedoelde) suggesties voor naamgeving.

Maar, zoals wij u eerder berichtten, is kortgeleden het plein voor de ingang naar de Kapuzinerberg omgedoopt tot  STEFAN ZWEIG PLATZ .

Bij mij blijft de vraag hangen naar het “waarom” van al deze besmuikte weerstand. Aan het ontbreken van bekendheid van Stefan Zweig in Europa en daarbuiten kan het niet gelegen hebben.

Ik vond in een artikel, vorig jaar geschreven door de afscheidnemende directeur van het Stefan Zweig Centre Salzburg Klemens Renolder, een paar antwoorden en suggesties voor mogelijke antwoorden.

Het relevante deel van dit artikel vertaalden wij en geven het graag hieronder weer.

 Dirk Jansen

 

Zeer geachte dames en heren, beste vrienden van het Stefan Zweig Centre Salzburg,

Ja, het is juist dat Marko Feinhold, de President van de Israelitischen Kultusgemeinde von Salzburg en wij van het Stefan Zweig Centre meerdere malen hebben gewezen op de misstand dat er in onze stad iets belangrijks mist: in het centrum van Salzburg is er geen straat, plein of brug die naar Stefan Zweig genoemd is.

Vele derde en vierde rangs kunstenaars uit de muziek, literatuur en beeldende kunst, ook diegenen die met het Nationaal-Socialisme verbonden raakten, viel de eer te beurt om op een straatnaambordje vernoemd te worden. Dit alles zou hier onvermeld kunnen blijven, als Stefan Zweig, wiens persoon in de hele wereld met Salzburg wordt geassocieerd, deze eer zou krijgen.

De zg Stefan Zweig weg, die de Kapuzinerberg opvoert, is (nog afgezien van zijn onsmakelijke ontstaansgeschiedenis) niets dan een leeg gebaar, want er bestaan geen postadressen aan deze weg en als men iemand wil schrijven die hier woont, moet men het adres Kapuzinerberg 9 oder Kapuzinerberg 12 op de enveloppe schrijven. De Stefan-Zweig-Weg, die natuurlijk altijd zo moet blijven heten, bestaat echter in werkelijkheid alleen op de bordjes.

Sinds men Marko Feingold bij zijn 100ste verjaardag op een openbare feestelijke bijeenkomst in de Salzburgse Residenz heeft beloofd om zijn herhaaldelijk uitgesproken wens te vervullen, is er helaas niet veel gebeurd. Zo lagen de zaken bij na vier jaar geleden. Groene gemeenteraadsleden probeerden steeds weer de Stefan-Zweig-Weg serieus te laten nemen en de aanliggende panden van dit adres te voorzien. Maar zelfs dit voorstel werd afgewezen. Daarbij werd ons voorgeworpen dat er geen dubbele postadressen mochten ontstaan, daarbij vergetend dat er voor bv. Hans Makart, Georg Trakl, Wolgang Amadeus Mozart of Herbert von Karajan allang zulke dubbelaanduidingen bestaan.

Het was ons toen al duidelijk dat onze door zoveel mensen gesteunde wens op een dag ingewilligd zou worden. Nu, op de 75ste sterfdag van de schrijver is het zover. Ik geef toe dat ons een lange moeizame weg was bereid. Maar alle ergernissen en bizarre samenzweringstheorieën over antisemitische krachten die aan het werk zouden kunnen zijn, zijn nu vergeten. Alle verantwoordelijke ambtenaren en gezagsdragers en alle betrokken personen roepen wij een welgemeend dank u wel toe voor het vervullen van onze wens.

…………

Klemens Renolder

 

 

 

 

 

 

 

 

LEO FRIJDA: TEL ME BIJ DE AMANDELEN

Beste Zweig lezeressen en –lezers,

Kortgeleden heeft onze Zweig-vriend Leo Frijda het boek “Tel me bij de amandelen” het licht doen zien. Hiermee vertolkt hij zijn keuze voor de Joodse gemeenschap, waartoe zijn familie voor de oorlog nog behoorde.

Leo Frijda was rechter en bestuurslid van verschillende Joodse organisaties. Na zijn pensionering is hij over literatuur gaan schrijven.

Speciaal voor onze Nieuwsbrief heeft Leo een samenvatting geschreven waarin vooral de delen waarin Stefan Zweig een rol speelt benadrukt worden.

Bij Stefan Zweig is het “Joods-zijn” lange tijd een onnadrukkelijk, vanzelfsprekend onderdeel van zijn leven geweest. Mede gedwongen door de steeds dreigender aanwezigheid van de nazi’s in Oostenrijk gaat Zweig openlijker over Joodse onderwerpen schrijven in de laatste jaren van zijn leven.

Voor Stefan Zweig bleef het “Joods-zijn” een instelling van de geest (Weltgeist) die niet in de vorming van een Joodse natie hoeft uit te monden.  Hij bleef een uitgesproken tegenstander van nationalisme.

 

Leo Frijda schreef voor ons een samenvatting die wij graag hieronder publiceren. Het spreekt vanzelf dat zijn boek uitgebreider op deze onderwerpen ingaat.

 

Met groet van

Dirk Jansen

Stefan Zweig Genootschap Nederland

  

 

 

 

Tel me bij de amandelen     (een samenvatting)

Een persoonlijke reis door de literatuur  door  Leo Frijda

Bij Amphora Books Amsterdam is begin maart een nieuw boek van Leo Frijda verschenen, Tel me bij de amandelen, Een persoonlijke reis door de literatuur. De titel van dit boek is ontleend aan een gedicht van Paul Celan waarvan de laatste twee regels in vertaling luiden:

Maak me bitter.

Tel me bij de amandelen.

Frijda maakt een persoonlijke reis door de literatuur waarbij hij zijn eigen verhaal in verband brengt met bekende en minder bekende schrijvers. Zo probeert hij de verbroken lijn van de geschiedenis weer enigszins te herstellen. Zijn reis leidt onder meer naar Czernowitz, nu in Oekraïne gelegen, de plaats waar Paul Celan is geboren en naar het Odessa van Isaak Babel.

Maar ook Wenen komt in beeld in de hoofdstukken over Zweig en het door Zweig in De wereld van gisteren genoemde café Griendsteidl.  Het hoofdstuk over Zweig is getiteld Stefan Zweig en het jodendom: ‘Schicksalsgemeinschaft’. Daarvan een samenvatting.

Zweig heeft zijn Joods-zijn iets toevalligs genoemd, iets ‘vanzelfsprekends’, net als de hartslag die je wel voelt wanneer je eraan denkt maar niet wanneer je er niet aan denkt. Dat is echter niet alles want Zweig legt een verbinding tussen zijn humane en pacifistische opvattingen en het jodendom. Dit maakt hij duidelijk in een postscriptum bij een brief van 22 juli 1920 aan de zionistische schrijver Marek Scherlag:

Ich sehe die Aufgabe des Jüdischen politisch darin den Nationalismus zu entwurzeln in allen Ländern, um so die Bindung im reinen Geiste herbeizuführen. Deshalb lehne ich auch den jüdischen Nationalismus ab, weil er auch Hochmut und Absperrung ist: wir können nicht mehr, nachdem wir 2000 Jahre die Welt mit unserm Blut und unsern Ideen durchpflügt, uns wieder beschränken in einem arabischen Winkel ein Natiönchen zu werden. Unser Geist ist Weltgeist – deshalb sind wir geworden, was wir sind und wenn wir dafür leiden müssen, so ist das unser Schicksal. Es hilft nichts stolz zu sein auf das Judentum oder beschämt – man muss es bekennen wie es ist und auch so leben, wie es eben unser Schicksal ist, nämlich heimatlos im höchsten Sinne. Deshalb glaube ich, dass es nicht Zufall ist, wenn ich Internationalist und Pazifist bin – ich müsste mich und mein Blut verleugnen, wenn ich es nicht wäre! Auch im Jeremias ist ja der Sinn gegen eine Realiserung unserer Nationalität gewandt – sie ist unser Traum und kostbarer als jede Verwirklichung (…).

Blijkens deze brief ziet Zweig het als een specifiek Joodse opdracht om overal het nationalisme uit te roeien. Mede daarom wijst hij in 1920 het zionisme nog zonder meer af: ‘Unser Geist ist Weltgeist’. En dat bepaalt, meent Zweig, wie we zijn en als we daarvoor moeten lijden, dan is dat maar zo. ‘Heimatlos im höchsten Sinne’, het is ons lot. Zweig meent dat hij zichzelf en zijn Joods-zijn verloochent als hij niet bovennationaal zou denken en geen pacifist zou zijn.

Met Heimatlos im höchsten Sinne en Schicksalsgemeinschaft is het jodendom van Zweig in twee hem typerende begrippen gevangen. De vraag rijst of op dit punt de opvattingen van Zweig in de loop van de jaren zijn veranderd. De begraven kandelaar, gepubliceerd in 1937, zou een omslagpunt kunnen zijn. Het verhaal is door Zweig tegenover Roth een ‘jüdische Legende’ genoemd. Aan Roth schreef Zweig over zijn legende ook: ‘Ich kann nur Dinge jetzt schreiben, die Bezug haben auf die Zeit (…)’. Die zin, ‘ik kan vandaag de dag slechts schrijven over onderwerpen die op de actualiteit inspelen’, maakt duidelijk dat Zweig het thema van De begraven kandelaar bewust heeft gekozen in verband met de tragische lotgevallen van de Joden in het Europa van kort voor de oorlog. De menora is in de legende een symbool van het lijden van het Joodse volk maar ook van Zweigs eigen verbondenheid met het Joodse volk in een tijd dat hijzelf dat lot mede heeft gedragen.

Op een verzoek van de latere rabbijn Alfred Wolf, toen nog student aan het Hebrew Union College in Cincinnati, heeft Zweig zich over de betekenis van de legende uitgelaten. Zweig schrijft Wolf op 4 februari 1937 over zijn ‘grosse Legende’, ‘angelehnt an das Schicksal des siebenarmigen Leuchters, der von Jerusalem nach Babylon wanderte’ en uiteindelijk naar Byzantium werd gebracht, ‘die merkwürdigste Wanderung über die Erde, die ein religiöses Kunstwerk vielleicht je erlitten und von mir deshalb als Symbol der ganzen jüdischen Wanderschaft gedeutet’. Volgens Zweig is dus veeleer ‘Juden auf Wanderschaft’ het thema van zijn novelle en niet enige vorm van zionisme.

Toch neemt Zweig, meent Mark H. Gelber, in die tijd minder afstand van het zionisme dan voorheen. Dat valt zijns inziens af te leiden uit het voorwoord dat Zweig op 23 april 1936 schreef voor het boek van Joseph Leftwich, What will happen to the Jews?

Zweig ondersteunt in dat voorwoord het standpunt van Leftwich dat de problemen voor de Joden in die jaren meer omvattend waren en verder reikten dan ‘Palestina’. ‘The Jewish problem is to-day much greater than Palestine’, schrijft Zweig. ‘National and international emigration should proceed side by side, and this dual form of action seems to me entirely in the tradition of Jewish history.’ ‘Should the Jews withdraw now entirely and solely to Palestine, they would thereby voluntarily subscribe to the worst suspicions of their enemies, that they were everywhere but an alien body.’

Internationale naast nationale emigratie van Joden is de gedachte, want door zich alleen op Palestina te richten aanvaardt men vrijwillig de opvatting dat de Joden overal elders slechts vreemden zijn die er niet bijhoren. Er is, aldus Gelber, sprake van een ‘doppelte Perspektive’: Palestina en Weltgeist.

Een wezenlijke verschuiving in de opvattingen van Zweig is dit niet. Wel kost het Zweig steeds meer moeite vast te houden aan Heimatlos im höchsten Sinne. Zweig wordt daadwerkelijk heimatlos. Mede daardoor voelt hij steeds sterker de verbondenheid met het Joodse volk. De dagboekaantekeningen en vooral ook de brieven van Zweig gedurende de laatste jaren van zijn leven laten dat zien.

Op 22 juli 1940, nog in New York, schrijft Zweig een brief aan zijn Braziliaanse uitgever, Abrahão Koogan. Zweig kondigt in die brief zijn komst aan en verzoekt Koogan het nodige voor hem te regelen. Het zal daarna nog een jaar duren totdat Zweig en zijn vrouw zich daadwerkelijk vestigen in de Braziliaanse plaats Petropolis, niet ver van Rio de Janeiro, ‘endlich ein Ruhepunkt’, schrijft hij aan Friderike, zijn eerste vrouw met wie hij nog steeds contact onderhoudt.

Koogan zal tijdens het verblijf van Zweig in Brazilië een belangrijke rol spelen. Hetzelfde geldt voor de liberale rabbijn Heinrich of Henrique Lemle. September 1941 schrijft Zweig aan rabbijn Lemle in antwoord op een ontvangen uitnodiging:

(…) ich muss zu meiner Beschämung bekennen, dass ich – wie die meisten Österreicher – sehr lax in Dingen des Glaubens erzogen wurde und ein Unsicherheitsgefühl in einer wahrhaft glaübigen (!) Versammlung nicht bemeistern könnte, umsomehr als ich meiner Natur gemäss immer eine Überwindung bei jeder Art Öffentlichkeit benötige. Wollen Sie es also bitte nicht als Gleichgültigkeit oder Unfreundlichkeit empfinden, wenn ich Sie bitte, diese Ehrung jemandem zuzuteilen, der ihrer innerlich würdiger ist.

In het commentaar bij de Briefe 1932-1942 staat dat rabbijn Lemle Zweig had uitgenodigd ‘zur Thoralesung am Jom Kippur, dem 1. Oktober 1941’. Daar zag Zweig tegenop. Toch moet Zweig een week eerder, op Rosj Hasjana 1941, de dienst in de grote, orthodoxe synagoge van Rio de Janeiro hebben bijgewoond. Volgens Alberto Dines zou Zweig zelf aan Abrahão Koogan hebben gevraagd hem mee te nemen: ‘Er möchte sich behütet fühlen, unter seinesgleichen Anschluss finden.’ Zweig zou dat ‘le devoir de solidarité’ hebben genoemd. Laks in geloofszaken maar met een behoefte aan de dienst in een synagoge samen met andere Joden wiens lot hij deelt.

Dines voegt daar nog aan toe dat Zweig aan Koogan, in Brazilië niet alleen zijn uitgever maar ook zijn buurman, gevraagd heeft of diens moeder voor hem typisch Joodse gerechten zou willen bereiden. Zweig zou ‘schmackhafte Platten mit Gefilltem Fisch’ hebben gekregen, door Isaak Babel ‘zinnebeeld van de gehele geschiedenis van dat gepeperde volk’ genoemd.

Zweig is op de begraafplaats van Petropolis ter aarde besteld.  Over zijn teraardebestelling heeft Zweig tweemaal op vergelijkbare wijze aan Koogan geschreven, respectievelijk op 18 en 21 februari 1942. ‘Je voudrai être enterré au cimetière de Rio de Janeiro dans la forme la plus modeste et (la) plus discrète’ en een paar dagen later ‘Je vous prie que mon enterrement soit si modeste et privé que possible.’ Voor Koogan was het duidelijk. Zweig wilde een Joodse begrafenis op de Joodse begraafplaats van Rio de Janeiro. In Petropolis was geen Joodse begraafplaats. De Braziliaanse overheid echter wenste dat de teraardebestelling in Petropolis, de woonplaats van Zweig, plaats zou vinden waarop rabbijn Lemle werd gevraagd daar de ceremonie volgens Joods gebruik te leiden.

Dines geeft in zijn boek daarvan een uitgebreid relaas en vermeldt dat ‘Rabbiner Lemle einen Abschnitt aus Zweigs Jeremias liest’. Niet is vermeld welke passage uit Jeremias is gelezen, het toneelstuk waarvan de laatste regel luidt:

                             Man kann ein Volk bezwingen, doch nie seinen Geist.

STEFAN ZWEIG IN DEN HAAG

 

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP                                                        NEDERLAND

                                           April 2019

 

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Onze Zweig-vriend Piet Wackie Eysten schreef een verhaal over het bezoek van Stefan Zweig aan Den Haag in maart 1929. In de kunstbijlage van Den Haag Centraal (DHC) werd dit korte essay op 21 maart 2019 gepubliceerd.

Voor de niet-lezers van DHC drukken wij “Stefan Zweig in Den Haag” hieronder graag af.

De bijgaande foto van Zweig laat hem bij een signeersessie in de voormalige boekhandel Dijkhoffz in Den Haag zien.

 

Met groet van

Dirk Jansen

 

 

 

 

Stefan Zweig in Den Haag

 

In maart 1929, deze maand precies negentig jaar geleden, bracht de wereldberoemde Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig (1881-1942) enkele dagen door in Den Haag. Het was zijn enige verblijf in ons land, afgezien van een vluchtig bezoek tijdens een rondreis langs diverse Europese hoofdsteden die hij als jongeman maakte in 1904. Hij heeft toen waarschijnlijk Amsterdam aangedaan, maar daarvan zijn, noch in zijn correspondentie of dagboeken, noch in zijn beroemde autobiografie Die Welt von Gestern, die in 1942 postuum verscheen, bijzonderheden te vinden. Over zijn korte bezoek aan ons land in 1929 zijn die er wel, al maakt hij ook van dat bezoek in zijn autobiografie geen melding.

 

Op zondagavond 17 maart 1929, arriveerde Zweig in Den Haag. Hij komt dan uit Brussel, waar hij in het Palais des Beaux Arts een lezing heeft gehouden over Die Europäische Idee in der Literatur. Hij zal die lezing ook in Utrecht en Den Haag houden. Zweig is op dat moment 48 jaar en op het hoogtepunt van zijn roem. Hij is de meest vertaalde auteur ter wereld, zijn boeken worden overal in enorme oplagen verkocht. Maar het zal nog slechts enkele jaren duren voordat zij in Duitsland, en kort daarna ook in zijn geboorteland Oostenrijk, door de nazi’s worden verbrand. Het is laat in de avond als hij in Den Haag aankomt. Hij neemt er zijn intrek in Hôtel des Deux Villes, gevestigd in het gebouw aan het Buitenhof waar nu de bioscoop Pathé is. Zijn vrouw Friderike is in Salzburg achtergebleven, waar de Zweigs een klein voormalig groothertogelijk jachtslot op de Kapuzinerberg bewonen. Aan haar brengt hij de volgende morgen kort verslag uit over zijn drukke programma in de Belgische hoofdstad. Hij heeft er geluncht met enkele ministers, interviews gegeven, aangezeten aan een déjeuner te zijner ere van de Belgische PEN-club, zijn rede uitgesproken (ein erstaunlicher Erfolg!) en bezoeken afgelegd bij onder anderen de weduwe van zijn vriend de dichter Emile Verhaeren en de schrijver Felix Timmermans: was habe ich alles getan in 2 Tagen! En nu wacht hem ook in Den Haag een druk programma.

 

De uitnodigingen van de Oostenrijkse en Duitse ambassadeurs die hij bij aankomst in zijn hotel heeft aangetroffen, zegt hij af – als hij tijd had ging hij liever naar het Mauritshuis, schrijft hij zijn vrouw. ’s Middags moet hij naar Utrecht, waar hij voor de Duitsch-Nederlandsche Vereeniging de lezing die hij in Brussel heeft gehouden, herhaalt. Na een diner met bestuursleden van de Duitsch-Nederlandsche Vereeniging, keert hij laat in de avond in zijn Haagse hotel terug. De volgende dag, dinsdag 19 maart, staat een signeersessie op het programma bij de (nu helaas niet meer bestaande) Boekhandel Dijkhoffz aan de Plaats, à deux pas dus van zijn hotel. ‘Een allergezelligste thee’, rapporteert de Haagsche Courant de volgende dag, waarbij – een ‘uit het buitenland overgewaaide nouveauté’, volgens de krant – de auteur ‘zijn werken desgevraagd signeerde.’ Het was ‘een gemoedelijke middag, van een soort zooals wij er gaarne méér zouden wenschen.’

 

Die avond houdt Zweig in Pulchri Studio aan het Lange Voorhout opnieuw zijn voordracht over de Europese literatuur. Sinds de verschrikkingen van de oorlog en de onderlinge SZ in NL/DHC 2 vijandschap tussen Europese staten groeit er in ons werelddeel een sterke behoefte aan eenheid in de cultuur, een ‘einheitliche Europäische Literatur’, betoogt Zweig. Vooral voor Nederland, gelegen tussen de drie grote taalgebieden, ziet hij hier een taak. Hij stelt zijn gehoor Erasmus ten voorbeeld, die hij het ‘geestelijk brandpunt van Europa’ noemt. Zijn eigen Triumph und Tragik des Erasmus, waarin hij zijn held tekent als de antifanatieke humanist die hij ook zelf trachtte te zijn, zou enkele jaren later verschijnen.

Zweig is volgens de krant de aangewezen man om over de Europese cultuur te spreken. Zijn werk is immers vertaald in alle Europese talen, inclusief het Nederlands. ‘Geen plaatsje was dan ook gisterenavond onbezet in Pulchri Studio’, besluit het bericht.

Een uitgebreid souper tot laat in de avond in Restaurant Royal, aan de overzijde van het Lange Voorhout (dat ook al niet meer bestaat), ‘mit 70 Personen’, besluit de dag, rapporteert Stefan aan Friderike. De volgende ochtend moet hij om half zeven opstaan om zijn trein te halen naar Göttingen (‘verder van Den Haag dan ik dacht’). Ook daar staat zijn voordracht op het programma, idem twee dagen later in Hannover, daarna via Berlijn naar huis.

 

Bij thuiskomst schrijft hij kort over zijn reis aan de Franse schrijver Romain Rolland, met wie hij nauw bevriend is. De summiere samenvatting van zijn bezoek aan de Lage Landen is weinig opgewekt. De Belgen vindt hij ‘dom en zwaar op hand’ en ‘Holland verveelt zich in zijn rijkdom’, schrijft hij aan Rolland. Zijn korte verblijf in Den Haag zou Zweigs enige (geboekstaafde) bezoek aan ons land blijven. In oktober 1933 huren Stefan en Friderike een appartement in Londen. Daar kan hij in de bibliotheek van het British Museum ongestoord aan zijn biografie van Maria Stuart werken.

Als vier maanden later op de absurde verdenking van verborgen wapenbezit zijn huis op de Kapuzinerberg door agenten van de semi-fascistische Heimwehr wordt doorzocht, verlaat hij Oostenrijk voorgoed.

 

Na enkele jaren in Engeland te hebben gewoond, waar hij en zijn tweede vrouw Lotte Altmann het Britse staatsburgerschap verkrijgen, en een kort verblijf in de Verenigde Staten, vestigen zij zich uiteindelijk in Brazilië, waar zij op 22 februari 1942 gezamenlijk zelfmoord plegen.

 

 Piet Wackie Eysten,

auteur van het recent verschenen Tragiek van een komedie, over de samenwerking van Stefan Zweig met Richard Strauss.

lyriek erich kästner

Dr. Erich Kästners Lyrische Huisapotheek

Piet Wackie Eysten

In de vorige Nieuwsbrief besprak ik in korte trekken de levensloop van de Duitse schrijver en dichter Erich Kästner (1899-1974). Stefan Zweig had hem, vertelde ik, in januari van het noodlotsjaar 1933 gelukgewenst met zijn drievoudige succes als schrijver. Kort daarna, in 1936, verscheen Kästners bundel Dr. Erich Kästners Lyrische Hausapotheke, een verzameling ‘poëtische huismiddeltjes uit het medicijnkastje van dokter Erich Kästner’, aldus de flaptekst, ‘berijmde recepten tegen Weltschmerz en andere Störungen des seelischen Gleichgewichts’. Dat deze bundel jaren later grotere bekendheid kreeg en onlangs ook in Nederlandse vertaling verscheen, is te danken aan de destijds gevreesde Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki (1920-2013), op televisie jarenlang de vinnige presentator van het literatuurprogramma Das literarische Quartett. Of eigenlijk aan Teofila, Ranicki’s vrouw.

Het Warschauer getto

Reich-Ranicki was als Marcel Reich geboren op 2 juni 1920 in de Poolse stad Włocławek. Vanaf 1929, het verschijningsjaar van Kästners Emil und die Detektive, woonde hij met zijn ouders in Berlijn. Hij ging er, evenals Emils kameraden, op school. In 1938 werd hij wegens zijn joodse afstamming uitgewezen naar Polen. Na de Duitse invasie van september 1939 werd hij gedwongen in het getto van Warschau te wonen. Zijn beschrijving van de hel die het leven daar geweest moet zijn in zijn autobiografie Mein Leben is huiveringwekkend. Hij leerde er in januari 1940 een meisje van zijn leeftijd kennen, Teofila Langnas, eveneens in Polen geboren. Zij deelden een hartstochtelijke liefde vóór – , en leden onder een navenant gemis áán kunst, literatuur en muziek.

Het viel in het getto niet mee goede boeken te pakken te krijgen. In zijn autobiografie vertelt Reich-Ranicki dat hij uitgekeken was geraakt op de ridders en de rovers, de helden en de houwdegens uit de boeken van Karl May en diens gelijken. Nee, dán Emil und die Detektive van Erich Kästner, hoewel dat een ‘roman voor kinderen’ werd genoemd. Emil en zijn kompaan Gustav stonden hem heel wat nader dan Winnetou en Old Shatterhand. Zij opereerden met hun bende van amateur-detectives in de straten van Berlijn, die de jonge Marcel zo vertrouwd waren; hij verstond hun taal.

Door een toeval – hij zag het bij een vriend – kreeg Marcel Kästners Lyrische Hausapotheke in handen: hij mocht het lenen. Zijn oude liefde voor de schrijver herleefde zodra hij het eerste gedicht uit die bundel, Das Eisenbahngleichnis, las. Hij wilde het boekje ‘unbedingt’ hebben. Maar het was natuurlijk nergens te krijgen en het van zijn vriend geleende exemplaar moest terug. Samen met zijn vriendin Teofila, die Tosia werd genoemd, las en herlas hij de gedichten. Marcel koos 56 van de in totaal 119 gedichten uit. Tosia schreef ze voor hem gekalligrafeerd over en voorzag ze van illustraties. Deze selectie bond zij samen tot een bundeltje, dat zij Marcel op zijn 21e verjaardag, 2 juni 1941, cadeau gaf. Nooit, schrijft hij in Mein Leben, heb ik een mooier cadeau gekregen, een waaraan zoveel moeite was besteed – en zoveel liefde. Een jaar later trouwden Marcel en Tosia met elkaar.

De ontstaansgeschiedenis van deze geïllustreerde en gebundelde bloemlezing kan natuurlijk de appreciatie voor Kästners dichtwerk door de anders altijd zo kritische literatuurpaus hebben beïnvloed. Maar er was ook iets anders. Ook hier speelde de authenticiteit van alledaagse taal een rol. Natuurlijk beseften ook Marcel en Tosia dat het hier niet ging om grote poëzie, hij noemt het in zijn herinneringen Gebrauchslyrik. Wat wil je anders van een huisapotheek, een medicijnkastje voor huismiddeltjes. Onder de schijnbaar uitzichtloze omstandigheden waarin zij in het getto verkeerden sprak een simpele dichtregel als ‘Es gibt nichts Gutes, / ausser: man tut es!’ hen meer aan dan de hoogdravende verzen van Hölderlin, Stefan George of Rilke. Zij lazen en herlazen de alledaagse-taal-gedichten uit Kästners huisapotheek met een gevoel van herkenning. Voor verhevener poëzie leek Marcel tijdelijk geen antenne meer te hebben, zoals je soms ineens een zwak hebt voor Gershwin als je geen geduld meer opbrengt voor de symfonieën van Bruckner, schrijft hij. Deze ‘gebruikspoëzie’ herinnerde hem aan zijn jeugd, aan de jaren twintig in Berlijn en aan de cultuur van Weimar, die hem zo gefascineerd had en die voorgoed verdwenen leek.

Vele jaren later, in de herfst van 1957, bezocht Reich-Ranicki de door hem destijds zo bewonderde schrijver, die toen in München woonde, voor een interview. Hij toonde na afloop van het vraaggesprek Kästner het unieke, wat beduimelde exemplaar van diens geïllustreerde Hausapotheke. De aanblik van zijn in het Warschause getto zo liefdevol gekalligrafeerde gedichten ontroerde Kästner. ‘Ik geloof dat de mondaine dichter tranen in zijn ogen kreeg’, schreef Reich-Ranicki later.

 

Een Nederlandse vertaling

De eind vorig jaar overleden dichter en vertaler Paul van den Hout (1939-2015) heeft Kästners gedichten in het Nederlands vertaald. Bij mijn laatste bezoek aan hem, eind november 2015, slechts enkele dagen voor zijn overlijden, overhandigde hij mij het manuscript van zijn vertalingen. Zij waren tot dan toe onuitgegeven gebleven. Toen ik ze thuis las besefte ik hoe onverdiend dat was. De historische context van dit unieke bundeltje, de subtiele, soms tedere, soms ironische toon van de gedichten en de kwaliteit van de vertalingen deden mij beseffen dat ik iets bijzonders in handen had. Het kon niet moeilijk zijn hier een uitgever voor te vinden.1)

Paul en ik kenden elkaar uit Leiden, waar wij allebei, hij uit Groningen, ik uit Den Haag, in september 1958 als eerstejaars studenten aankwamen, hij om er klassieke talen te gaan studeren, ik zou op de bekende vraag of ik ging studeren of rechten ging doen ‘het laatste’ hebben moeten antwoorden. Wij werden clubgenoten, maar verloren elkaar na Leiden al vrij snel uit het oog. Zijn leven was avontuurlijker dan het mijne.

Pas vele jaren later vonden Paul en ik elkaar terug. Na één of twee jaar Leiden was Paul naar Groningen vertrokken om daar zijn studie voort te zetten. Daar was hij bevriend geraakt met Jean Pierre Rawie en Driek van Wissen. Hij had vooral als vertaler naam gemaakt. Hij vertaalde onder andere Margaret Atwoods The blind murderer, dat in 2000 verscheen als De blinde huurmoordenaar en Stephen Fry’s The stars’ tennis balls, door Paul vertaald als Speelbal. Jarenlang was hij vaste medewerker van het literaire tijdschrift De Tweede Ronde. Paul was door de vertaling van Vikram Seths roman in verzen The Golden Gate in de ban geraakt van de zogeheten ‘Oneginstrofe’, de versvorm waarin Poesjkins Jevgeni Onegin is geschreven. De circa 600 (!) sonnetten waaruit Seths roman bestaat, vertaalde Paul in volmaakte Nederlandse equivalenten. Van den Hout is erin geslaagd, schreef recensent Gert Jan Vincent in Trouw (december 1995), door een soepel toegepast enjambement Seths natuurlijke verteltrant te bewaren, zodat je geen moment het gevoel hebt gehinderd te worden door een knellend rijmcorset. Ook in Dr. Kästners Lyrische Huisapotheek is de hand van een meestervertaler te herkennen. In zijn bundel Oud heden heeft Paul naast eigen werk ook enkele vertalingen opgenomen, onder andere van gedichten van Kästner. Hij moet met deze Duitse dichter verwantschap hebben gevoeld. Poëtische lichtvoetigheid, die soms van weemoed is doortrokken, kenmerkt beider werk.

 

1) De bundel is verschenen bij uitgeverij De Wilde Tomaat te Amsterdam (www.dewildetomaat.nl), in beide talen en met de originele illustraties van Teofila Langnas.

 

 

 

 

DAS EISENBAHNGLEICHNIS

Wir sitzen alle im gleichem Zug

Und reisen quer durch die Zeit.

Wir sehen hinaus, wir sahen genug.

Wir fahren alle im gleichem Zug.

Und keiner weiß, wie weit.

Ein Nachbar schläft. Ein andrer klagt.

Der dritte redet viel.

Stationen werden angesagt.

Der Zug der durch die Jahre jagt,

kommt niemals an sein Ziel.

Wir packen aus. Wir packen ein.

Wir finden keinen Sinn.

Wo werden wir wohl morgen sein?

Der Schäffner schaut zur Tür hinein

und lächelt vor sich hin.

Auch er weiß nicht, wohin er will.

Er schweigt und geht hinaus.

Da heult die Zugsirene schrill!

Der Zug fährt langsam und hält still.

Die Toten steigen aus.

Ein Kind steigt aus. Die Mutter schreit.

Die Toten stehen stumm

am Bahnsteig der Vergangenheit.

Der Zug fährt weiter, er jagt durch die Zeit.

Und niemand weiß, warum

Die erste Klasse ist fast leer.

Ein dicker Mensch sitzt stolz

im roten Plüsch und atmet schwer.

Er ist allein und fühlt das sehr.

Die Menschheit sitzt auf Holz.

Wir reisen alle im gleichem Zug

zur Gegenwart in Spe.

Wir sehen hinaus, wir sahen genug.

Wir sitzen alle im gleichem Zug.

Und viele im falschem Coupé.

 

DE SPOORWEGMETAFOOR

We stuiven allen in één trein

dwars door de tijd heen, enkele reis.

Het uitzicht boeit, of doet ons pijn.

We zitten allen in één trein

en voor dezelfde prijs.

Eén buurman slaapt. Een ander klaagt.

De derde knikt verstrooid.

Naar kaartjes wordt niet eens gevraagd.

De trein die door de jaren jaagt,

bereikt zijn eindpunt nooit.

We pakken in. We pakken uit.

We vinden zin noch grond.

We gaan naar morgen, naar verluidt.

De conducteur kijkt door een ruit,

een glimlach om zijn mond.

Ook hij weet niet, waarheen hij wil.

Hij zwijgt en loopt weer door.

Dan snerpt de stoomfluit, hoog en schril.

De trein vertraagt. Dan staat hij stil.

De doden stappen uit.

Een kind stapt uit. Zijn moeder schreit.

De doden, stram en stom,

staan langs perron “Vergetelheid”.

De trein rijdt door, raast door de tijd,

en niemand weet waarom.

De eerste klas is leeg welhaast.

Alleen een dikzak vouwt

zijn vet in ’t pluche en puft en blaast.

Hij zit alleen, geenszins verbaasd.

De rest zit op hard hout.

We reizen allen in één trein

Op weg naar ons heden-in-spe.

Het uitzicht boeit, of doet ons pijn.

We zitten allen in één trein,

vaak in de verkeerde coupé.