RILKE EN ZWEIG

Stefan Zweig en Rainer Maria Rilke

Piet Wackie Eysten

 

es scheint mir, als ob ich so sehr eines und immer dieses Eine zu sagen hätte…
(brief van Rilke aan Zweig, 14 februari 1907)

Als in 1901 zijn eerste dichtbundel, Silberne Saiten, het licht ziet, stuurt de 19-jarige Stefan Zweig een exemplaar aan de door hem bewonderde dichter Rainer Maria Rilke, zes jaar ouder dan hij. Als ‘Gegengabe’ stuurt Rilke hem een ‘Sonderdruck’ van enkele recente gedichten. Die twee brieven zijn helaas niet bewaard gebleven. Dat is jammer, want zij markeren het aarzelende begin van een bijzondere relatie tussen beide schrijvers, die elkaar pas acht jaar later in Parijs zouden ontmoeten. Vooralsnog sloegen zij verschillende wegen in.

Zweig vertaalde werk van Verlaine en Baudelaire en reisde naar Brussel, waar hij de Belgische dichter Emile Verhaeren leerde kennen. In 1904 voltooide hij zijn dissertatie over Hippolyte Taine. Rilke concentreerde zich op zijn dichtkunst. Ook hij had al op jonge leeftijd enkele dichtbundels gepubliceerd. De bewondering die Zweig voor zijn werk had, was overigens niet wederzijds. Toen in 1902 Rilkes bundel Das Buch der Bilder uitkwam, verzocht hij zijn uitgever géén recensie-exemplaar te sturen aan bepaalde recensenten, onder wie Stefan Zweig, dat waren ‘jongelui die bij gebrek aan talent enkel goedkope kritiek leveren.’

-o-

 

Rainer Maria Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag, waar in de betere kringen Duits werd gesproken. Aanvankelijk was hij door zijn vader, die zelf om gezondheidsredenen zijn militaire loopbaan had moeten afbreken, voor een carrière als officier bestemd en reeds op 10-jarige leeftijd naar de Militärunterrealschule in St. Pölten gestuurd, vanwaar hij, vier jaar later, overging naar de Militäroberrealschule in Mährisch-Weisskirchen, het huidige Hranice in Tsjechië. Deze vijf jaren militaire opleiding moeten voor de jonge poëet Rilke een kwelling zijn geweest. Hij spreekt later van een ‘afgrond van dagelijkse wanhoop’. Om gezondheidsredenen verlaat hij het instituut. Een poging om hem de Handelsakademie te laten volgen wordt evenzeer een fiasco. In 1892 keert hij terug naar Praag, doet na drie jaar eindexamen en gaat rechten studeren. Maar lang duurt ook dit niet. In 1896 verlaat hij Praag en zijn familie en gaat in München wonen, om zich daar uitsluitend aan zijn dichtkunst te wijden. Een jaar later verschijnt zijn bundel Traumgekrönt.

 

In München leert hij Lou Andreas-Salomé kennen, een getrouwde vrouw, vijftien jaar ouder dan hijzelf en intiem bevriend met beroemdheden als Nietzsche en Freud. Hij wordt verliefd op haar en reist haar, als zij naar Berlijn vertrekt, achterna. Zijn gedicht Lösch mir die Augen aus: ich kann dich sehn is door haar geïnspireerd. Het krijgt een plaats in Rilkes religieus getinte Stundenbuch, dat in 1903 verschijnt.

Met Lou en haar man reist hij in 1899 en 1900 tweemaal naar Rusland, Lou’s geboorteland, waar zij onder anderen de bejaarde Tolstoi bezoeken. Het jaar daarna leert hij tijdens een bezoek aan het kunstenaarsdorp Worpswede bij Bremen de beeldhouwster Clara Westhoff kennen. Met haar treedt hij op 28 april 1901 in het huwelijk, maar dat betekent geenszins het einde van zijn rusteloze reizen, integendeel. Hoewel hij zich aanvankelijk met Clara en hun dochtertje Ruth, dat op 12 december geboren wordt, in Westwede, een dorp vlakbij Worpswede vestigt, wordt al snel Parijs zijn ‘Wahlheimat’. ‘Diese Stadt ist sehr gross und bis an den Rand voll Traurigkeit’, schrijft hij op 11 september 1902, twee weken na zijn aankomst aan Clara. Toch, of misschien wel juist daarom, blijft Parijs de volgende jaren het vaste punt in het leven van de melancholieke dichter. Hij keert er na zijn omzwervingen steeds weer terug. Het doel van zijn reis naar de Franse hoofdstad is de beeldhouwer Auguste Rodin, bij wie Clara in Parijs heeft gestudeerd en over wie hij een publicatie voorbereidt. Hij vat een onbegrensde bewondering op voor de 72-jarige kunstenaar. Zijn monografie over de vereerde meester verschijnt in 1903. Inmiddels is, naast diverse prozawerken, zijn dichtbundel Das Buch der Bilder verschenen. Ook van zijn Stundenbuch heeft hij de eerste twee delen in deze jaren voltooid. In september 1905  aanvaardt hij een aanstelling als Rodins secretaris. Maar al na acht maanden, in mei 1906, komt het tot een breuk tussen beiden. Het is het jaar waarin zijn bewaard gebleven briefwisseling met Stefan Zweig begint.

Stefan Zweig, op 28 november 1881 geboren in Wenen, heeft zich tot dan toe vooral toegelegd op het vertalen van werk van Paul Verlaine, Emile Verhaeren en anderen. Daarnaast is in 1904 van zijn hand de novellenbundel Die Liebe der Erika Ewald verschenen. Na zijn promotie ‘mit Auszeichnung’ dat jaar (over Hypolite Taine) werkt hij aan zijn treurspel Tersites. Zijn bewondering voor Rilke is onverminderd. Aan Ellen Key, een Zweedse vriendin die ook met Rilke bevriend is, schrijft hij dat hij Rilke, ‘de grootste Duitse Lyriker’, graag zou willen ontmoeten, om hem ‘persönlich meine Verehrung zu sagen’. Via haar weet hij Rilke, die in diverse plaatsen in Duitsland lezingen houdt, tijdens diens ‘Vortragsreise’ te bereiken met het verzoek Wenen in zijn reisplan op te nemen. Daartoe is Rilke wel bereid, maar door de plotselinge dood van zijn vader op 14 maart 1904 komt het er niet van .

In 1903 is inmiddels het laatste deel van Rilkes Das Stundenbuch verschenen, een over vier boeken verdeelde verzameling gedichten waarin Rilke zijn verering voor God tot uitdrukking brengt. In Die Nation, een literair tijdschrift dat in Berlijn verschijnt, wijdt Zweig daaraan een lovende bespreking, getiteld Verse eines Gottsuchers. De gedichten, schrijft Zweig, die ‘als bomen uit de aarde tot God lijken op te rijzen,’ moeten met liefde worden gelezen, als een gebedenboek, ‘in stiller Stunde’. Hij stuurt zijn recensie aan Rilke, samen met een exemplaar van zijn eigen nieuwste dichtbundel Die frühen Kränze. Hij hoopt, als hij in april 1906 in Parijs is, Rilke daar te kunnen ontmoeten. Maar dat lukt niet, Rilke is, al weer, op reis. In een uitvoerige brief vanuit Capri bedankt hij Zweig voor de recensie en de dichtbundel. Deze brief, die van 14 februari 1907 dateert, behelst een meesterstuk aan voorzichtige, geclausuleerde en allerelegantst verwoorde kritische appreciatie van het werk van de jonge dichter Zweig. ‘Dit boek’, schrijft Rilke,

‘zal u, hoe snel u zich ook verder zult ontwikkelen, altijd dierbaar blijven. In welke richting uw verdere groei zich ook ontwikkelen moge, dit boek zal daarin altijd zijn plaats behouden, zijn plaats als startpunt, als vruchtbeginsel dat zichtbaar blijft als eerste samenvatting van stille dagelijkse groei. U zult begrijpen dat ik daarmee alleen iets goeds en belangrijks bedoel, het beste misschien wel dat men van een vroeg werk zeggen kan.’

Rilke filosofeert naar aanleiding hiervan ook over de betekenis van zijn eigen vroege werken, die hij niet wil verloochenen, maar waarvan het hem voorkomt, schrijft hij, dat hij eigenlijk steeds, en steeds opnieuw, maar één ding te zeggen heeft, zodat zij later slechts door betere, meer volgroeide formuleringen als het ware worden vervangen, en zodoende altijd iets provisorisch zullen behouden. En in hoeverre is het latere werk dan eigenlijk al definitief?, voegt hij eraan toe.

In zijn antwoord dringt Zweig er bij Rilke op aan een bloemlezing uit zijn werk samen te stellen. De verschenen bundels zijn niet allemaal meer verkrijgbaar en voor een uitgave van de verzamelde gedichten acht Rilke zelf de tijd – of beter: zijn werk – nog niet rijp. Zweig noemt het ‘tragisch’ dat mensen voor wie deze gedichten, zoals voor hem, ‘een belevenis’ zouden kunnen betekenen, er aldus van verstoken blijven. Wat zou het niet heerlijk zijn, meent hij, als men zo’n bloemlezing aan vrienden cadeau zou kunnen doen en het ‘als Geschenk lieben Leute auf den Tisch’ zou kunnen leggen.

In december 1907 verschijnen Rilkes Neue Gedichte, die hij opdraagt aan Rodin. In zijn recensie in Das literarische Echo geeft Zweig blijk het ‘nieuwe’ van deze gedichten feilloos te hebben aangevoeld. Onder invloed van de bewonderde Rodin heeft Rilke – letterlijk – oog gekregen voor het belang van de precieze waarneming van de dingen, ook in de dichtkunst. Hij spreekt zelf van ‘Ding-gedichte’. Het beroemde gedicht Der Panther in de bundel Neue Gedichte is er het meest treffende voorbeeld van.

Pogingen tot een persoonlijke kennismaking worden echter telkens door de omstandigheden gedwarsboomd. Zweig reist naar Italië, Rilke naar Praag, Breslau, Wenen, Venetië. Maar zij geven niet op. Men neemt zo moeilijk afscheid, schrijft Zweig, ‘von einer Hoffnung, die einem fast ein Bedürfnis ist’: mooi geformuleerd, maar lastig om fatsoenlijk in het Nederlands te vertalen… Ook Rilke betreurt het dat het voorlopig niet tot een persoonlijke kennismaking komt. Hij beklaagt zich over de beperkingen van het briefschrijven, ‘ohne Korrektur der Gegenrede und Gegenwart des andern.’ Maar als Zweig, bij terugkeer van een reis naar India, begin maart 1909 in Marseille voet aan land zet, gaat hij direct naar Parijs. Daar zoekt hij Rilke op. Het is hun eerste, overigens slechts vluchtige kennismaking.

Gedurende de eerstvolgende jaren is er naar het schijnt geen rechtstreeks contact geweest, beide schrijvers waren veel op reis. Zweig bezocht in deze periode voor het eerst Noord-Amerika, Canada, Panama en Cuba. Hij is zeer onder de indruk van dit voor hem nieuwe deel van de wereld. ‘Hier wird die menschliche Masse Naturgewalt’, schrijft hij bij aankomst in New York. Verder heeft hij zijn handen vol aan de voorbereiding van een lezingentournee door Duitsland met Emile Verhaeren, de publicatie van zijn novellenbundel Erstes Erlebnis en zijn toneelstuk Das Haus am Meer, waarvan in oktober 1912 de première plaatsvindt in het Wiener Burgtheater. Ook Rilke is veel op reis, onder andere naar Italië en Duitsland, waar hij, zoals vaker, in Leipzig logeert bij zijn uitgever Anton Kippenberg, eigenaar van uitgeverij Insel Verlag, en diens vrouw Katharina. Kippenberg is behalve Rilkes (èn Zweigs) uitgever ook een trouwe en hulpvaardige vriend. Het is in diens huis dat Rilke zijn enige roman, Aufzeichnungen des Malte Laurids Brigge, schrijft. Na een bezoek aan Egypte keert hij via Italië en Spanje naar Parijs terug.

Tot een  rechtstreeks contact komt het pas weer in maart 1913. Als Zweig in Parijs van Rolland en Verhaeren, die hij in die stad altijd als eersten opzoekt, hoort dat Rilke in Parijs is, laat hij prompt een bescheiden briefje bij hem bezorgen:

‘Geachte Heer Rilke,
door een gelukkig toeval verneem ik dat u weer in Parijs bent, waar ik jaren geleden  het genoegen had U voor de eerste keer te mogen ontmoeten. Ik blijf hier nog een week of drie, vier. Zoudt U in die periode een vrije avond of een niet voor Uw werk bestemd uurtje hebben dat u bereid bent aan mij op te offeren, dan doet u daarmee een groot genoegen aan Uw U in oprechte bewondering toegewijde
Stefan Zweig.’

Deze hoffelijke, bijna onderdanige formulering verraadt hoezeer Zweig nog altijd bang is zijn oudere collega tot last te zijn. Zijn dagboekaantekening van die dag luidt: ‘Ob er sich mir zeigen wird?’, ‘Of hij mij zal willen zien?’ De volgende dag ontvangt hij echter een hartelijke uitnodiging, die hij beantwoordt met een uitnodiging zijnerzijds. Hij heeft voor maandag enkele vrienden uitgenodigd voor een lunch in Restaurant Boeuf à la mode. Het zijn Emile Verhaeren (‘die vaak met warmte over u spreekt’), Romain Rolland (‘die móet u leren kennen, mijn vriendschap met hem is een van de grootste en zuiverste dingen in mijn leven’) en Léon Bazalgette, de Whitman-vertaler (‘een oude vriend’). ‘Verrukkelijk deze mensen bij elkaar te hebben, onvergetelijke uren’, schrijft Zweig ’s avonds in zijn dagboek. De door de Spaanse zon gebruinde Rilke noemt hij ‘knabenhaft mit prachtvolle Beweglichkeit, die Hände sehr zart.’ De disgenoten sturen gezamenlijk een briefkaart aan Anton Kippenberg, hun gemeenschappelijke uitgever.

De volgende dag zoekt Zweig Rilke op. Zij spreken over hun werk en dat van anderen en bezoeken samen een boekhandel. Enkele dagen later ontvangt Zweig, die een verwoed autografenverzamelaar is, van Rilke het manuscript van diens Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke. Als zij kort nadien ergens in de stad samen eten, laat Rilke zich lovend uit over Zweigs verhalenbundel Erstes Erlebnis. Behalve over gemeenschappelijke vrienden en bekenden als Rodin, Hauptmann, Verhaeren en Hofmannstahl, spreken zij ook over de stad Parijs, ‘das wir sehr gemeinsam fühlen’, noteert Zweig. Zij lopen nog samen op tot het Luxembourg voor zij ieder huns weegs gaan. Een volgende afspraak mislukt en zo vertrekt Zweig eind april naar Wenen zonder dat zij elkaar nog hebben gezien.

Het volgend voorjaar bevinden zij zich beiden weer in Parijs, waar zij elkaar dan, voor zover valt na te gaan, slechts één keer ontmoeten. Voordat het tot een tweede ontmoeting kan komen reist Rilke alweer naar Italië. Daar verblijft hij met regelmaat op het kasteel Duino, gelegen op een hoge rots aan de Adriatische kust bij Triëst, van Prinses Marie von Thurn und Taxis-Hohenlohe, die hij in 1910 in Parijs heeft leren kennen en met wie hij tot het eind van zijn leven een nauwe band heeft. De Duineser Elegien, waarvan de eerste, de tweede en deels de derde elegie daar in een vlaag van intense inspiratie in januari en februari 1912 zijn ontstaan, ontlenen hieraan hun naam. In datzelfde jaar verschijnt zijn Cornet Christoph Rilke, dat bij eerste verschijnen zes jaar eerder vrijwel onopgemerkt was gebleven, maar nu, als eerste deeltje in de beroemde Insel-Bücherei à raison van 25 ct., in een oplage van vele duizenden exemplaren enorme populariteit geniet.

 

 

Deel 2 van Piet Wackie Eysten’s essay volgt binnenkort

Comments are closed.