Uncategorized

STEFAN ZWEIG IN TURKIJE

 

AHMET ARPAD

STEFAN ZWEIG IN TURKIJE

 

Burhan Arpad was schrijver, journalist en de eerste vertaler van Stefan Zweig in Turkije. In 1943 verscheen zijn vertaling van Sternstunden der Menschheit, gevolgd door Verwirrung der Gefühle, Der Amoklaüfer, Schachnovelle, Joseph Fouché , de briefwisseling tussen Stefan Zweig en Friderike von Winternitz, Die Welt von Gestern en meerdere vertellingen en novellen. Het is te danken aan mijn vader Burhan Arpad dat Stefan Zweig in Turkije bekend en geliefd werd.

Niet alleen zijn romans en novellen, ook zijn essays, maar  vooral zijn biografieën worden in Turkije graag gelezen. Drei Meister hoort tot de meest verkochte boeken en zijn in Turkije in meerdere oplagen verschenen. Veel Zweiglezers zien de werken als historische bronnen. De Turkse lezer waardeert in de werken het bijzondere optimisme van Stefan Zweig. Want Zweig gelooft altijd in de macht van vrede en het goede. Hij bemoedigt en troost de lezer en schenkt hem in uitzichtloze situaties toch levensvreugde. Ik zie Zweig als de schrijver voor kritische, humanistische en vredelievende mensen.

Hij heeft zich ingezet voor een gemeenschappelijk Europa met een gemeenschappelijke cultuur. Deze gezindheid, die hij als schrijver zijn leven lang heeft uitgedragen, maakt Zweig voor de Turkse lezers zo waardevol. Voor hen zijn de beeldend neergezette personages in romans en novellen meesterlijk. De lezer gelooft dat de persoon of het landschap werkelijk voor hem staat. Zijn inlevendheid, zijn voortreffelijke waarnemingen en zijn toekomstgerichte zienswijze maken hem, ook voor de Turkse lezer, onmisbaar en onvervangbaar.

Kortgeleden verscheen in de wekelijkse boekenbijlage van de grootste Turkse krant Zaman een groot artikel over Stefan Zweig en zijn werken in Turkije. In deze kritisch getoonzette bijdrage handelt het in eerste instantie om Zweigs vertalingen. Omdat sedert 1 januari 2013 de auteursrechten van Zweigs werk zijn vrijgevallen, werd de Turkse boekenmarkt in de kortste tijd overspoeld met talloze werken van de wereldberoemde schrijver. Er zijn verscheidene Turkse uitgevers die boeken van Zweig op de markt brengen, die door verschillende, meest onbekende vertalers in het Turks vertaald werden. In het artikel is te lezen dat in Turkije bij 46 uitgeverijen 62 werken van Zweig zijn verschenen die door 57 verschillende vertalers vertaald werden.  De schijfster kritiseert deze gang van zaken, zoekt naar de oorzaken en komt tot de volgende conclusie: nadat de auteursrechten vervallen waren wilden erg veel Turkse uitgevers tenminste één werk van Zweig erg snel op de markt brengen en daarom hebben zij gelijktijdig verschillende vertalers opdracht gegeven.

Een dergelijke handelswijze levert naar mijn mening het gevaar op van een zekere respectloosheid ten opzichte van het werk van Stefan Zweig en tevens ten opzichte van zijn lezers. Bij een dergelijke overvloed van vertalingen en vertalers kan de literatuur zelve niet meer centraal staan. Zij wordt door economische overwegingen op de achtergrond verdrongen. Het vertalen van teksten van Zweig vraagt om een intensieve afwegingen ten opzichte van van gehele werk, zijn taalgebruik, zijn ideeënwereld en zijn biografie. Het komt mij onwaarschijnlijk voor dat dit met de toegepaste handelswijze te verwerkelijken is.

De lezers waarderen de stijl van Zweig:  hij is gemakkelijk leesbaar, hij vertelt alles op een eenvoudige manier, ongeacht of het in romanvorm, essay of novelle staat. Zweig is geen schrijver die alles beter wil weten, hij is een dekselse duizendkunstenaar.  De moeilijkste themas zijn bij hem lichtvoetig en begrijpelijk. Dat is danook één van de redenen waarom de Turkse lezer van Zweig houdt. Ik denk dat zijn verteltrant op natuurlijke wijze bij de Turkse lezer past. Lezers denken bij Zweig: “Hij is een van ons!”.

 

 

Dit artikel is de vertaling van ZWEIG FÜR TÜRKISCHE LESER  door de Turkse journalist Ahmet Arpad   verschenen in Zweigheft 14 van het Stefan Zweig Centre Salzburg.

DE KWALITEIT VAN STEFAN ZWEIG (?)

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP NEDERLAND

DISCUSSIE OVER DE KWALITEIT VAN STEFAN ZWEIG (?)

Als ik in Wenen ben ga ik graag even een uurtje praten met Wil Rouleaux. Wil schrijft voor een aantal grote Nederlandse bladen recensies over Duitse literatuur. Ik lees ze met genoegen, want hij koppelt grote kennis aan scherpzinnigheid en een zeer kritische geest. Daarnaast delen Wil en ik onze bewondering voor veel van het werk van Joseph Roth. Hij deelt echter niet mijn waardering voor Stefan Zweig. Wil slaat de literaire kwaliteiten van Joseph Roth vele, vele malen hoger aan dan die van Zweig. Ik kan het met zijn inzicht niet geheel oneens zijn, maar bij mij overheerst de waardering voor Stefan Zweig als boeiend verteller over de geest van zijn tijd, over de angstaanjagende invloed van fanatisme en over de hoopvolle aanwezigheid van humaniteit.
In onze gesprekken stelt Wil zich steeds constructief naar mijn opvattingen op. Hij formuleert zijn bezwaren genuanceerd en raakt ook zo nu en dan positieve aspecten van Zweig’s vertelkunst aan. Een paar jaar geleden heeft hij zelfs, bij een kort verblijf in Nederland, voor ons Genootschap een boeiende lezing over Zweig gehouden.
In “Letter en Geest” de literaire bijlage van Trouw op 10 december jl. stipt Wil in zijn recensie over twee nieuwe uitgaven van Joseph Roth boeken (Joden op drift en Biecht van een moordenaar) ook even Stefan Zweig aan. Hij noemt Zweig “de soms twijfelachtige landgenoot” van Joseph Roth. Die formulering suggereert op z’n minst dat hij vraagtekens achter Zweig zet, maar hij laat het “waarom” en “hoe” in het midden. Het kan slaan op zijn literaire kwaliteiten, op zijn enorme productiviteit, op zijn persoonlijkheid. Het zal waarschijnlijk niet slaan op de rol van twijfel in Stefan Zweig’s werk. In de humanistische vertelkunst van Zweig speelt twijfel als een positief aspect van het menselijk denken en handelen een belangrijke rol. Hij keert zich fel tegen ééndimensionaliteit, de bron van fanatisme.
Leest u zelf mee met de beginzinnen van Wil Rouleaux’ recensie onder de titel “ Zwerven zonder te weten waarom”:
“Vrijwel compleet vertaald, regelmatig herdrukt, alom bemind: bijna geen enkele klassieke Duitstalige schrijver heeft bij ons zo’n aanhoudend succes als de grote Oostenrijker Joseph Roth (1894-1939). Concurrentie heeft hij hooguit te duchten van Thomas Mann en Kafka of van zijn soms twijfelachtige landgenoot Stefan Zweig – met wie hij in vriendschap was verbonden.”

Wil, wees zo vriendelijk ons te vertellen wat je bedoelt met de “twijfelachtige landgenoot Stefan Zweig”.
Dirk Jansen

HET ANTWOORD VAN WIL ROULEAUX

Beste Dirk,

Hieronder mijn reactie op het door jou aangehaalde citaat uit ‘Trouw’ over
Stefan Zweig.

Nogmaals mijn beste wensen, het ga je goed – en uiteraard hoop ik je bij
gelegenheid weer te kunnen ontmoeten, in Wenen, Salzburg of het Vaderland.

Hartelijks, Wil

Onverminderd ambivalent en twijfelachtig sta ik tegenover het fenomeen
Stefan Zweig. Maar laat ik met het positieve beginnen. Met ‘Die Welt von
Gestern’ heeft hij volgens mij een in veel opzichten bewonderenswaardig
herinneringsboek geschreven, terecht een klassiek werk binnen de twintigste
eeuwse wereldliteratuur. Ook de voor zijn doen opvallend nuchter en zakelijk
geschreven ‘Schachnovelle’ behoort tot het beste uit zijn tijdperk. En wie
over Stefan Zweig oordeelt mag natuurlijk zijn generositeit en
hulpvaardigheid tegenover minderbedeelden nooit vergeten; hij heeft in een
moeilijke tijd veel collega’s (en ook onbekenden) financieel en anderszins
royaal gesteund. Kortom, hij was een echte humanist.

Daar staat tegenover dat ik veel novellen van Zweig alsmede zijn enige roman
‘Ungeduld des Herzens’ en vooral zijn talrijke geromantiseerde biografieën
welhaast ongenietbaar vind door hun sentimentaliteit, pathetiek en
gezwollen-bombastische taalgebruik. Superlatieven en aaneengeregen
adjectieven zijn hier schering en inslag. Alsof Zweig aan zijn eigen
zeggingskracht twijfelde, of het bevattingsvermogen van de lezer
onderschatte. Clichés wist hij lang niet altijd te vermijden. Wat dit
laatste betreft: onvergetelijk vind ik nog steeds de ironisch-kritische
opmerking van Joseph Roth in een brief aan zijn vriend en weldoener Zweig,
nadat hij zojuist een manuscript van hem had gelezen. Roth schrijft dat hij
een hekel heeft aan “een lente die zijn schaduw vooruitwerpt.”

Roth was niet de enige die Zweigs stijl hekelde. Thomas Mann vond hem
blijkens een dagboeknotitie uit 1942 “dwaas, slap en smadelijk”, en de
strenge en zich levenslang miskend voelende Robert Musil wilde op de vlucht
voor de nationaal-socialisten onder geen beding naar Brazilië, want “daar
zit Zweig al”. Waarschijnlijk hebben jaloezie en broodnijd ook een rol
gespeeld bij de negatieve oordelen van zijn collega’s, want Zweig was en is
wereldwijd een van de populairste Duitstalige schrijvers. In Frankrijk
verschijnt zijn werk sinds kort in de ‘Bibliothèque de la Pléiade’, waarmee
je definitief bent doorgedrongen tot het schrijverswalhalla. In Italië en de
Engelstalige wereld klakt men eveneens met de tong bij het horen van zijn
naam. Ik denk dat veel lezers en liefhebbers van Zweig minder op stijl en
vorm letten dan op spanning en dramatiek. Zij vallen voor de smeuïgheid van
zijn werk, en voor de toegankelijke (of moet je zeggen populistische?)
manier waarop hij interessante thema’s als angst, obsessies en seksualiteit
heeft verwoord.

Ik zal Stefan Zweig ook in de toekomst blijven lezen – hoewel met de nodige
reserve – niet in de laatste plaats omdat ik geen genoeg kan krijgen van de
tijd waarin hij leefde.

Wil Rouleaux

DE REACTIE VAN STEPHAN PETERS

Geachte heer Jansen,

Mijn dank voor uw verrassende nieuwsbrief. En ja, alles rondom Zweig, Roth en al die andere grote (en soms wat kleinere) namen uit de Duitstalige literatuur (én filosofie) heeft ook al decennia mijn interesse. Je leest ze, pakt ze af en toe weer eens ter hand en je oog valt op berichten in de media die er over schrijven. Zweig en Roth naast elkaar leggen heeft iets van een onwezenlijke competitie in zich. Een rare gewoonte die we overal en van alle tijden tegenkomen. Wie was er nou een grotere schrijver; Reve, Herman of Mulisch? Met kans op Nooteboom uit het oog te verliezen. Of Mann en Hesse? Böll of Grass? Voor mij allemaal meesters op hun eigen wijze.

Roth had meer oog voor de politieke gevaren. Fileerde de situatie, je zou kunnen zeggen scherpzinniger, waar Zweig vanuit zijn achtergrond en wellicht ook zijn onvermogen om een andere wereld dan zijn eigen comfortabele voor te kunnen stellen, andere onderwerpen en verdiepingen verkoos. Maar dat maakt Roth voor mij geen grotere schrijver dan Zweig.

Morgen, een onwezenlijke dag op het wereldtoneel, is het precies 4 jaar geleden dat Wil R. de uitgave “Jede Freundschaft mit mir ist verderblich’ recenseerde in de NRC. Daar memoreerde hij ook zijn groeiende bewondering voor Zweig, niet zozeer als literair stylist maar wel als mens en wellicht als humanist. Wanneer ik zelf weer eens een Fischer bundel van Zweig pak en een novelle herlees heb ik altijd weer dat gevoel dat ik een mooie film heb gezien. Zweig pakt me gewoon, ik zie de mensen voor me, de verbeelding en psychologie zijn samen vaak het frame in zijn verhalen.

Misschien kent u de gedachte; welke literatuur zou ik nou tot mijn top 10 rekenen? En welke muziek? Voor mij heeft ‘Die Welt von Gestern” lang in dat lijstje gestaan. Naar aanleiding van deze mail pak ik het boek uit de kast en ik tref achterin een krantenknipsel uit 2007 aan. Jan Blokker beschrijft dat hij nooit wat met dit boek heeft gehad en ook in een vertaling dit werk van Zweig hem niet heeft kunnen pakken. Zelfs niet na het lezen van de biografie van Oliver Matuschek over het leven van Zweig. Jan Blokker, een man die ik altijd bewonderde om zijn journalistieke scherpe pen en analyses, vond “Die Welt von Gestern” teveel ’Sissi”. Dat mag af en toe misschien zo zijn maar tegen het licht van de huidige Europese uitdagingen kan het werk niet genoeg gelezen worden. Evenals “Der Mann ohne Eigenschaften” van Musil en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Roth (‘de melancholische balling grossierde in trefzekere observaties’ schreef Ronald Havenaar in de NRC van 5 mei 2009) is een virtuoos in scherpte en doortastendheid. Ik lees zijn werk met evenveel plezier maar het appelleert aan andere competenties van een intellectueel met een goede pen. Ieder zijn domein, of ze nu Dostojevski of Tolstoj heten. Kunst geeft troost en ook onze huidige tijd laat zien dat we er niet voldoende genoeg van kunnen hebben. Geëngageerde analytici (zoals wijlen ter Braak) of verhalenvertellers die ons empathisch vermogen ontwikkelen, geven ons de munitie tegen de groeiende lege frasen van vandaag. Zweig blijft voor mij een icoon die we momenteel met node missen. Weliswaar evenals Mann niet vooroplopend in politieke statements maar wat een prachtige woorden, zinnen en psychologische parels hebben ze achtergelaten!

(“Nein Roth, nicht hart werden an der Härte der Zeit, das heißt, sie bejahen, sie verstärken! Nicht kämpferisch werden, nicht unerbittlich, weil die Unerbittlichen durch ihre Brutalität triumphieren – Sie lieber widerlegen durch das Anderssein, sich höhnen lassen für seine Schwäche statt seine Natur zu verleugnen. Roth werden sie nicht bitter, wir brauchen Sie, denn die Zeit, soviel Blut sie auch säuft, ist doch sehr anämisch an geistiger Kraft. Erhalten Sie Sich! Und bleiben wir beisammen, wir Wenige!” (Zweig aan Roth, 25 sept. 1937 vanuit Londen).

met vriendelijke groeten,

Stephan Peters

KORTE REACTIE VAN WIL ROULEAUX

Wil Rouleaux:
Roth was niet de enige die Zweigs stijl hekelde. Thomas Mann vond hem
blijkens een dagboeknotitie uit 1942 “dwaas, slap en smadelijk”, en de
strenge en zich levenslang miskend voelende Robert Musil wilde op de vlucht
voor de nationaal-socialisten onder geen beding naar Brazilië, want “daar
zit Zweig al”. Waarschijnlijk hebben jaloezie en broodnijd ook een rol
gespeeld bij de negatieve oordelen van zijn collega’s, want Zweig was en is
wereldwijd een van de populairste Duitstalige schrijvers.

KORTE REACTIE VAN STEPHAN PETERS
Stephan Peters schrijft mij op 3 februari:
U mag Wil Rouleaux nog wel meegeven dat de ambivalentie in de relatie tussen Mann en Zweig weliswaar klopt maar dat zijn aantekening “dwaas, slap en smadelijk” uit z’n context is. Mann schrijft op 2 maart 1942 vanuit zijn luie stoel in Californië: “….Stimmen zum Tode Zweigs, den ich albern, schwächlich und schimpflich finde.” Thomas Mann vindt m.i. de dood (doelend op de zelfmoord) dwaas, slap en smadelijk, niet Zweig zelf. (2 febr)
ANTWOORD WIL ROULEAUX
Wil Rouleaux:
De opmerking van Thomas Mann in zijn dagboek van 2 maart 1942 kan grammaticaal gezien inderdaad betrekking hebben op zowel de dood van Zweig als op diens werk/persoon.
Wat tegen het eerste spreekt is dat Mann al enkele dagen daarvoor op dezelfde plaats over de plotselinge dood van Zweig schreef: “Rätselhaftes Vorkommnis”. Nu een herhaling? Nee, ik denk dat Mann hier het werk van Zweig bedoelt.
Zeker is dat Mann op diverse andere plaatsen in zijn dagboek allerminst vleiend over Zweigs oeuvre heeft geoordeeld (net als zijn zoon Klaus). Overigens heeft Thomas Mann publiekelijk juist wel positief over Zweig gesproken. Vlak na Zweigs dood bijvoorbeeld in ‘Aufbau’, het in Amerika verschijnende Duitstalige maandblad voor emigranten. Mann was zoals bekend een huichelaar, of moet je zeggen: hij was te elegant om een collega publiekelijk te bekritiseren?

Hartelijke groet vanuit old-Vienna, Wil

PS Je mag deze mail doorsturen naar de gerespecteerde Stephan Peters.

DE MENING VAN DE VERTALER VAN HET BETREFFENDE BOEK PAUL BEERS

Paul Beers
Beste Wil en Stephan,
uit de geciteerde woorden van Mann blijkt dat jullie mijn vertaling van diens dagboek hebben gebruikt.
Ik citeer nu voor de volledigheid alles wat Mann in die dagen over Zweigs dood heeft genoteerd:

Maandag 23 februari 1942
‘Telefonisch een telegram van Ch. Neider dat Stefan Zweig zich in Brazilië samen met zijn vrouw van het leven heeft beroofd. Raadselachtig voorval.’
[het lijkt mij duidelijk dat dit alleen op die dood slaat, niet op het werk]

Dinsdag 24 februari 1942
‘Over Zweigs dood in de krant, nagelaten statement, volstrekt ontoereikend.’

Maandag 2 maart 1942
‘De “Aufbau”, reacties op Zweigs dood die[‘den’] ik dwaas, slap en smadelijk vind. “Onze wereld verdwijnt.” Ik erken niet dat wat verdwijnt, mijn wereld was. Wie zal zich met het liberale humanisme identificeren.’
[ook hier blijkt toch duidelijk dat Mann alleen Zweigs dood bedoelt; en je ziet, Wil, dat in deze zelfde aantekening de ‘Aufbau’ al vermeld wordt]

DE AFRONDENDE REACTIE VAN WIL ROULEAUX

Wil Rouleaux 26-2-2017
De zogenaamde discusssie die is ontstaan over de dagboekpassage van Thomas Mann naar aanleiding van Stefan Zweigs zelfmoord is feitelijk gezocht en overbodig. De onbevangen lezer oordele zelf.
Mann schrijft letterlijk op 2 maart 1942: “Stimmen zum Tode Zweigs, den ich albern schwächlich und schimpflich finde.” (In de vertaling: ‘dwaas, slap en smadelijk’.)
Het gaat hier dus om een doodgewone accusatief (“…den ich…”), die zowel betrekking kan hebben op de dood van Zweig als op diens werk/persoon en misschien zelfs wel op beide.
Hoe de fijne meestervertaler Paul Beers nu van menig kan zijn “hier blijkt toch duidelijk dat Mann alleen Zweigs dood bedoelt” is mij een raadsel.

Ik heb eerder op jouw verzoek mijn ambivalente houding tegenover Zweigs werk enigszins onderbouwd en toen ook enkele kritische stemmen van zijn collega’s aangehaald. Ik wilde er niet te veel noemen om de indruk te vermijden dat ik tegen Zweig polemiseer, waar geen enkele aanleiding toe bestaat.
De volgende reactie van Thomas Mann in zijn dagboek van mei 1939 heb ik toen dus weggelaten. Mann schrijft daar over een tafelgesprek met zijn familieleden over de vraag welke schrijver “Die Palme der Minderwertigkeit” verdient, en hij noemt ondermeer Erich Maria Remarque, Emil Ludwig en Lion Feuchtwanger. Maar als eerste noemt hij uitgerekend Stefan Zweig. Let wel: de schrijver met wie hij uiterst vriendelijk correspondeerde en die hij in zijn Aufbau-herdenkingsartikel lof toezwaaide.

EN TENSLOTTE DE BRIEF VAN BEWONDERAAR CORRY SPIJKERS:
Dag Dirk,

Waarom is de meerderheid van Zweig lezers zo door hem geboeid? Want dat is
zijn geheim, je raakt geboeid ook ik, vanaf de eerste blz. “De wereld van
gisteren” heb ik meerdere keren gelezen. Bij een spannend boek zonder veel
literaire kwaliteiten is dat bij mij niet zo. Wat is er dan dat zo boeit?
Ik denk de stemming, je bent a.h.w. ter plekke. Dat doen niet veel hem na.
Vandaar die jaloezie ? Laat zijn criticasters maar kletsen, men zal hem nog
lang blijven lezen.

Waar kan ik wat vinden over zijn reis naar Brazilië en zijn zelf gekozen
dood, wat ik hem vanuit mijn egoïsme wel kwalijk neem.
Hij had ons nog zoveel meer kunnen vertellen.

Hartelijke groet

Corrie Spijkers

DUITSERS EN FANATISME

 

 

     

 

Beste vriendinnen en vrienden,

 

Afgelopen zondag had ik het genoegen een lezing te geven over “Stefan Zweig en fanatisme” op uitnodiging van een vereniging van in Nederland werkzame Duitsers. De opkomst was niet groot, maar de discussie achteraf daarentegen zeer interessant.

Mijn verhaal gaat over de wijze waarop Stefan Zweig zijn afkeer van fanatisme in zijn verhalen weet te verwerken. Vooral zijn geromantiseerde biografie “Triumpf und Tragik des Erasmus von Rotterdam” leent zich uitstekend voor dit doel. Zowel het verhaal van de verbeten strijd tussen de intellectueel Erasmus en de populist Luther, als het taalgebruik en de citaatkeuze van Zweig scheppen een kleurrijk beeld van de opvattingen van Stefan Zweig over fanatisme.

Het verhaal wordt echter grimmiger als de indringende dreiging die er van groepsfanatisme op de menselijke geest en op de maatschappelijke verhoudingen aan de orde komt. Omdat beelden en muziek een verhaal vaak sterk kunnen ondersteunen gebruik ik onder meer een scene uit de film Cabaret van Bob Fosse. Hierin wordt, vrij indringend, het ontstaan van groepsfanatisme in beeld gebracht. Een jongeman uit de Nazi-beweging brengt door het zingen van een lied een menigte vreedzaam bier en thee drinkende Duitsers in vuur en vlam.

Voor een zaal met Nederlanders werkte deze aanpak goed. Maar, eerlijk gezegd, vroeg ik mij toch enigszins bezorgd af hoe een Duits gehoor hierop zou reageren.

Ik kan u melden dat de intensiteit van het gesprek achteraf groot was. De betoverende werking van het opgenomen worden in groepsfanatisme en het “roesachtig” karakter werd ervan worden, door jong en oud, herkend en open besproken. Terecht werd er ook op gewezen dat het veel gelijkenis heeft met het gemeenschappelijk beleven van een voetbalwedstrijd in een stadion. Alleen maakt in het gevaarlijke groepsfanatisme geweld vaak deel uit van het gebeuren. Het was goed en indringend praten met deze Duitsers over groepsfanatisme, ook in hun eigen verleden.

 

In onze eigen tijd vlammen de voorbeelden van groepsfanatisme regelmatig weer op.  De activiteiten van IS vormen een van de verontrustende voorbeelden. De bevattelijkheid voor de verleidingen van groepsfanatisme lijken potentieel in ieder mens te schuilen. Er is vaak slechts een vonk nodig om het te activeren.

 

Maar daar gaat de lezing dan ook over: het fenomeen zelf is moeilijk te bestrijden of voorkomen. Het enige middel dat we hebben zijn pogingen het groepsfanatismeproces zichtbaar te maken, uit de halfbewuste sfeer te halen, woorden te geven, liefst met beelden en muziek. Maar dat blijft een kwetsbare poging.

 

Dirk Jansen

ONS BEZOEK AAN HET WENEN VAN STEFAN ZWEIG – Deel IV

In deze laatste impressie van onze belevenissen begin september bij de Tagung van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft in Wenen staan we stil bij een concert dat voor ons werd gegeven in de beroemde Eroica zaal van het Lobkowitz paleis. In het Wenen van Beethoven streden de oude adellijke families om de eer een werk van de grote meester in hun paleis te mogen uitvoeren. Bij ons hebben de Lobkowitzen gewonnen. Wij hoorden een uitvoering in kleine bezetting van Beethoven’s Eroica symphonie in een bewerking van Johann Hummel.

 

image2-18

Aan het einde van onze slotmiddag in Wenen zwierven we als afscheid door de stad en stonden plotsklaps tegenover het beroemde Hundertwasser wooncomplex. Deze controversiële architect bouwde al in 1986 duurzaam, kleurrijk, zonder kunststoffen en zonder rechte contouren.
In de loop der tijden zijn de kleuren wat vervaald, maar middenin de uitgestrekte woonwijken blijft de aanblik verrassend en spectaculair.
image3-21

ONS BEZOEK AAN HET WENEN VAN STEFAN ZWEIG – deel III

In de komende weken stippen wij een aantal onderwerpen aan die begin september bij de Tagung van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft in Wenen aan de orde kwamen.


KENNST DU DAS LAND WO DIE ZITRONEN BLÜHEN

Alessandro Misciasci kunnen we intussen wel de huispianist van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft noemen. Hij nam de sopraan Bettina Schweiger mee en samen brachten zij in de Eroica Saal van het Palais Lobkowitz vier versies van het Goethe lied “ Kennst Du das Land, wo die Zitronen blüh’n” ten gehore. Versies van Beethoven, Schubert, Schumann en Wolf.
Ongewild ga je luisteren en denken over de versie die jou het meest aanspreekt als vertoning van dit bekende gedicht. Je zal nooit weten welke invloed de kleurrijke en prachtig klinkende zaal had of de wijze waarop Bettina Schweiger zong, maar velen vonden de compositie van de Oostenrijker Hugo Wolf het mooist aansluiten bij de Weense sfeer.

image2-18

DE RIJKDOM VAN DE OOSTENRIJKSE LITERATUUR IN BEELD
Pas kort geleden opende het Literaturmuseum van de Oostenrijkse Nationale Bibliotheek haar poorten. In een oorspronkelijk Habsburgs gebouw waar ook de dichter Franz Grillparzer woonde. Een smaakvol ingericht gebouw waar de rijke Oostenrijkse literatuurgeschiedenis speels en op zeer informatieve wijze wordt getoond.
Vanzelfsprekend wordt ook aandacht gegeven aan het bekende en aansprekende voorbeeld van groepsfanatisme uit de tijd van Stefan Zweig: het in brandsteken door een volksmenigte van het Paleis van Justitie in 1927 in Wenen gevolgd door het doodschieten van vele demonstranten door de politie. Elias Canetti en Karl Kraus schreven boeiend en indringend over hun ervaringen op die dag. Kraus verspreidde plakkaten waarop hij de kop van de politiecommandant opeiste.
image3-21

ONS BEZOEK AAN HET WENEN VAN STEFAN ZWEIG

In de komende weken stippen wij een aantal onderwerpen aan die in Wenen aan de orde kwamen.

MEEST GEWAARDEERD, MEEST GEHAAT
In het pas geopende literatuurmuseum in de Johannesgasse in Wenen sprak Dr. Arnhilt Höfle op een inspirerende wijze over Stefan Zweig als de meest gewaardeerde en tegelijkertijd meest gehate schrijver van de vorige eeuw. Zij onderzocht, nadat ze daartoe Manderijn geleerd had, in China de oorzaken van de huidige overweldigende populariteit van Zweig in China. Haar Engelstalige proefschrift zal dit jaar worden gepubliceerd.
Meer over haar, haar studies en inzichten kunt u lezen in haar blog: arnhilthoefle.wordpress.com
image2-18

HOE ZWEIG’S JEUGD VERREGENDE…
Het was heet en broeierig in Wenen. Maar desondanks keek iedereen uit naar de rondwandeling van een uur langs de plekken waar Zweig heeft gewoond in Wenen. Kort nadat wij het gebouw hadden gezien waar hij als student een tijdlang woonde (zie foto) ging het een uur lang fors regenen. De stad en wij fristen op. Het werd wel een heel korte rondleiding.
image4-23

Stefan Zweig en Emile Verhaeren

Door: Bart De Groote
100 jaar na de sterfdag van de Belgische dichter
verhaerenzweig
De twee vrienden gezien door Frans Masereel.
Links: Emile Verhaeren. 1921. Houtsnede.
Rechts: Stefan Zweig. 1926. Oost-Indische inkt.

In 1916 stierf de grote Belgische dichter Emile Verhaeren. Zijn overlijden wordt herdacht met tentoonstellingen, hommages en andere activiteiten in België.

Alhoewel Verhaeren in het Antwerpse Sint-Amands opgroeide en een kind was van een Vlaamse moeder en een Brusselse vader, schreef hij in het Frans. In de negentiende eeuw was dat  een gewone zaak bij de Vlaamse burgerij. Stefan Zweig was een grote bewonderaar van de dichter. In De wereld van gisteren schreef hij dat  Emile Verhaeren meer dan wie ook de sterke artistieke ontwikkeling in België belichaamde. Hij vond dat de dichter voor Europa betekende, wat Walt Whitman voor Amerika was:  hij omarmde de moderniteit en probeerde die te veroveren voor de poëzie.  Zweig las vooral zijn grote, stromende hymnen graag.

Zweig was nog jong toen hij in contact kwam met de grote woordkunstenaar. Hij vertaalde de poëzie van Verhaeren in het Duits en organiseerde een lezingenreeks voor de dichter in Duitsland. Hij ging zijn idool meermaals bezoeken in Le Caillou qui bique, het gehucht in Henegouwen waar Verhaeren vaak verbleef. Ze werkten er samen en maakten er plannen. Zweig schreef in 1910 ook een biografie van de man die toen de grootste kanshebber op de Nobelprijs voor Literatuur was; de prijs ging in 1911 verrassend naar een andere Franstalige Vlaming: Maurice Maeterlinck. Dit was de enige keer dat een Belg de Nobelprijs voor Literatuur won.

Met de Grote Oorlog kwam er evenwel een kink in de kabel tussen beide literaire grootheden.  Hun landen kwamen immers tegenover elkaar te staan. De twee kozen elk, volgens de andere toch, te fanatiek partij voor hun eigen land. Vooral het oorlogsgedicht La Belgique sanglante  (Bloedend België)zette kwaad bloed bij Zweig.  Daarin beschreef Verhaeren de wreedheden, de verminkingen die de vijand zelfs met kinderen zou hebben begaan: bij gesneuvelde Duitse soldaten zouden vaak twee gruwelijk afgesneden kindervoetjes in de zakken zijn gevonden. Toen dat gedicht in november 1914 in de Duitse pers verscheen, was Zweig de wanhoop nabij.  Verhaeren, zijn grote vriend en idool, had het meest waanzinnige en afschuwelijke gedicht geschreven dat hij  zich kon voorstellen.  Zweig wist niet of hij de moed zou hebben Verhaeren te spreken over die jammerlijke leugens. Twee  jaar hadden ze geen contact, via gemeenschappelijke  vrienden en vooral via de pers bestookten ze elkaar. Zo zei Verhaeren in een interview dat hij zijn vroegere Duitstalige vrienden nu verafschuwde.

Via bemiddeling van diezelfde vrienden , waarbij vooral Romain Rolland een grote rol speelde, kwam er in 1916 een einde aan de ruzie tussen beiden: Verhaeren schreef hem, Zweig leek opgelucht. Enkele maanden later verongelukte de Belg in het station van Rouen.
Tot grote spijt van Zweig hadden ze de ruzie nooit kunnen uitpraten.

Film over het leven van Stefan Zweig

In Die Zeit van 1 juni jl. vonden wij een recensie over een nieuwe film die de laatste jaren van het leven van Stefan Zweig tot onderwerp heeft. Een interview met de filmmaakster Maria Schrader is ook opgenomen.

Vor der Morgenröte”:Brandrodung auf der Seele
Stefan Zweig floh nach Brasilien ins Exil und verzweifelte. Ein Film zeigt diese letzte Lebensphase des Schriftstellers virtuos, ohne Protz und falsche Patina.
Von Andreas Busche

image1-16

Josef Hader (l.) als Stefan Zweig und Aenne Schwarz als Lotte Zweig in einer Szene aus dem Film “Vor der Morgenröte” © X-Verleih /dpa

Die Frage ist einfach, doch die Antwort gestaltet sich kompliziert. Ob er ein Statement abgeben könne zur Situation in Deutschland, nachdem die Nationalsozialisten gerade die Wehrpflicht auf zwei Jahre erhöht haben. Der Mann blickt gequält – nicht etwa, weil er keine Meinung zur gefährlichen Entwicklung in Deutschland hätte. Aber er sei Schriftsteller, kein Politiker, entgegnet er dem Fragesteller. Er könne Werke von politischer Bedeutung schaffen, sich aber nicht auf das Niveau jener herunterbegeben, die seine Sprache für ihre menschenverachtenden Parolen missbrauchen.
Die anwesenden Journalisten auf dem PEN-Kongress in Buenos Aires 1936 reagieren mit Unverständnis auf die Aussage Stefan Zweigs. Der Österreicher zählt zu den erfolgreichsten deutschsprachigen Autoren, also erwartet die Weltöffentlichkeit von dem jüdischen Intellektuellen eine klare Stellungnahme. Doch Zweig lässt sich zu keiner Verurteilung des Hitler-Regimes hinreißen. Für den überzeugten Pazifisten ist die Situation ohnehin unerträglich: Hilflos muss Zweig aus dem Exil mitansehen, wie die Errungenschaften der westlichen Zivilisation unter dem Einfluss der Nationalsozialisten dem Untergang geweiht sind. Aber sein Schweigen, erklärt er einem Journalisten unter vier Augen, entspringt einer inneren Überzeugung: “Jede Widerstandsgeste, die kein Risiko in sich birgt und keine Wirkung hat, ist nichts als geltungssüchtig.”

“Zweig liebte das Reisen und Neuentdecken wie kein anderer – bis zu dem Moment, an dem er es musste”

Maria Schrader im Gespräch mit ZEIT ONLINE
Maria Schraders Film Vor der Morgenröte über die letzten Lebensjahre Stefan Zweigs ist weniger ein Biopic im strengen Sinne als die psychologische Studie eines Mannes, dessen humanistisches Weltbild von den politischen Ereignissen eingeholt wird. Man müsse eine Zeitschrift mit jüdischen Autoren herausgeben, schlägt er einem Kollegen vor, um den Mythos der arischen Überlegenheit zu widerlegen. Der Intellektuelle kann nicht anders, als dem irrationalen Hass mit Humanismus zu begegnen. Er verteidigt seine “Inseln der Unabhängigkeit”, wie es im Film einmal heißt, obwohl sich längst abzeichnet, dass auch diese Inseln zu verschwinden drohen. Zweig muss über London und New York nach Brasilien fliehen. Tausende Kilometer von seiner Heimat entfernt befindet er sich zwar in Sicherheit, doch seine privilegierte Situation löst in ihm Schuldgefühle aus. Jeden Tag erreichen ihn ein Dutzend Hilfsgesuche von Freunden und Kollegen, die auf seine Fürsprache hoffen, damit sie ebenfalls im Ausland ein neues Leben beginnen können.

Kino – “Vor der Morgenröte”
Maria Schrader findet in ihrer zweiten Regiearbeit ruhige, psychologisch aufgeräumte Bilder für diese inneren Konflikte. Aus sechs Kapiteln besteht ihr Film. Sechs Stationen im Leben Stefan Zweigs über einen Zeitraum von sechs Jahren, die diskret die Frage umkreisen, warum er und seine zweite Ehefrau Lotte sich am 23. Februar 1942 im brasilianischen Petrópolis das Leben nahmen. Zweig neigte zwar zu Depressionen, auch seine Romane waren von einer sanften Melancholie durchzogen. Doch Schrader interessiert sich in erster Linie für die Exil-Erfahrung, die den Schriftsteller in seinen letzten Lebensjahren in eine tiefe Verzweiflung stürzte.
Zweig suchte die Einsamkeit des Schreibens. Er lebte in Brasilien, dem “Land der Zukunft”, an das er im Exil eine literarische Liebeserklärungverfasst hatte, nicht allein, aber er blickte stets in den Abgrund der europäischen Katastrophe. Während eines Ausflugs zu den Zuckerrohrplantagen im Norden Brasiliens schaut er einmal versonnen aus dem Autofenster, sodass sich auf seinem Gesicht die Reflexionen einer Brandrodung abzeichnen. Um dieses Verhältnis von innen und außen, um die traumatische Erfahrung des Exils, die Bilder der Verwüstung auf die Seele des Menschen projiziert, geht es in Vor der Morgenröte.

Mit Josef Hader hat Maria Schrader eine kongeniale Projektionsfläche für diesen Konflikt gefunden. Die ungewöhnliche Wahl erweist sich als Glücksfall, weil die Notwendigkeit, alle Erwartungen an einen Hader-Auftritt zu unterlaufen, eine auf hochgradig kontrollierte Weise von sich selbst entfremdete Performance ermöglicht, die in ihrer subtilen Psychologie ähnlich offen und leerstellenhaft bleibt wie die Bilder von Kameramann Wolfgang Thaler. Im vertrauten Zusammenspiel zwischen Hader und Thaler, dem permanenten Austarieren von Nähe und Distanz, liegt das emotionale Zentrum von Vor der Morgenröte. Es verleiht dem Film auch seine berührendsten Momente. Eine Blaskapelle spielt beim Empfang in einem brasilianischen Dorf eine schiefe Version von An der schönen blauen Donau, wobei Zweig fast unmerklich eine einzelne Träne über die Wange läuft. Oder das Gespräch mit dem Berliner Journalisten Ernst Feder auf der Terrasse von Feders Domizil in Petrópolis: Wieder schweift Zweigs unergründlicher Blick in die Ferne, wo er im brasilianischen Urwald ein Stück Heimat zu erkennen glaubt. Der Blick nach vorne hat etwas Tröstliches, er lenkt ab von den Seelenqualen.

Maria Schrader inszeniert diese Form von Geschichtskino mit bravouröser Eleganz. Vor der Morgenröte ist in erzählerischer (das Drehbuch schrieb sie zusammen mit Jan Schomburg) und filmischer Hinsicht ein Triumph. Nie sind die Bilder – ein Kardinalfehler des deutschen Kinos – mit unnötiger Geschichtspatina behaftet, Thalers Kamerafahrten sorgen zudem für einen unaufdringlichen, fast zeitlosen Rhythmus. Seinen dokumentarischen Naturalismus hat er in jahrelanger Zusammenarbeit mit Ulrich Seidl erlernt und verfeinert. Vor der Morgenröte kommt diese Arbeitsweise zugute, weil sie Raum lässt, um den Widersprüchen Zweigs Geltung zu verschaffen. Die erzählerischen Ellipsen, auch aufgrund der Zeitsprünge zwischen den Episoden, zielen auf kein fertiges Bild von Stefan Zweig ab. Sein Seelenleben bleibt immer äußerlich. Dieser Respekt vor dem Menschen Zweig zeigt sich am besten in der eindrucksvollen Schlusseinstellung, in der der Tod gegenwärtig ist, aber ins Off verbannt durch eine Spiegelachse, die auch den filmischen Raum hinter der Kamera miteinbezieht. Es ist eine virtuose Szene, ohne mit Virtuosität zu protzen. Sie wirkt menschlich und bescheiden, wie das Werk Stefan Zweigs.

ANDREAS BUSCHE
hat schon 2002 mit dem Goethe-Institut das deutsche Filmfestival in San Francisco organisiert und für das niederländische Filmmuseum alte Filme restauriert. Er schreibt unter anderem für dietaz, den Freitag, den Rolling Stone und die konkret, die Bezeichnung “Filmjournalist” versucht er trotzdem zu vermeiden.

Een boze brief over ‘The Impossible Exile’

Tijdens mijn verblijf in Salzburg in de afgelopen weken sprak ik een goede bekende en tevens Stefan Zweig kenner, de heer Dr. Gerhard Aschenbrenner. Dr. Aschenbrenner heeft lang in het buitenland gewerkt en is na zijn pensionering teruggekeerd op zijn thuisbasis Salzburg. Momenteel bekleedt hij een bestuursfunctie in het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft.
In het gesprek liet ik mij ontvallen dat ik ‘The impossible exile’, de biografie van George Prochnik over Stefan Zweig, in zekere zin een verademing vind in vergelijking met de meeste traditionele, gedegen, wat droge Duitstalige biografieën. Hij keek mij licht verbijsterd aan en schreef mij een brief (vertaling in het Nederlands is, met zijn goedvinden, van mij). Dirk Jansen

image1-16

DE BRIEF VAN DR. ASCHENBRENNER:

The Impossible Exile
Stefan Zweig aan het einde van de wereld

De ondertitel van het boek suggereert dat het de laatste jaren of zelfs maanden beschrijft van Stefan Zweig, voordat hij samen met zijn tweede vrouw Lotte zelfmoord pleegt in Brazilië.
Maar doet hij dat ook op een behoorlijke, passende wijze?
Op een manier die recht doet aan Stefan Zweig?

Op pagina 6 beschrijft hij SZ als:

“een welgestelde Oostenrijkse burger, rusteloos zwervende Jood, grenzeloos bekende schrijver, onvermoeibare pleitbezorger van pan-Europees humanisme, mateloze netwerker, onberispelijke gastheer, huismus op het hysterische af, nobele pacifist, goedkope populist, teergevoelig gevoelsmens, hondenliefhebber, kattenhater, boekenverzamelaar, drager van krokodillenlerenschoenen, dandy, depressief, enthousiaste cafébezoeker, verwant met eenzame zielen, vrouwenliefhebber bij gelegenheid, mannenlonker, verdacht van exhibitionisme, veroordeeld fantast, onderdanig naar de machthebbers, kampioen van de machtelozen, uitgesproken lafaard ten opzichte van de aftakeling van de ouderdom, onaangedaan stoïcijns ten opzichte van de dood”

En dit alles zonder enig vraagteken.

Ik heb een ander beeld in mijn hoofd, gekregen van mijn vader die Stefan Zweig in Salzburg kende: een heel vriendelijk, zachtmoedig, nobel mens.
Dit is alles dat ik hierover wil zeggen.

Ik heb nog een kwestie: het lijkt mij al zeer twijfelachtig om de ware redenen achter een zelfmoord te willen ontwarren, het komt mij nog speculatiever, zelfs onbehoorlijk voor om te willen wroeten in de laatste aarzelingen die Lotte Zweig op haar doodsbed had, gebaseerd op de foto’s die achteraf gemaakt zijn (bladzijde 348). Des te meer na het lezen van Alberto Dines’ boek waarin hij uitlegt dat de positie van de voorwerpen door de politie is veranderd.

Onzorgvuldigheden als Herman Hesse in plaats van Hermann, Günther Anders wordt Gustav en Hermann Broch moet uit Stanford komen reizen om SZ’s feestje in New York te bezoeken, terwijl hij in NY woont, laat ik verder rusten.

Mijn grootste bezwaar tegen dit boek is het misbruik dat de schrijver maakt van Stefan Zweig om aandacht te kunnen besteden aan de ballingschap van zijn eigen familie, waaraan het grootste deel van het boek dan ook is besteed. Wat heeft SZ in vredesnaam te maken met de wilde avonturen van tante Alice (blz. 16-18), hoe grappig deze (en zijzelf) ook geweest mogen zijn. Ik weet waarover ik het heb, want ik ken Alice.

De kaft van het boek, een collage van puzzelstukjes, onontwarbaar voor minder ingewijden, zijn een goede illustratie van de algehele benadering van de schrijver.

Het is een onmogelijk boek over ballingschap (The Impossible Exile Book)

Gerhard Aschenbrenner

Stefan Zweig Evenement

Graag vragen wij aandacht voor de Stefan Zweig middag van de Liberaal Joodse Gemeente Amsterdam

Programma:
Inleiding door Sandra Geller: “Drie levens van Stefan Zweig’

Concert Jaap Mulder & Zonen (Di Gojim), Duitse en Jiddische liederen

Film ‘The Grand Budapest Hotel’, gebaseerd op de verhalen van Stefan Zweig (116 minuten). Bekroond met ‘Gouden Globe’ en vele Oscars.

Datum: zondag 1 november 2015

Tijd: 14.00 – 18.00 uur (zaal open vanaf 13.30 uur)
Entree: € 15,-, incl. hapje en drankje

Aanmelden: door middel van betaling op NL04 ABNA 0468 042 172 ten name van LJG Amsterdam onder vermelding van ‘uw naam en Stefan Zweig’. De kaartjes liggen dan klaar bij de kassa.