Stefan Zweig Genootschap Nederland Stefan Zweig Vandaag page 2

EEN ONMOGELIJKE SAMENWERKING

 

Beste Mensen,

Wij zijn van plan om in 2018 uitgebreid aandacht te geven aan de onmogelijke relatie en samenwerking tussen Richard Strauss en Stefan Zweig.

Als het mee zit met de voorbereidingen denken wij in het voorjaar van 2018 hierover een voorstelling in Den Haag  te presenteren. Wij houden u op de hoogte.

In het onderstaande artikel uit Place de l’Opera wordt een komende opvoering van Richard Strauss’ laatste opera Capriccio beschreven.

Het was Stefan Zweig die Strauss, tijdens hun samenwerking aan Die Schweigsame Frau, op het spoor  van deze opera zette.

Het werk werd pas in 1942 opgevoerd. Het jaar waarin Zweig zijn heimwee naar Europa niet meer kon verdragen. Tevens de jaren waarin Strauss googelde met zijn kunstenaarschap in Nazi-Duitsland en daarin zijn eer verloor.

Dirk Jansen

 

Camilla Nylund excelleert in Capriccio

 

De Oper Frankfurt brengt dit seizoen een nieuwe productie van Capriccio, de laatste opera van Richard Strauss. De enscenering van Brigitte Fassbaender is niets minder dan briljant en Sebastian Weigle toonde zich afgelopen zondag een uitnemend Strauss-dirigent. Maar Camilla Nylund stal de show.

 

Toen Richard Strauss met Stefan Zweig samenwerkte aan het project Die schweigsame Frau stuitte deze op Giovanni Battista Casti’s libretto Prima la music a, poi le parole, dat ooit door Antonio Salieri was gebruikt. Zweig leverde de nodige ideeën aan voor een versie die zou kunnen aansluiten bij het werk van Strauss. Later werd deze rol overgenomen door Joseph Gregor, Strauss’ nieuwe librettist. Uiteindelijk nam de maestro zelf het werk ter hand en voltooide samen met dirigent Clemens Krauss het libretto voor dit ‘Konversationsstück für Musik’.

Het werk werd gecomponeerd in 1940 en 1941 en ging in München in première op 28 oktober 1942, toen de oorlog in alle hevigheid woedde en de holocaust in volle gang was. Velen hebben zich erover verbaasd dat Strauss in die tijd met een werk kwam dat handelde over zoiets triviaals als het primaat onder de kunsten, meer in het bijzonder het woord en de muziek. Toch is dat niet zo verwonderlijk.

Om te beginnen was Strauss een volstrekt apolitiek persoon, die nazibobo’s beoordeelde op grond van hun gedrag in de sociale omgang. Waren ze vervelend tegen hem, dan was dat een minpunt. Waren ze vriendelijk, dan was hij meegaand. Bovendien had Strauss er geen enkel persoonlijk belang bij de toenmalige regering tegen zich in het harnas te jagen, vanwege zijn Joodse schoondochter. Mede hierdoor heeft zij de oorlog kunnen overleven.

Daarnaast is er de artistieke afstandelijkheid die wordt gesuggereerd in de opera zelf als de actrice Clairon zegt: “Wenn wir in unsere Welt des Scheins der Wirklichkeit zu nahe kommen, so ist die Kunst in Gefahr sich die Flügel zu verbrennen.” Kortom, opera dient geen direct verband te hebben met de actualiteit, een uitgangspunt dat ook vandaag de dag voor verdeeldheid zorgt tussen regietheateradepten en zij die opera zien als ‘een noodzakelijke luxe’ die de bezoeker de gelegenheid geeft zich even aan de zorgen van alledag te onttrekken.

Olivier en Flamand

‘Wort und Ton’ worden in Capriccio gepersonifieerd door respectievelijk de dichter Olivier en de componist Flamand. Zij proberen elkaar de loef af te steken op hun vakgebied. Tegelijkertijd dingen ze naar de hand van de gravin, de jeugdige weduwe Madeleine, die hun gastvrijheid biedt op het kasteel dat zij deelt met haar broer. Centraal in het verloop van de handeling staat een sonnet van de zestiende-eeuwse dichter Pierre de Ronsard dat zogenaamd door Olivier is geschreven.

Olivier probeert indruk op de gravin te maken door zijn tekst vol gevoel te declameren, maar zij wordt er slechts matig door bewogen. Intussen ziet Flamand zijn kans schoon en zet het gedicht razendsnel op muziek. Als hij het voorzingt, gaat er een wereld voor Madeleine open; nu vind ze het pas echt ontroerend. Hoewel de strijd begrijpelijkerwijs in de opera onbeslist blijft, is duidelijk dat Flamand en zijn muziek een streepje voor hebben. Dat was ook wel te verwachten in een libretto van de hand van een componist en een dirigent.

Lange melodielijnen vielen Straus, die al tegen de 80 liep, niet meer in. Maar uit zijn beperkte muzikale ideeën wist hij wel alles te halen wat erin zat. Het sonnet krijgt van Strauss een prachtige melodie, waarvan het motief door de hele opera heen loopt en centraal staat in de prachtige slotscène ‘Morgen Mittag um elf’. De ‘Mondscheinmusik’ die deze scène inluidt is één van mooiste stukken die Straus heeft geschreven, met een grote solo voor hoorn. Ook dit thema kan de oplettende luisteraar al op eerder momenten in de muziek ontwaren.

Strauss en Krauss hebben gekozen voor 1777 als jaar van handeling. Het is een periode waarin de hervorming van de opera door Gluck voor veel ophef onder het Parijse theaterpubliek zorgde en hen in twee kampen verdeelde. Tegenwoordig zou dat op voor- en tegenstanders van ‘regisseurstheater’ kunnen slaan. Fassbaender heeft het stuk echter verplaatst naar de tijd van het Vichyregime, tevens de tijd waarin het werk zijn première beleefde.

De dubbele keuze – muziek of dichtkunst, plus de bijbehorende kunstenaar – krijgt hiermee een extra dimensie: het besluit om wel of niet in het verzet te gaan. Onze gravin blijkt die keuze al lang tevoren gemaakt te hebben. Het doet denken aan de film L’armée des ombres van Jean-Pierre Melville, waarin een teruggetrokken kamergeleerde tot ieders verrassing het hoofd van de Résistance blijkt te zijn.

Het decor en de kostuums zijn van Johannes Leiacker, tot in de puntjes verzorgd en geheel in overeenstemming met de gekozen periode. De speelruimte wordt gevormd door een overmaatse serre, die aan de achterzijde toegang lijkt te geven tot een theaterzaal. We bevinden ons dus op een château, zo’n voorziening hoeft geen vervreemding te wekken. De serre is spaarzaam gemeubileerd, niet meer dan een tafel en een paar stoelen.

Camilla Nylund als de gravin met AJ Glueckert als Flamand (links) en Daniel Schmutzhard als Olivier in Capriccio bij de Oper Frankfurt. (© Monika Rittershaus)

De personenregie van Fassbaender is tot in de kleinste details uitgewerkt. Bij voortduring is er sprake van waarneembare interactie tussen alle aanwezigen, ook wanneer zij niets te zingen hebben. Zo worden ook de Haushofmeister en de acht bedienden van meet af aan in de handeling betrokken en ook de aankomst van de danseres en de Italiaanse zangers krijgt de volle aandacht.

Opvallend is ook de rol van de souffleur Monsieur Taupe. Hij is al direct in beeld en blijkt een zeer nieuwsgierig mannetje te zijn. De indruk wordt gewekt dat hij een spion is die na moet gaan of het kasteel een centrum van het verzet is. Graham Clark speelde zijn personage fraai uit, een hybride van Mime en een typetje van Louis de Funes.

Perfecte Strauss-heldin

De twee kemphanen Olivier en Flamand werden uitstekend vertolkt door respectievelijk Daniel Schmutzhard en AJ Glueckert. De graaf was in goede handen bij Gordon Bintner en Tanja Ariane Baumgartner speelde de actrice Clairon met mooi gedoseerde sterallures.

Terwijl de strijd tussen Olivier en Flamand woedt, weten ze elkaar te vinden in hun kritiek op theaterdirecteur La Roche. Dit personage wordt door velen gezien als een goedmoedige karikatuur van de Oostenrijkse theaterdirecteur Max Reinhardt, die samen met Strauss aan de basis stond van de Salzburger Festspiele. La Roche heeft als enige man een lange monoloog in het stuk en weet daarin iedereen op het toneel ‘plat te krijgen’. Bas Alfred Reiter wist mij op dit punt echter niet geheel te overtuigen. Ik vond hem wat te licht voor zijn rol en te veel klinken als een karakterbariton met een wat hese stem. Declamatorisch zat het wel goed, maar zangtechnisch was het wat minder.

Daar was bij Camilla Nylunds vertolking van de verliefde gravin Madeleine – maar op wie, of op beiden? – in het geheel geen sprake. Nylund is een gravin in de traditie van Elisabeth Schwarzkopf en Lisa della Casa; uiterlijk wat afstandelijk en onderkoeld, maar met onderhuidse sensualiteit. De perfecte Strauss-heldin. Haar slotmonoloog ‘Morgen Mittag um elf’ was van een overweldigende schoonheid. Strauss zou haar zonder meer gecomplimenteerd hebben.

Aan het einde van haar bespiegelingen wisselt ze van kleding. De Haushofmeister reikt haar een vaal groene mantel en donkere baret aan en in één klap is de voorname Madeleine getransformeerd in Michelle – “I will say this only once”. Samen met haar negen man personeel gaat ze op weg voor een gewapende verzetsactie. Het is een onverwacht ontroerend einde en Fassbaender verdient een groot compliment dat ze deze actualisering met mooi uitgewerkte subplot zo doeltreffend heeft weten te ensceneren.

Sebastian Weigle gaf met vaste hand leiding aan het Frankfurter Opern- und Museumsorchester. Ook tijdens de chaotische taferelen die voorafgaan aan de monoloog van La Roche wist hij orkest en spelers uitstekend houvast te bieden, nergens gleed het maar een moment af. Luisteren naar Capriccio werkt verslavend. Het is opium voor straussianen.

Capriccio is nog driemaal te zien in februari. Zie voor meer informatie de website van de Oper Frankfurt.

door Peter Franken

Capriccio
Richard Strauss

Uitgevoerd door: Frankfurter Opern- und Museumsorchester onder leiding van Sebastian Weigle.
Solisten: Camilla Nylund, Daniel Schmutzhard, AJ Glueckert, Alfred Reiter e.a.
Regie: Brigitte Fassbaender.
Bezocht op 28 januari 2018

DIE SCHWEIGSAME FRAU IN MÜNCHEN

 

Beste lezeressen en lezers,

Piet Wackie Eysten,  onze Zweig-vriend en publicist over onder meer de relatie tussen Stefan Zweig en Richard Strauss,  reisde naar München om een zeldzame opvoering door de Bayerische Staatsoper van de komische opera Die Schweigsame Frau bij te wonen. U weet wel: de opera waaraan de componist Strauss en de libretto-schrijver Zweig  samenwerkten . Om politieke en artistieke redenen werd de opera geen groot succes.  Zweig zelf vond het stuk te lang en te zwaar geworden.

De Staatsoper  kortte de opera in en Piet Wackie Eysten vertelt ons over het ontstaan, het verhaal en zijn indrukken van de uitvoering in München.

D.J.

 

Die schweigsame Frau in München

Richard Strauss’ opera Die schweigsame Frau, waarvoor Stefan Zweig het libretto schreef, is maar zelden live te horen. Ook opnamen ervan zijn spaarzaam, meestal slechts ‘Mitschnitte’ van podiumproducties. Toen ik hoorde dat hij in de Bayerische Staatsoper in München op het programma stond, heb ik dus niet geaarzeld en ben erheen gereisd. In oude agenda’s kon ik vinden dat de eerste keer dat ik die opera hoorde veertig jaar geleden is, toen zij in 1977 tijdens het Festival van Glyndebourne werd opgevoerd onder leiding van Andrew Davis.

Vanwaar die fascinatie voor deze vrijwel geheel onbekende opera van de juist om zijn opera’s, niet minder dan vijftien in getal, zo bekende componist?

Het was de briefwisseling tussen Strauss en Zweig die mij op het spoor zette van hun gezamenlijke schepping. Strauss was in november 1933 door minister Joseph Goebbels benoemd tot President van de Reichsmusikkammer. De boeken van de Oostenrijkse schrijver van Joodse afkomst Stefan Zweig werden in datzelfde jaar door diezelfde Goebbels op de brandstapel gegooid. Een grotere tegenstelling is haast niet denkbaar. Niettemin werkten zij van af hun eerste contact in 1931 tot kort voor de première op 24 juni 1935, intensief met elkaar samen aan hun enige gezamenlijke schepping, de komische opera Die schweigsame Frau.

Door een gemeenschappelijke vriend, Anton Kippenberg, werden zij in het najaar van 1931 met elkaar in contact gebracht. Strauss was verheugd over zijn nieuwe tekstdichter. Sinds de dood van zijn trouwe librettist Hugo von Hofmannstahl in 1929 had hij tevergeefs naar een opvolger gezocht. Zweigs voorstel om Epicoene, or the silent woman, een klucht van Shakespeares tijdgenoot Ben Jonson (1572-1637), als stramien voor een komische opera te gebruiken sprak Strauss onmiddellijk aan.

In Zweigs bewerking van Jonsons komedie is Sir Morosus een gepensioneerde zeekapitein, die geen lawaai kan verdragen, zelfs niet het voortdurende gekwebbel van zijn huishoudster. Als plotseling zijn verloren gewaande neef Henry met een luidruchtig operagezelschap zijn huis binnendringt (‘eine ganze Opera in meinem Haus!’, roept hij vol afschuw uit), wordt hij woedend. Hij onterft Henry ter plaatse. De toevallig juist aanwezige barbier (had Zweig Mozarts Figaro in gedachten?) weet raad. Als Henry zijn oom aan een zwijgzame vrouw kan helpen, zodat Morosus zich van zijn praatzieke huishoudster kan ontdoen, zal alles in orde komen. Zo gezegd zo gedaan. De prima donna van het gezelschap, Aminta, tevens Henry’s geliefde, doet zich voor als een stil en bedeesd meisje. Morosus loopt in de val. Hij wordt door twee verklede artiesten uit Henry’s troep met haar in de echt verbonden. Maar zodra het huwelijk is gesloten ontpopt Aminta zich als een ontembare feeks. Zij raast en tiert en zet het hele huis op zijn kop. Morosus weet niet hoe snel hij Henry moet vragen hem van deze furie te verlossen. Geen probleem, ook voor een prompte echtscheiding kan Henry met behulp van de eveneens uit zijn troep geselecteerde Lord Chief Justice ter plekke zorgen. Morosus is zijn neef eeuwig dankbaar en herstelt hem in zijn rechten als enig en universeel erfgenaam. ‘Mein Gott, es war nicht mehr als eine Farce’, zou hij zijn collega Ochs uit Strauss’ Rosenkavalier hebben kunnen nazeggen. Met zijn verzuchting ‘Nur Ruhe, nur Ruhe!’, eindigt de opera.

Na de première in 1935 werd de opera door de nazi’s in Duitsland verboden. Strauss moest zijn positie als president van Reichsmusikkammer neerleggen, nadat een brief van hem aan Zweig door de Gestapo was onderschept en aan Hitler voorgelegd. Zweig bevindt zich dan inmiddels in vrijwillige ballingschap in Londen. Rechtstreeks contact tussen hen beiden is voortaan onmogelijk. Zweig maakte in 1942 in Brazilië, samen met zijn tweede vrouw, Lotte Altmann, een einde aan zijn leven. Richard Strauss stierf op 8 september 1949 in zijn woonplaats Garmisch op 85-jarige leeftijd.

Strauss’ enige komische opera heeft naast vele van zijn andere werken geen stand kunnen houden op de podia. Deels ligt dat zeker aan de hoge moeilijkheidsgraad van de muziek, zowel voor het orkest als voor de zangers. Het werk vereist bovendien een zeer grote orkestrale bezetting en is veel te lang, het wordt, voorzover ik weet, uitsluitend met drastische coupures uitgevoerd. Zweig, die nooit een voorstelling van ‘zijn’ opera heeft kunnen bijwonen, onderkende deze bezwaren al direct. Kennelijk afgaande op wat hij hoorde van bekenden die de première wel hadden bijgewoond, schreef hij op 26 juni 1935, twee dagen na de première, aan zijn vrouw Friderike:

‘Was die Oper selbst betrifft, so ist eines gewiss, dass sie viel zu lang ist, zweitens, dass sie wahnwitzig schwer ist, also ganz das Gegenteil dessen, was mir vorgeschwebt, keine leichte Oper sondern mit Raffinements geladen und eher erdrückend durch die Fülle. Einzelne Teile sollen hervorragend sein und der erste Akt geschlossen, dann geht es ähnlich wie bei der Arabella und der Ägyptischen Helena ins Ermüdende über. […] Von allen schweren Opern Straussens scheint diese die schwerste zu sein.’

Ook in de voorstelling onder leiding van de Hongaarse dirigent Stefan Soltesz, met regie van de Australische regisseur Barri Kosky, die ik in München bijwoonde, waren flinke coupures aangebracht. Opvallend was verder het verschil met de traditionele vormgeving die ik in Glyndebourne had gezien. Daar stelde het toneel conform Zweigs regieaanwijzingen de woonkamer van Morosus voor, vol met aan diens nautische carrière herinnerende attributen, zoals scheepsmodellen, vlaggen, wapens, verrekijkers, ankers, vistuig e.d., en met dienovereenkomstige kostuums. Op het toneel in München stond alleen een groot model rustbed, waarop Morosus ogenschijnlijk lag te slapen. De binnentredende barbier, die volgens Zweigs toneelaanwijzingen Morosus komt kappen en zijn baard komt bijknippen (zijn naam is Schneidebart), stapte hier een lenige jongeman op gympen en in trainingspak Morosus’ kamer binnen en begon als een personal coach ochtendgymnastiek met hem te doen. Morosus bleef voorlopig in pyama, maar Henry was gekleed in een hedendaags pak. Het verdere operagezelschap bestond uit een bonte verzameling komedianten in tijdloze carnavalsuitrusting. Vrijheden ten opzichte van Zweigs aanwijzingen die mij voor een klucht als deze gerechtvaardigd lijken.

De gerenommeerde bas-bariton Franz Hawlata was een schitterende Morosus, die zich voor zijn leeftijd moeiteloos over het toneel bewoog. De veeleisende rol van Aminta werd virtuoos gezongen door de Amerikaanse coloratuursopraan Brenda Rae. Zoals bekend had Strauss weinig op met tenoren, maar voor Henry, hier gezongen door de Slowaakse tenor Pavol Breslik, heeft hij een mooie rol geschreven, die met name in het korte liefdesduet met Aminta tot zijn recht komt. De finales van alle drie de aktes zijn, naar goed operagebruik, grote ensembles, alleen in de laatste akte nog gevolgd door een rustig gezongen slotmonoloog van Morosus, die dankbaar is voor de hem eindelijk gegunde rust: ‘Nur Ruhe! Nur Ruhe!’

Het valt te vrezen dat deze opera, met haar opzienbarende ontstaansgeschiedenis, voorlopig weer rust gegund zal zijn. Ook dat lijkt Zweig te hebben voorzien. In de hierboven geciteerde brief aan zijn vrouw schrijft hij:

‘Vermutlich wird die Oper ein historisches Halbleben führen wie Die Frau ohne Schatten, die Ägyptische Helena, das Intermezzo, manchmal hervorgeholt, aber keine ständige Repertoireoper und wahrscheinlich (ganz im Gegensatz zu dem was ich wollte) für kleinere Bühnen unmöglich. […] Ich bin neugierig, sie im Radio zu hören. Vielleicht hat er [RS] bis dahin schon die anscheinend sehr notwendigen Kürzungen angebracht.’

Piet Wackie Eysten

STEFAN ZWEIG IN VENETIË

 

Beste lezeressen en lezers

Mijn reis naar Venetië veroorzaakte deze maand een korte onderbreking in het zenden van nieuwsbrieven aan u.
Een bezoek aan de Biennale was een mooie aanleiding voor deze Venetiëreis, maar hoe mooi en interessant deze kunsttentoonstelling ook dit jaar weer was, de mysterieuze , melancholieke sfeer van Venetië zelf blijft voor mij steeds weer het hoogtepunt van de reis.
Voordat ik stilsta bij de relatie tussen Stefan Zweig en Venetië kan ik het niet nalaten u één foto te sturen van de stad en één foto van een kunstvoorwerp in de tuin van het Chinese paviljoen. De Venetiëfoto spreekt voor zich; het Chinese kunstvoorwerp is een koperen zuil die lijkt op hun beroemde en kunstzinnige papierknipwerk. De verrassing is een groot deel van de dag verscholen, totdat de avondzon het bovenstuk van de zuil bereikt.

Mijn Venetiëreis werd extra spannend, omdat de vakbonden op de laatste dag onverwacht een algemene staking voor het openbaar vervoer uitriepen. Het verliep op z’n Italiaans, dus met iets meer geduld kwam je uiteindelijk wel op je bestemming.
Het is een toevallige samenloop van omstandigheden dat Stefan Zweig bij zijn bezoek aan Venetië in de dertiger jaren ook getroffen werd door een algemene staking. Hij vertelt in De Wereld van Gisteren dat hij moeizaam zijn twee zware koffers door de straatjes sleept tot hij een gondelier vindt die hem, tot woede van de stakers, naar zijn hotel vaart.

Stefan Zweig werd vooral getroffen door de spelingen van het licht in Venetië. Zijn indrukken van de stad, doordrenkt met kleuren, klokken en klang heeft hij neergelegd in:

 

Sonnenaufgang in Venedig
Erwachende Glocken. – In allen Kanälen
Flackt erst ein Schimmer, noch zitternd und matt,
Und aus dem träumenden Dunkel schälen
Sich schleiernd die Linien der ewigen Stadt.

Sanft füllt sich der Himmel mit Farben und Klängen,
Fernsilbern sind die Lagunen erhellt. –
Die Glöckner läuten mit brennenden Strängen,
Als rissen sie selbst den Tag in die Welt.

Und nun das erste flutende Dämmern!
Wie Flaum von schwebenden Wolken rollt,
Spannt sich von Turm zu Türmen das Hämmern
Der Glocken, ein Netz von bebendem Gold.

Und schneller und heller. Ganz ungeheuer
Bläht sich das Dämmern. – Da bauscht es und birst,
Und Sonne stürzt wie fressendes Feuer
Gierig sich weiter von First zu First.

Der Morgen taut nieder in goldenen Flocken,
Und alle Dächer sind Glorie und Glast.
Und nun erst halten die ruhlosen Glocken
Auf ihren strahlenden Türmen Rast.

Stefan Zweig
Aus der Sammlung Fahrten

Met mijn hartelijke groet,
Dirk Jansen

HOE VIND IK STEFAN ZWEIG IN SALZBURG

Waar kan ik Stefan Zweig vinden in Salzburg?

Deze vraag is mij in deze maanden een aantal keren gesteld. Ik was afgelopen weken in Salzburg en met plezier geef ik een paar aanwijzingen.

Het huis waarin hij in Salzburg woonde van 1919 tot 1930 staat halverwege de Kapuzinerberg tegenover het Kapuziner Klooster. Toen Zweig en zijn partner Friderike von Winternitz het voormalig jachtslot kochten viel er veel aan op te knappen. Zij verbouwden het in een aantal jaren en het werd een belangrijke ontmoetingsplek van de Europese kunstwereld.

U vindt zijn huis door vanuit de Altstadt de Staatsbrücke over de Salzach te nemen en rechtdoor de Linzer Gasse in de lopen. Een paar honderd meter stijgen en aan uw rechterhand ziet u een poortgebouw dat naar de Kapuzinerberg voert . .
Vele van zijn bezoekers zullen pijnlijke kuiten hebben overgehouden aan de steile toegangsweg naar het huis. De weg, niet lang geleden omgedoopt tot de Stefan-Zweig-Weg, is omzoomd door 14 kruiswegstaties met kleurrijke, gebeeldhouwde tafrelen.

Het huis is nu in bezit van de Salzburgse familie die het van Stefan Zweig kocht toen deze vluchtte naar Engeland. Vanaf de weg is het huis in de zomer slecht te zien en de huidige eigenaren zijn niet toeschietelijk ten opzichte van Zweig-bezoekers.

Tegen de muur van het naastgelegen klooster vindt u op een pilaar een bronzen versie van Zweig’s hoofd. Gelukkig valt er over smaak niet te twisten.

Overigens is het huis zelf mooi te zien vanaf de tegenover liggende Münchberg. Als u bijvoorbeeld gaan koffiedrinken op het terras van restaurant M32 is het uitzicht magnifiek.

De Stefan-Zweig-Weg loopt door langs zijn huis naar de top van de Kapuzinerberg waar een lunchrestaurant Franziskischlössl huist.
Als u weer afdaalt naar de stad passeert u vlak na het klooster aan de linkerkant een afdaling via trappen naar het pas gerenoveerde Stein Hotel. Deze steile afdaling, de Imbergstiege, maakten gasten van Zweig als ze niet in zijn huis konden of wilden overnachten.
In ieder geval maakte Joseph Roth deze gevaarlijke tocht regelmatig. Roth was, behalve een uitnemend schrijver ook een enthousiast drinker. Om zijn consumptie in de loop van de avond aan het oog van Zweig te onttrekken boekte hij altijd een kamer in Stein om daar ongestoord zijn gang te gaan.

Tussen de kunstelite van Salzburg en Stefan Zweig is nooit een warme band ontstaan. Hij participeerde niet intensief in het culturele leven van Salzburg, maar hij bezocht wel graag gelegenheden waar hij kon koffiedrinken. Hij werd vaak gezien onder één van de wandspiegels in Café Bazar aan de Salzach. Het bedienend personeel kan nog exact zijn favoriete plek aanwijzen.
Daarnaast speelde hij regelmatig schaak in café Mozart of café Tomaselli in de Altstadt.

In de elf jaar die Zweig in Salzburg werkte en leefde heeft hij natuurlijk vele plekken bezocht. De sfeer van de stad beviel hem. En die kunt u het best beleven door zelf door Salzburg en omgeving te zwerven.

In Salzburg zijn twee organisaties die zich met Stefan Zweig en zijn werk bezighouden. Het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft (voor de coördinatie van de Zweig activiteiten in Europa) werkt vanuit het Literatur Archiv en het Stefan Zweig Centre vindt u op de Mönchberg. Deze organisatie bereikt u door het straatje Toscaninihof (links als u voor het Festspielhaus staat) via de trappen rechts aan het einde naar boven de lopen.

Bovenaan de trappen ziet u de Edmundsburg staan. Daarin huist het Haus für Stefan Zweig.

Dirk Jansen

STEFAN ZWEIG IN NEDERLAND

                                

 

                           

 

 

 

                                                                             NIEUWSBRIEF

                                                STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP NEDERLAND

22 mei 2017

 

Beste nieuwsbrieflezeressen en –lezers,

Er dwarrelde een mail van onze Zweigvrienden uit Salzburg in mijn mailbox, waarin zij mij vroegen een artikel van een Nederlandse Zweigkenner, gepubliceerd in 2014 in de Parelduiker te vertalen. Het leek hen interessant, maar zij misten teveel van de inhoud door hun beperkte kennis van onze taal.

Het bleek een levendig verhaal te zijn van Piet Wackie Eysten over zijn warme vriendschap en correspondentie met Donald A. Prater, de biograaf van onder meer Stefan Zweig. Mijn ruwe vertaling is intussen onderweg naar Salzburg.

Ik hield ook aan deze activiteit een boeiende mailwisseling met de heer Wackie Eysten over. Wij verbaasden ons over het feit dat we elkaar in de afgelopen jaren niet in het Nederlandse Zweigdomein waren tegengekomen. Hij gaf mij toestemming om zijn  artikel “ Herinneringen aan de biograaf Donald A. Prater” (Zweig, Rilke en Mann blikken op ons neer)  in onze Nieuwsbrief op te nemen. Zoals u zult opmerken past zijn verhaal erg goed in onze reeks van verhalen over de ontvangst van Zweig en zijn werk in een reeks verschillende landen. Stefan Zweig was maar kort in Nederland, maar toch voldoende om het verhaal van Piet Wackie Eysten de titel: Stefan Zweig in Nederland mee te geven.

Met hartelijke groet,

Dirk Jansen

 

 

Piet Wackie Eysten

Zweig, Rilke en Mann blikken op ons neer

Herinneringen aan de biograaf Donald A. Prater

 

Met Donald Prater, auteur van gezaghebbende biografieën van Thomas Mann, Rainer Maria Rilke en Stefan Zweig, kwam ik in contact in augustus 1979. Ik had European of Yesterday, zijn Zweig-biografie, gelezen en daarvan dankbaar gebruikgemaakt bij het schrijven van een artikel over Zweigs samenwerking met Richard Strauss. De vrucht van die samenwerking was Strauss’ komische opera Die Schweigsame Frau, waarvan de première op 24 juni 1935 in Dresden plaatsvond. Kort daarna werden op last van Hitler verdere opvoeringen verboden. Een brief van Strauss aan zijn joodse tekstdichter, waarin hij zich laatdunkend over het nazi-bewind had uitgelaten, was enkele dagen tevoren door de Gestapo onderschept en in beslag genomen. Dit leidde tot Strauss’ gedwongen aftreden als President van de Reichsmusikkammer, een functie die hij in de bewuste brief een ‘ärgerreiches Ehrenamt’ had genoemd. Mijn artikel over het ontstaan en de lotgevallen van Die Schweigsame Frau was onder de titel ‘Het tragische lot van een komedie’ in 1975 gepubliceerd in De Gids.

 

Uit de door Willi Schuh uitgegeven briefwisseling tussen Strauss en Zweig had ik opgemaakt dat beide kunstenaars in 1931, door de uitgever Anton Kippenberg, met elkaar in contact waren gebracht. In zijn boek beschreef Prater echter een lunch die Zweig, die niet alleen een man of letters, maar ook een man de wereld was, in mei 1924 had gegeven. De aanleiding voor dat noenmaal was de aanwezigheid in Wenen van de Franse schrijver en musicoloog Romain Rolland, die de Weense Strauss-feesten ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de componist bezocht. Zweig, die een grote bewondering voor Rolland koesterde en met hem bevriend was, was voor de gelegenheid vanuit zijn woonplaats Salzburg naar Wenen gekomen en had daar een déjeuner georganiseerd ‘for Strauss and Schnitzler to meet Rolland’, schreef Prater. Ik kon dat niet rijmen met mijn veronderstelling dat Strauss en Zweig elkaar pas enkele jaren later, in 1931, leerden kennen, en schreef er Dr. Prater een brief over. Ook in Rollands Journal had ik een kort verslag van de bewuste lunch gevonden, liet ik hem weten. Daarin werden wel onder anderen Arthur Schnitzler, Paul Stefan, Richard Specht (Strauss’ latere biograaf) en Felix Braun als Zweigs gasten vermeld, maar niet de gevierde Beierse componist en dirigent zelf. Beschikte Dr. Prater niettemin over aanwijzingen dat Zweig en Strauss elkaar toch al voor 1931 hadden ontmoet? Uitgesloten was dat niet. Uit een brief aan zijn vrouw Friderike blijkt immers dat ook Zweig zelf, evenals Rolland, met wie hij daags tevoren Sigmund Freud had bezocht, deelnam aan de Strauss-feesten: ‘ich strausse kräftig mit,’ schreef hij haar.

Per kerende post kwam Praters antwoord, dat het begin zou worden van een, weliswaar met tussenpozen gevoerde, maar in wezen toch trouwe correspondentie, die uitgroeide tot een vriendschap. ‘Yes, indeed – you are quite right!’, viel dat antwoord met de deur in huis. Prater toonde zich ‘most indebted for pointing out that discrepancy over Strauss, Zweig and Rolland’. Het gaf hem de gelegenheid, zo liet hij weten, dit recht te zetten in de Duitse uitgave van zijn boek, die op stapel stond. Hij bevestigde dat hij geen enkele aanwijzing had voor een eerdere ontmoeting tussen mijn twee protagonisten dan die in 1931. Zijn vergissing kwam voort uit een passage in een brief van Friderike, die hij verkeerd geïnterpreteerd had. Met de voor hem kenmerkende largesse beperkte Prater zich niet tot het beantwoorden van mijn vraag. Hij weidde uit over de herziene, Duitse uitgave van zijn boek en zond mij, zoals hij schreef ‘as a Gegengabe’, een zojuist verschenen artikel van zijn hand over de gedichten van Friderike Zweig. Zijn brief eindigde met de mededeling dat hij onlangs een verzoek had aanvaard om een biografie van Rilke te schrijven, ‘perhaps rather rashly’, en dat hij inmiddels was begonnen aan deze ‘monumental task’. Zijn indrukwekkende Rilke-biografie zou in 1986 verschijnen.

 

Praters brief was niet uit Engeland afkomstig, maar uit Prangins, een kleine plaats aan het Meer van Genève. Donald Arthur Prater was op en top Brit. Hij was in 1918 in Londen geboren, en had in Oxford literatuurwetenschappen en moderne talen gestudeerd. Hij had, zo ervoer ik later, een afwisselende en internationale loopbaan achter de rug. Na zijn vaderland gedurende de oorlog als militair te hebben gediend, had hij tot 1969 een diplomatieke loopbaan gevolgd. Daarna had hij als Senior Lecturer enkele jaren Duits gedoceerd aan de Universiteit van Canterbury, Christchurch, Nieuw-Zeeland. Toen ik hem leerde kennen, werkte hij sedert een jaar of zes als vertaler bij CERN, de Europese organisatie voor kernonderzoek in Genève.

 

Ik had Prater een Engelse vertaling gestuurd van mijn Gids-artikel. Daarin kwam een verwijzing voor naar een artikel van Alfred Mathis over Stefan Zweig als librettist. Dat artikel interesseerde hem. Hij kende het bestaan ervan, maar had het nooit kunnen vinden. Kon ik hem er misschien aan helpen? Ik zond hem een kopie van  Mathis’ artikel, waarvoor hij mij hartelijk dankte (‘it fills a longstanding gap in my collection’) en ik verbond daaraan nu mijnerzijds een verzoek. Ik had weliswaar de beschikking over een foto van Strauss bij het orkestreren van Die Schweigsame Frau, maar van Zweig had ik geen foto uit de periode waarin hij met Strauss samenwerkte. Kon Prater mij daaraan helpen? Opnieuw viel zijn prompte antwoord met de deur in huis: ‘A strange coincidence!,’ schreef hij. Hij was juist bezig fotomateriaal te verzamelen voor een Stefan-Zweigdeeltje in de reeks ‘Leben und Werk im Bild’ dat Insel-Taschenbücherei in het Zweigjaar 1981, waarin Zweigs honderdste geboortedag werd herdacht, wilde doen verschijnen. ‘Thus I think I can send you the very photograph you want: one taken by Suse von Winternitz (Friderike’s daughter and a professional photographer) about 1932.’ Hij beschikte over nog verscheidene andere foto’s uit de jaren 1934-1940, ‘but this would easily be the best’. Bij het publiceren van mijn opstellenbundel Bruiloft zonder zegen (1981) heb ik dankbaar van deze foto gebruikgemaakt.

 

Nu ik deze oude brieven weer door mijn handen laat gaan, valt mij het tempo op waarin wij elkaar schreven, dat misschien indicatief is voor ons wederzijdse enthousiasme. Tussen mijn eerste brief aan Oxford University Press en het toezenden van Suse von Winternitz’ foto was amper een maand verstreken.

 

Praters laatste brief behelsde opnieuw een verzoek: ‘“Zweig in the Netherlands” does not, unfortunately, make a very big chapter in his life,’ schreef hij, maar misschien kon ik voor het Bildbuch toch iets leveren? Het enige hem bekende bezoek van Zweig aan Nederland had plaatsgevonden in maart 1929, toen Zweig in Utrecht een lezing hield over de ‘Europese Idee’ in de literatuur, maar bij die gelegenheid zouden wel geen foto’s zijn gemaakt, veronderstelde hij.

Ik toog onmiddellijk aan het werk, maar kon geen andere sporen van Zweigs Utrechtse optreden vinden dan de persoonlijke herinnering van een oudere kantoorgenoot, die de lezing als student had bijgewoond, maar zich alleen wist te herinneren dat hij tijdens de voordracht in slaap was gevallen. Daar schoot ik niet veel mee op. Via de gemeentearchivaris van ‘s-Gravenhage kwam ik erachter dat Zweig destijds ook Den Haag had aangedaan en daar in de boekhandel Dijkhoffz aan de Plaats eigen werk had gesigneerd (‘Büchersignieren, eine neue Vortragsplage,’ schreef hij aan zijn vrouw). In het Nieuwsblad voor den Boekhandel had er een artikel over gestaan. De heer P.J. Venemans, destijds eigenaar van de nu helaas niet meer bestaande boekhandel Dijkhoffz, wist op zijn zolder zowaar een foto van deze signeersessie op te sporen. Ik mocht er een kopie van laten maken, die ik aan Prater zond. ‘What a marvellous find!,’ juichte deze in zijn reactie. ‘I am deeply grateful to you for that photograph: completely unknown and very typical of SZ at that time, particularly with the two young girls waiting eagerly for him to sign their copies.’ De foto kreeg een prominente plaats in de Bildbiographie. Het was ‘quite the best and most natural in the book’, vond Donald, die inmiddels was begonnen aan een essay over de briefwisseling tussen Zweig en Hermann Hesse.

 

In het Zweig-jaar 1981 verscheen van Praters biografie een Duitse vertaling, getiteld Stefan Zweig. Das Leben eines Ungeduldigen, met veel nieuwe gegevens en inzichten over leven en werk van Zweig. Hij zond mij een exemplaar, waarvoor ik hem natuurlijk onmiddellijk bedankte. ‘I feel more than a little embarrassed by your mentioning me in your Vorwort,’ schreef ik hem. De ‘wertvolle Hilfe’ waarvoor ik daarin werd gememoreerd, was die vermelding mijns inziens nauwelijks waard.

Korte tijd later stuurde hij mij een exemplaar van Stefan Zweig, Leben und Werk im Bild. Ik ontving het boekje rond de datum van Zweigs honderdste geboortedag, 28 november 1981. Prater reisde dat jaar onder meer naar Wenen om daar deel te nemen aan een Zweig-symposium. Hij beloofde mij een afdruk van zijn voordracht ‘when (or rather if, knowing the Austrians) it appears’.

 

Toen ik met mijn vrouw en onze beide kinderen hem en zijn vrouw Patricia in het vroege voorjaar van 1982, op de terugreis van een in Zwitserland doorgebrachte wintervakantie, voor het eerst bezocht, waren zij kort tevoren verhuisd naar Gingins, een plaatsje in de buurt van Nyon. Ik betrad voor de eerste keer zijn werkkamer, of beter gezegd werkzolder. Dit literaire laboratorium besloeg de gehele bovenverdieping van het tegen de berghelling gebouwde huis, zodat er aan beide zijden ramen waren. Dat gaf een helderheid en weidsheid aan het grote werkvertrek die een blijvende indruk op mij maakten. Aan de schuine wanden van deze zolderverdieping waren posters en affiches bevestigd, in de meeste gevallen met portretten van de groten uit de wereldliteratuur. Thomas Mann, Stefan Zweig, Hermann Hesse en Marcel Proust blikten op ons neer. De ruimte werd in compartimenten verdeeld door boekenkasten, die loodrecht op de wanden stonden, zodat zij aan beide zijden gebruikt konden worden, en die niet tot de zoldering reikten, waardoor de ruimte als geheel intact bleef. Ertussen stonden werktafels en archiefkasten, beladen met boeken, papieren, mappen, dossiers. Dat dit de werkplek was van een verstokte pijproker, zou niemand kunnen zijn ontgaan. Prater toonde mij zijn werkwijze: systematisch naar onderwerp gerangschikte fiches, met verwijzingen naar relevante vindplaatsen en verwante onderwerpen, door middel van kleuren en nummers toegankelijk gemaakte ordners met fotokopieën van originele documenten, brieven, et cetera. Uit een van de archiefkasten haalde hij een deel te voorschijn van het manuscript van Zweigs dagboeken, in fotokopie, onmisbaar materiaal voor zijn gedetailleerde levensbeschrijving. Ik kon nu begrijpen wat Patricia had gezegd over Zweig als huisgenoot. Tijdens Donalds werk aan de biografie had zij steeds meer het gevoel gekregen dat Zweig in huis aanwezig was. Alleen zijn stem ontbrak, maar voor het overige was zijn aanwezigheid voelbaar geweest. Ik kon er mij, op die onvergetelijke zolder, iets bij voorstellen.

 

Wij hadden, voorafgaande aan mijn bezoek aan Donalds heiligdom, met beide dames en onze kinderen thee gedronken, in wat zonder twijfel de meest Engelse huiskamer in Zwitserland moet zijn geweest. Engelse thee wel te verstaan, met alles wat daarbij hoort. Tot groot vermaak van de kinderen, die zich te goed deden aan de diverse lekkernijen, werd ook aan de hond, een spaniel wiens naam ik vergeten ben, thee geserveerd in een Chinees blauw kopje, dat voor hem op de grond werd neergezet. Een ritueel dat ik later nog verscheidene malen heb mogen meemaken. Patricia, of Pat, zoals wij al snel mochten zeggen, was een voorbeeldige gastvrouw. Zij was klein van gestalte, elegant in kleding en gebaar, en van een ietwat formele voorkomendheid die toch oprechte belangstelling en warmte uitstraalde. Donald zelf, meer dan twintig jaar ouder dan ik, vertoonde dezelfde spontane hartelijkheid als die ik uit zijn brieven had leren kennen. Met zijn wat beschouwelijke glimlach, pientere ogen, kwieke snor, onafscheidelijke pijp en tweedjasje liet hij de regie van de afternoon tea aan Pat over, wat hem overigens niet belette haar verhalen op sommige momenten te corrigeren of te verduidelijken, dan wel bijzonderheden op haar verzoek te bevestigen of aan te vullen. Hoewel dit onze eerste ontmoeting was, hadden wij het gevoel – ik meen dat dit wederzijds zo was – dat wij elkaar langer kenden dan vandaag.

 

Ten tijde van ons bezoek had Prater zijn aandacht inmiddels voornamelijk gericht op zijn biografie van Rilke, de ‘monumental task’ die hij enkele jaren tevoren op zich had genomen. Daardoor was de aandacht (ook van mij) voor het onderwerp ‘Zweig in the Netherlands’ wat getaand. Het kwam echter onverwachts weer tot leven toen ik, terug in Nederland, een interview las met Siegfried E. van Praag. In dat interview vertelde Van Praag over zijn contacten en correspondentie met Stefan Zweig. Bij het artikel was een briefje van Zweig aan Van Praag afgebeeld, waarin Zweig schrijft dat hij hoopt bij gelegenheid van een voordracht die hij binnenkort (‘im März’) in Utrecht moet houden, Van Praag ‘im Vorüberkommen dankbar die Hand schüttlen zu dürfen’ en ‘einige Holländischen Kameraden persönlich kennen zu lernen’. Ik verstoutte mij de heer Van Praag, die toen 82 jaar was en in Brussel woonde, te schrijven en hem te vragen of hij mij over dat bezoek en over zijn betrekkingen tot Zweig meer bijzonderheden kon vertellen. Ik kreeg een uitgebreid, maar toch enigszins teleurstellend antwoord. Van Praag herinnerde zich niets van een bezoek van Zweig aan Nederland. Wel vertelde hij allerlei interessante bijzonderheden over zijn contact met Zweig, bij wie hij, met zijn vrouw, op de verheven Kapuzinerberg te Salzburg te gast was geweest. Maar die contacten dateerden voornamelijk van een wat latere tijd.

Ik deed aan Donald verslag van wat Siegfried E. van Praag mij had verteld. Hoewel zijn aandacht nu natuurlijk primair Rilke gold, leken zijn vingers te tintelen om weer achter ‘Zweig in the Netherlands’ aan te gaan, getuige zijn reactie. Hij was ‘thrilled’, liet hij mij weten, door de informatie van Van Praag, ‘a name quite unknown to me so far. I wish I could help with more detail!’

 

Die laatste wens ging in zekere zin in vervulling. In Zwitserland had Prater contact met Lee van Dovski (eigenlijk geheten Herbert Lewandowski), die voor de oorlog lange tijd in Nederland had gewoond en bij het toenemen van de oorlogsdreiging via Frankrijk naar Zwitserland was gevlucht. Hij had in contact gestaan met verscheidene Duitse schrijvers, onder wie Thomas Mann, Jakob Wassermann en Zweig. Van deze Lee van Dovski ontving ik in mei 1982, door bemiddeling van Donald Prater, een deels in vlekkeloos Nederlands gestelde brief, waarin hij vertelde dat hij destijds in Utrecht had gewoond en daar vice-voorzitter van de ‘Duitse Vereniging’ was geweest. In die hoedanigheid had hij in 1929 Stefan Zweig en Jakob Wassermann uitgenodigd in Utrecht voordrachten te houden. ‘Stefan Zweig sprach über “Pan-Europa”. Nach dem Vortrag sassen wir rund um ihn herum und plauderten noch ein wenig. Eine Einladung, mit mir Amsterdam zu besichtigen, musste Zweig ablehnen, da er einen weiteren Vortrag im Haag halten musste,’ schreef Van Dovski mij. Ik bedankte hem en Donald, en concludeerde dat Zweigs bezoek aan Nederland waarschijnlijk slechts zeer kort was geweest, en het enige dat hij aan ons land had gebracht. Dat laatste bevestigde Donald in een brief aan mij van 24 mei 1982: ‘As you say, the 1929 visit was brief and I don’t think SZ ever made another.’

 

Begin 1986 verscheen de langverbeide Rilke-biografie, waarvan de titel, A Ringing Glass, geïnspireerd was op een versregel uit een van Rilkes Sonette an Orpheus, ’… sei ein klingendes Glas, das sich im Klang schon zerschlug’. De Engelse uitgave werd op de voet gevolgd door de Duitse editie, Ein klingendes Glas. ‘It must be a relief to have the job done,’ schreef ik Donald. Ik kreeg een vrij uitvoerig antwoord, ‘OUP [Oxford University Press] are asking what my next is to be,’ schreef hij. ‘I haven’t decided yet, maybe Werfel. First comes a bit of a rest!’ Uit de kerstkaart die wij in december 1986 ontvingen, bleek dat hij die rust zocht bij zijn zoon in Nieuw-Zeeland, waar hij en Pat tot februari 1987 zouden blijven: ‘l’année sans hiver’.

 

De tussenpozen in onze correspondentie groeiden, maar in een vriendschap die zo hecht was geworden als de onze, was dat geen reden tot zorg. ‘It was good to hear from you,’ schreef hij, ‘I fear I have been a dilatory correspondent.’ Ik leerde de mooiste Engelse woorden van hem. Hij had zich inmiddels gezet aan het schrijven van de volgende biografie, niet van Franz Werfel, maar van Thomas Mann, ‘a monster task that will at least take 5 years…’. Ondertussen hielden ook andere plannen deze onvermoeibare literator bezig. Hij had in Brussel overleg gevoerd over een uitgave van de correspondentie tussen Zweig en Emile Verhaeren, en in Parijs de Foire du Livre bezocht. Daar had ook hij zowaar eigen werk moeten signeren. Inmiddels was hij begonnen aan het lezen en herlezen van de werken van Thomas Mann, ‘most of which I confess are new to me,’ schreef hij enigszins tot mijn verbazing. ‘I hope to settle down now to solid work on it.’

Deze nieuwe activiteit van Donald opende het perspectief van een bezoek aan Nederland, waartoe ik hem tot nu toe niet had weten te verleiden. ‘My research journeys should bring me to Holland at some stage, where he often visited, probably next year when I have a clearer idea of the outline of his life.’ Moest ik uit Donalds brief opmaken dat hij opzag tegen zijn nieuwe taak? ‘Mann is going to be a very different proposition from SZ and Rilke! Still – I know the period pretty well and it will be fascinating to see how it works out.’

Onvermoeibaar was Donald niet alleen waar het zijn werk betrof. Begin 1990 kreeg ik een uitvoerige brief van hem uit Christchurch, waar hij en Pat per boot (‘a floating hotel’) vanuit Southampton naartoe waren gereisd. Hun beide zoons woonden er, en sinds hun laatste bezoek waren er vier nieuwe kleinkinderen geboren. De reis had hem ‘some much-needed leisure for TM reading’ verschaft. De terugreis die hij beschreef, zag er indrukwekkend uit. Zij zouden teruggaan via de Verenigde Staten (‘to see TM’s Californian houses’), waar hij een lezing zou geven in Los Angeles, en vervolgens in Philadelphia, Boston en enkele andere steden. Vandaar zou hij doorreizen naar Halifax in Canada, voor een bezoek aan Elizabeth Borghese-Mann, Thomas’ enige nog levende, jongste, dochter. ‘It will be an exhausting but I hope rewarding trip. After which I have to settle down to real work on the book. Sofar, only large quantities of notes have been accumulated.’ Ik zag de grote werktafels op de zolder in Gingins voor mij.

 

Deze keer was ik de ‘dilatory correspondent’. Uit mijn brief aan Donald van 2 april 1991 blijkt dat ik hem lang niets had laten horen. Ik schreef hem naar aanleiding van een artikel in een Nederlandse krant over de uitgave van Manns dagboeken 1946-1948. De strekking van dat artikel was dat die dagboeken eigenlijk buitengewoon oninteressant waren, omdat Manns leven eigenlijk buitengewoon oninteressant was geweest. Het is, voor wie dat leven enigszins kent, een aanvechtbare observatie, maar een visie die ik Manns biograaf niet meende te mogen onthouden. In zijn reactie ging Donald uitvoerig in op de bewering dat Mann een oninteressant leven zou hebben geleid, wat hij een ‘misjudgement’ noemde. Hoewel Mann de indruk wekte van kalme zelfverzekerdheid, waren het nu juist de dagboeken, meende hij, die lieten zien ‘how he actually felt’. Hij wees op het Leiden an Deutschland, waaraan Mann uitdrukking gaf in zijn geschriften tegen Hitler en in zijn Doktor Faustus. ‘No,’ besloot hij, ‘I think I can make a fascinating story of it all.’

 

Intussen betekende het Zweig-jaar 1992, vijftig jaar na Zweigs sterfdag, een onvermijdelijke onderbreking van zijn werk aan de Thomas Mann-biografie. Hij schreef mij er uitvoerig en enthousiast over, in een mengeling van Duits en Engels, ‘SZ has proved a big, but of course very worthwhile, interruption to the Hauptgeschäft of TM.’ Hij hield in Wenen, Salzburg, Hohenems en München lezingen, moest de inleiding schrijven voor de catalogus bij de tentoonstelling in Salzburg en bijdragen leveren aan kranten, tijdschriften en symposia. Zijn voordracht in het Wiener Rathaus op zo februari werd in een afzonderlijk bandje uitgegeven, tot zijn grote ergernis met een verkeerde titel. Wat hij genoemd had ‘Stefan Zweig und das Wien von gestern’ verscheen als Stefan Zweig und die Welt von gestern, de titel van Zweigs eigen memoires. ‘The exhibition is tremendously exciting, with lots of hitherto unseen material, you simply must see it if you can!’ schreef hij. Dat deed ik dan ook. Het was inderdaad een uiterst informatieve tentoonstelling, met talloze foto’s, brieven, manuscripten, artikelen, eerste uitgaven en dergelijke. Wat mij er het meest van is bijgebleven, is dat ik nu eindelijk Zweigs stem kon horen, die Pat destijds zo node had gemist in haar dagelijkse omgang met de man die langzamerhand tot Donalds alter ego was uitgegroeid. In een cabine kon men door een koptelefoon een radiovoordracht van Zweig beluisteren. Zweig sprak met een hoge stem en een wat overnadrukkelijke voordracht zijn gehoor toe. Daarnaar in de afzondering van die kleine cabine te luisteren, was een vreemde sensatie.

Opnieuw werd nu het werk aan zijn Mann-biografie onderbroken, ditmaal door wat hij in een van zijn brieven ‘a crippling attack’ van reumatische spier pijnen noemde. Hij voorzag grote problemen om het manuscript (‘only about a third of the way along!’) op tijd gereed te hebben. Op zijn kerstkaart van 1992 rapporteerde hij: ‘TM coming along slowly, hope to have it done by July or so,’ wat een overschrijding met een halfjaar betekende van de oorspronkelijke deadline.

 

Het werd 1995 voordat Donalds grote Thomas Mann-biografie, zowel in het Engels, bij Oxford University Press, als in het Duits, bij Hanser Verlag, verscheen. Hij schreef mij dat hij zich ermee had verzoend voortaan alleen nog kleinere projecten te ondernemen: ‘Th. Mann will have to be the last major biography.’ Hij hield af en toe nog een voordracht of lezing, ‘but otherwise not much’. Zijn gezondheid begon steeds meer te wensen over te laten, hij werd opnieuw geopereerd. De remigratie van Pat en hem naar Engeland, waar zij hun oude dag wilden doorbrengen in de buurt van hun dochter in Cambridge, moest erdoor worden uitgesteld. Zoals hij in onze correspondentie zo vaak had gedaan, drong hij opnieuw aan op een bezoek aan Gingins, ‘while we are still here. Maybe your multifarious interests will bring you this way,’ schreef hij. Ik bleef nieuwe woorden van hem leren. Vanuit ons wintersportadres in Morzine bezocht ik Donald en Pat in januari 1998, kort na zijn tachtigste verjaardag. Ik vond hen beiden oud geworden, maar Donald was de dierbare, bescheiden, erudiete, intelligente man gebleven die hij altijd was geweest. Zweig was, hoe kon het anders, ons voornaamste onderwerp van gesprek. Ik biechtte op dat ik enkele verhalen die ik zojuist had herlezen, toch wel gedateerd vond. Hij ontkende het niet. Sommige van die verhalen vond ook hij, gaf hij toe, ‘rather weak’. Ik kreeg bij die gelegenheid de Duitse uitgave van zijn Rilke-biografie van hem cadeau. ‘For my old friend, on the occasion of his visit to Gingins after so             many years,’ schreef hij erin. Hij was, onvermoeibaar, bezig met de bewerking van de correspondentie tussen Rilke en Jean Strohl, een Zwitserse geleerde met wie Rilke bevriend was en aan wie hij het manuscript had gestuurd van zijn eerste Sonette an Orpheus, geschreven in een onwaarschijnlijke vlaag van inspiratie: Rilke schreef de eerste 25 sonnetten in drie dagen tijd! Zo brachten wij, als vanouds, enige tijd door op zijn werkzolder, tussen de op ons neerblikkende portretten van zijn helden, terwijl Pat beneden de high tea voorbereidde.

 

Mijn laatste bezoek aan Donald en Pat was in februari 2001. Zij waren inmiddels verhuisd naar Cambridge, waar zij een klein huis aan de rand van de stad bewoonden, in de prettige zekerheid van de nabijheid van hun dochter, die als archeologe aan de universiteit verbonden was. Beiden waren oud en zwak, Donald liep, voetje voor voetje, met twee stokken. Hij toonde mij zijn kleine werkkamertje, gelijkvloers, waar de computer schuilging tussen stapels boeken en papieren. Het was een hartverwarmend weerzien. De bloemen die ik voor Pat had meegebracht, werden midden op de kleine tafel gezet, zodat wij elkaar nauwelijks meer konden zien. Donald zei niet veel, hij leek ermee te volstaan zich van mijn aanwezigheid te verzekeren door mij voortdurend glunderend aan te kijken. Pat stelde mij gerust: Donald vond het heerlijk met iemand over zijn helden, Zweig, Rilke en Mann, te kunnen praten.

 

Ik bracht Manns homoseksualiteit ter sprake, waarover wij circa twee jaar tevoren al hadden gecorrespondeerd, toen ik in het voorwoord van een heruitgave van Gore Vidals The City and the Pillar op een opvallende passage was gestuit. Vidal schreef daarin dat hij onlangs was opgebeld door ‘de biograaf van Thomas Mann’, die hem had gevraagd of hij wel wist welk een diepe indruk zijn boek destijds, bij het verschijnen in 1948, op Mann had gemaakt. Mann, die toen in Californië verbleef en op het punt stond zijn werk aan Felix Krull te hervatten, had er iets over geschreven in zijn dagboeken die (in 1997) in Duitsland waren verschenen. ‘Get them,’ zou de biograaf tegen Vidal hebben gezegd. Vidal had zich, na lezing van de desbetreffen de passages, erover verbaasd wat de eenentwintigjarige Mann-bewonderaar die hij toen was, in de vijfenzeventigjarige meester had teweeggebracht. In zijn voorwoord citeerde Vidal enkele passages uit Manns dagboeken, die inderdaad getuigen van een hevige emotie, maar ook van een instinctmatige afkeer. Mann noemt in die aantekeningen Vidals ‘homo-erotischen Roman’, vooral ‘die Liebespielszenen zwischen Jim und Bob, ganz ausgezeichnet’, maar anderzijds is ‘das Sexuelle, die Affairen mit den div. Herren mir eben doch unbegreiflich. Wie kann man mit Herren schlafen…’ En als hij, een week later, het boek uit heeft, geeft hij toe ‘ergriffen’ te zijn, ‘obgleich manches fehlerhaft und unsympatisch [ist], z.B. hässlich, dass Jim den Bob in New York in eine Fairy Bar führt’. Opvallend was voorts dat Vidal in zijn voorwoord vermeldde dat hij ‘deliberately made Jim Willard [de hoofdpersoon van zijn boek] a Hans Castorp [hoofdpersoon in Manns Der Zauberberg] type’.

Ik had natuurlijk, zodra ik dit las, Donald geschreven om te vragen of hij het soms was geweest die Vidal had opgebeld, wat mij overigens uitermate onwaarschijnlijk leek. ‘Calling Vidal by phone does not sound like you somehow,’ schreef ik. Per kerende post kwam Donalds antwoord. ‘No, it wasn’t I who phoned Vidal!’ Hij verwees mij naar de plaats waar hij in zijn biografie de bedoelde passages uit Manns dagboeken had geciteerd, en voegde toe: ‘I didn’t elaborate further, for it was my aim not to over-stress TM’s homoerotic tendencies’. Het is voor een goed begrip van misschien niet zozeer Thomas Mann als wel van Donald Praters visie op hem interessant enkele passages uit deze brief wat uitvoeriger te citeren. ‘To my mind,’ schreef Prater, this aspect of a man who after all produced six children has been greatly overplayed, notably by Ronald Hayman [die, eveneens in 1995, in de VS een biografie van Thomas Mann publiceerde] and more recently by Anthony Heilbut (TM: Eros and Literature). I suspect the latter of being the phone-caller Vidal mentions. The subject is one more for the ‘revelations’ of investigative journalists than for the serious biographer.  As I still haven’t read the novel – and don’t think I will now – I can’t say whether Jim Willard is like Hans Castorp, whom I confess I never saw as a homosexual […]. Perhaps my attitude was too blinkered, but I thought it more balanced and nearer the truth for a narrative like mine, particularly bearing in mind TM’s expressed suppression of the physical side […]. We must talk all this over when we next meet, which I hope will be possible one day this coming year.

Tijdens ons gesprek, twee jaar later in Cambridge, bevestigde Donald dat op dit aspect van Manns leven naar zijn oordeel een onevenredige nadruk werd gelegd. Boeken als dat van Heilbut vond hij eenzijdig en ongenuanceerd. ‘Mann was, after all,’ herhaalde Donald, ‘de vader van zes kinderen!’ Ik vond dat opmerkelijk, vooral tegen de achtergrond van wat hij toch ook zelf in zijn biografie over het onderwerp had geschreven, nog daargelaten dat ik de gegeven argumentatie weinig steekhoudend achtte. We lieten het er verder bij. Ik verliet hen na enkele uren, waarin wij, als gebruikelijk, van Pats uitgebreide tea hadden genoten, door beiden in de open voordeur nagewuifd, in het ontroerende besef dat ik Donald waarschijnlijk voor het laatst had gezien.

Ik was nauwelijks in Nederland teruggekeerd, of er lag een brief van hem, de laatste die ik van hem heb gekregen. ‘It really was a tremendous pleasure to see you here, after all this time, and now I’m back in the accustomed slow groove I felt I just had to write a short note.’ Hij stuurde mij – opnieuw, ik was het eerdere exemplaar kwijtgeraakt – het boekje Stefan Zweig und das Wien von gestern (‘which got wrongly titled with typical Austrian Schlamperei before I saw it!,’ kon hij niet nalaten opnieuw op te merken, hij had zijn oude vinnigheid nog niet verloren). Pat, zo schreef hij, zou mij nog apart bedanken ‘for those marvellous tulips, which she has spread around in even more vases and which are giving us great pleasure!’ Hij besloot zijn briefje, ‘typewritten’ om mij zijn ‘present handwriting’ te besparen, met ‘renewed thanks and warmest greetings’, ondertekend in beverige hand: ‘As ever, Donald.’ Er was een kaartje bij van Pat over de bloemen. ‘It was good for Donald to talk again to such an old friend.’

 

Een halfjaar later ontving ik een gedrukte kaart met de mededeling dat Donald Prater OBE, D.litt., Soldier, Diplomate, Writer, Musician, op 24 augustus 2001 te Cambridge in zijn slaap was heengegaan.

 

 

 

 

Piet Wackie Eysten (1939) was advocaat te ‘s-Gravenhage en oud-deken van de Nederlandse Orde van Advocaten. Hij publiceert onder meer over muziek- en literatuur

DE USA OMARMEN OPNIEUW STEFAN ZWEIG

                  DE USA OMARMEN OPNIEUW STEFAN ZWEIG

                      

Stefan Zweig en zijn werk zijn in de VS weer populair. Larry Rohter beschrijft deze hernieuwde belangstelling in een artikel in de New York Times van mei 2014. Hij maakt onder meer duidelijk dat de Engelstalige biografie die George Prochnik over de Amerikaanse periode van Stefan Zweig schreef veel heeft bijgedragen aan de huidige hausse van aandacht. De Nederlandse vertaling van dit artikel hebben wij op onze site www.stefanzweig.nl onder de rubriek Stefan Zweig Vandaag geplaatst, zodat u het zelf kunt lezen.

Zeer terecht (naar mijn mening) merkt de auteur van het artikel op dat Zweig in zijn vertelkunst zelden of nooit zijn onderliggende filosofie uitlegt. Ofschoon hij wel gepromoveerd was in de filosofie geeft hij geen abstracte verhandelingen over zijn uitgangspunten en zijn visie. Zweig drukt zijn opvattingen uit in kleurrijke beelden. Beelden van mensen, hun persoonlijkheid en hun drijfveren. Zijn uitgesproken humanistische denkbeelden schildert hij in gedetailleerde beelden van personen, hun denken en handelen.

Waarschijnlijk heeft zijn beeldende en concrete wijze van vertellen en het ontbreken van theoretische onderbouwingen sterk bijgedragen aan de grote en brede populariteit die hij verwierf.

Dirk Jansen,

Stefan Zweig Genootschap Nederland

 

(Het artikel van Larry Rohter in de New York Times is ook in het Duits gepubliceerd in het Zweigheft 12 door het Stefan Zweig Centre, Salzburg)

STEFAN ZWEIG IN DE USA

NIEUWE BELANGSTELLING VOOR STEFAN ZWEIG

 

In de decennia tussen de beide wereldoorlogen werd geen schrijver vaker vertaald en gelezen dan de Oostenrijkse romancier Stefan Zweig, en in de jaren daarna zijn er maar weinige die sneller in de vergetelheid zijn geraakt in de Engelstalige wereld. Momenteel schijnt Zweig, de vooral productieve verhalenverteller en de belichaming van het teloorgegane Midden-Europa, weer terug te zijn, en wel op een indrukwekkende manier.

Voortdurend verschijnen er nieuwe uitgaven van zijn werk met daarbij enige die voor het eerst in het Engels vertaald werden. Films, gebaseerd op zijn werk, verschijnen; een nieuwe uitgave van zijn brieven is in voorbereiding; er zijn plannen voor nieuwe uitgaven van zijn talrijke biografieën en essays; bovendien levert zijn gecompliceerde leven stof voor nieuwe biografieën en tevens voor een Franse roman-beststeller.

“Toen ik zeven jaar geleden mijn schrijvervrienden vertelde waarmee ik mij ging bezig houden, oogstte ik slechts zwijgen en hoofdschudden”, zegt George Prochnik, de auteur van The Impossible Exile, een biografische studie van Zweigs’ laatste levensjaren, zojuist bij Other Press verschenen. “Maar plotseling is Zweig weer een fascinerend thema geworden”. Hij werd in 1881 in Wenen in een welgestelde, joodse familie geboren en groeide op in omstandigheden die hij later “het gouden tijdperk van zekerheid” zou noemen. Al vroegen in zijn leven vielen succes en erkenning hem ten deel en zij zouden hem zijn verdere leven blijven begeleiden. Maar de opkomst van het Nationaal Socialisme dwong hem tot een pijnvol en energieverslindend leven in ballingschap, eerst in Groot-Brittannië, daarna in de USA en tenslotte in Brazilië, waar hij en zijn vrouw Lotte in februari 1942 zelfmoord pleegden.

De oorzaken van de plotseling grote interesse voor Zweig zijn op het eerste gezicht moeilijk te geven en zo ontstaan er in literaire kringen hierover allerlei speculaties. In veel opzichten was Zweig een ouderwetse schrijver: zijn verhalend werk richten zich verregaand op handelingen met talrijke verwijzingen naar komende ontwikkelingen, vaak melodramatische gebeurtenissen, die op bloemrijke wijze worden verteld.

Deze sjabloonachtige structuur en wijze van vertellen biedt echter ook inkijkjes in karakters, emoties en motieven die voor zijn tijd ongewoon, ja zelfs baanbrekend waren en heden ten dage nog invloed uitoefenen Het is dan ook niet verrassend dat Zweig en Sigmund Freud bevriend waren en bewondering voor elkaars werk hadden (Zweig hield zelfs een grafrede bij de dood van Freud) en enkele van zijn steeds terugkerende thema’s handelden over de mechanismen van de menselijke geest.

Tijdens een thema-avond in de boekhandel McNally Jackson in Soho discuteerden de schrijvers André Aciman, Katie Kitamura en Anka Muhlstein met George Prochnik hierover, hetgeen Zweig voor een modern lezerspubliek interessant en aansprekend maakte. Zij werden het snel eens over de conclusie dat dit vooral te danken was aan zijn scherp waarnemingsvermogen. “De man is en ongewoon briljante psycholoog”, meende Mr. Aciman en zette Zweig vooraan in een groep schrijvers die “de diepere beweegredenen van het menselijk handelen begrijpelijk maken”. Ms Kitamura merkte op dat Zweig vooral “een meester in het beschrijven van het vrouwelijk karakter” is en hun verlangens en teleurstellingen belicht.

Er schijnt ook een element van nostalgie te zitten in de steeds opvlammende belangstelling voor Zweig, met name in de herdenking van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, honderd jaar geleden. Zijn in 1942 gepubliceerde en in het afgelopen jaar als pocketboek verschenen herinneringen gaf hij de titel Die Welt von Gestern mee en enige van zijn bekendste werken spelen in een elegante, lang vervlogen tijd van oceaanreuzen, kuuroorden in de Alpen of aan de grens van het Habsburgse Rijk gestationeerd cavalerieregiment, zoals Wes Anderson in zijn nieuwste film The Grand Budapest Hotel weer tot leven bracht.

“Ik geloof dat het ook deels te maken kan hebben met de toenemende algemene interesse in de catastrofe  van de 20ste eeuw en de poging om deze te begrijpen”, meent Edwin Frank de hoofdredacteur van New York Review Books Classics in een toelichting op de zojuist verschenen uitgave van Zweigs roman Ungeduld des Herzens tezamen met vier van zijn korte verhalen. “Zweig was zowel een geschiedschrijver van zijn wereld als een slachtoffer van de catastrofe, en dat maakt hem tot een fascinerend figuur”.

De recente interesse heeft klaarblijkelijk ook te maken met Mr. Andersons’ film. Hij gebruikt het werk van Zweig duidelijk als zijn inspiratiebron en zijn film, waarin de hoofdrolspeler Ralph Fiennis zowaar op Zweig lijkt, thematiseert enkele van de problemen waarmee de schrijver vooral bezig was, zoals staatsgrenzen, paspoorten en andere hindernissen die mobiliteit en vrijheid hinderden.

“De interesse was er al, maar zij is op een enorme wijze toegenomen”, sinds Mr. Andersons film bij de opening van de Berlijnse Filmfestspiele werd getoond, zei Adam Freudenheim, de hoofddirecteur van Pushkin Press, bij wie een groot aantal van Zweigs’ boeken werd uitgegeven. “Dit heeft niet alleen met de film te maken. Het speelt ook een grote rol dat de mensen via sociale netwerken over Zweig horen en over hem praten. Dat was zes maanden geleden nog niet het geval en het heeft zonder twijfel rechtstreekse uitwerking op onze verkoopcijfers”. In The Society of the Crossed Keys, een begeleidend kunstboek bij de film, dat in Groot-Brittannië verkrijgbaar is, heeft Mr. Anderson enkele van zijn lievelingspassages uit Zweigs’ werk geselecteerd en in een gesprek met Mr. Prochnik legt hij uit wat hem daarin zo aanspreekt. Zweig biedt: “inzicht in een wereld die de meesten van ons niet kennen en zeer de moeite van het kennen waard is”.

De licht verteerbare schrijfstijl van Zweig en zijn voorliefde voor korte verhalen maakte hem in zijn tijd tot een schrijver wiens werk vaak als materiaal voor filmscripts diende. Er zijn meer dan 70 films die uit zijn teksten voortkomen. Brief einer Unbekannten is een opwindende geschiedenis over een obsessie (die wij heden ten dage “stalking” zouden noemen) is vier maal verfilmd en tevens als opera bewerkt. Dit leek zich nog voor het uitkomen van de film The Grand Budapest Hotel te gaan herhalen: Ein Versprechen, een bewerking van Reise in die Vergangenheit (Duitse titel: Widerstand der Wirklichkeit) verfilmd door Patrice Leconte, verscheen in april 2014 en een andere Franse regisseur, Bernard Attal, draaide Die Unsichtbare Sammlung, naar het gelijknamige verhaal van Zweig.

Op het Europese continent, waar Stefan Zweig nooit in die mate als in de Engelstalige wereld verdwenen was zijn ook aanwijzingen van een toenemende belangstelling. De roman De Laatste Dagen door Laurent Seksiks, die in de Franse taal vertelt over de laatste zes maanden van Zweigs’ leven, is in de Verenigde Staten uitgegeven bij Pushkin Press en tot een bestseller uitgegroeid. Tenslotte werd Volker Weidemanns’ Ostende:1936, Sommer der Freundschaft, een in het Duits geschreven studie van Zweigs’ verhouding tot zijn collega, de Oostenrijkse romanschrijver Joseph Roth kortgeleden uitgegeven en uitgesproken positief becommentarieerd.

Niet iedereen deelde echter de geestdrift voor Stefan Zweigs’ werk, zoals een bekend artikel in de Londense Review of Books uit 2010 bewees. Hierin kenmerkte de dichter, criticus en vertaler Michael Hofman  zijn werk als “miserabel” en Zweig zelf als “de Pepsi onder de Oostenrijkse schrijvers”. Maar zelfs deze uitval van Mr. Hofman droeg bij aan de toenemende aandacht voor Zweig.  Daaraan dragen ook Anthea Bells’ schitterende nieuwe vertalingen bij. Mrs. Bell, die hiervoor de stripverhalen van Asterix en de Sprookjes van Hans Christiaan Andersen vertaald had, wordt er breed gedragen voor gewaardeerd Zweig een frisse, eigentijdse klank te hebben gegeven.

De Braziliaanse schrijver Alberto Dines, die als kind  Zweig leerde kennen en de biografie Tod im Paradis: die Tragödie Stefan Zweigs schreef, wees erop dat dit bepaald niet de eerste opleving van belangstelling voor Zweig is. Er was eerder, vlak na de Tweede Wereldoorlog, toen zijn late werken werden uitgegeven, al een opflakkering geweest, die herhaald werd in 1981 bij zijn honderdste verjaardag. De huidige opleving, die Dines  een “Zweig-manie” noemt verschilt volgens hem van de vorige, omdat dit het gevaar van mythologisering met zich meebrengt dat hem ongemerkt tot een persoon uit zijn eigen verhalen maakt, waarbij fictie en werkelijkheid door elkaar heen lopen. Dines pleit ervoor Zweig te zien als een pleitbezorger van “pacifisme, tolerantie en gemeenschappelijkheid”, die uiteindelijk ten offer valt van de opkomst van obscuur denken en duistere figuren. Hij meent dat ieder tijdperk zijn eigen Zweig kent die zijn bodem vindt op onze eigen verlangens en vage nostalgie.

Larry Rohter in de New York Times van 28 mei 2014

ZWEIG IN ITALIË – CLAUDIO MAGRIS

STEFAN ZWEIG IN ITALIË

Een nobele schrijver die in staat was neen tegen het leven te zeggen.

 

In Italië beleeft het werk van Stefan Zweig momenteel een verbazingwekkende renaissance.                 ” Iedereen is gek op Stefan Zweig” kopte kortgeleden de krant La Republica toen zij over de golf van nieuwe uitgaven en hervertalingen schreef die de laatste jaren – vooral na het vervallen van de auteursrechten in 2013 – de Italiaanse markt overspoelde. Dat was werkelijk niet altijd zo. In de tijd vlak na de oorlog verhinderde een strijd tussen Zweig’s belangrijkste Italiaanse uitgevers Mondadori en Sperling en Kupfer, dat de Oostenrijkse schrijver zijn vooroorlogse succes als de meest gelezen Duitstalige schrijver, weer kon oppakken.

Daarnaast belastte het oordeel  van Claudio Magris in zijn veelgelezen boek “De Habsburgse mythe in de Oostenrijkse literatuur”(1963) lange tijd de ontvangst van Zweig’s werk. Magris bestempelde Zweig als een klassieke vertegenwoordiger van het vage humanistische kosmopolitisme, dat zich in de Habsburgse monarchie had ontwikkeld en noemde hem een epigonale schrijver (d.i. een navolger in de kunsten, zonder veel nieuwe inbreng, DJ). Deze kritiek werd nog versterkt door een andere autoriteit in de Italiaanse germanistiek Ladislao Mittner, uitgever van populaire Duitse literatuur. Hij bestreed de aanduiding van Zweig als een vertegenwoordiger van de “moderne klassiekers”. Deze situatie veranderde in het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw toen Claudio Magris bij de uitgave van nieuwe publicaties van Zweig’s werk zijn opvattingen herzag. Hij schreef in 1991 in de krant  Il Manifesto een positief artikel  over de Oostenrijkse schrijver.

Arturo Larcati

 

DE CLAUDIO MAGRIS’ BETOOG IN IL MANIFESTO HEBBEN WIJ VOOR U VERTAALD EN VINDT U TERUG OP ONZE WEBSITE WWW.STEFANZWEIG.NL  ONDER DE CATEGORIE  STEFAN ZWEIG VANDAAG

Deze teksten zijn overgenomen uit het Duitstalige Zweigheft 14 van het Stefan Zweig Centre Salzburg.

 

CLAUDIO MAGRIS

TERUG UIT DE WERELD VAN GISTEREN

Er is een bijvoeglijk naamwoord dat in verband met Stefan Zweig telkens terugkeert als er over zijn werk en zijn persoonlijkheid wordt gesproken, namelijk “nobel”. Nobele schrijver, nobele boeken. Deze aanduiding is tweeduidig en zou zich zelfs als  tweesnijdend kunnen bewijzen. Enerzijds wijst hij op een verheven gevoels- en denkwereld, op een gevoelig, nadenkend en opmerkzaam zielsleven, dat bezorgd is over het lot van de mensheid. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de gevaren die de mensheid bedreigen, zoals het het, door Zweig zo geliefde, liberale Europa is overkomen toen het door de opkomst van het nationalisme en daarna door het nationaal-socialisme op buitengewoon gewelddadige wijze werd aangevallen. Anderzijds verwijst het bijvoeglijk naamwoord “nobel”naar een brede, maar abstracte, geest die niet tegen de crisis van de tijd waarin hij leefde en die hij probeerde in te tomen, was opgewassen. “Nobel, zo noemt men ook een zeer elegante humanist, die echter onbekwaam is die sociale krachten en kenmerken van de tijd, die hem in hun greep hebben, te begrijpen en adequaat uit te beelden.

Door zijn morele betrokkenheid en zijn hartstochtelijke oprechtheid roept Zweig vaak eerder het beeld op van een nobele geleerde dan van een schrijver die bereid is het kwaad, de tragedie van zijn tijd onder ogen te zien. Het lukt hem niet daarvan een onverbiddelijke en vooral een ook formeel onderbouwde, radicale getuigenis af te leggen. Daartoe behoort grote kunst in staat te zijn, als zij door de omringende, dreigende hel in gevaar gebracht wordt en als haar taal bedreigd wordt.

In Zweigs’ werk bespeurt men vaak een kloof tussen een dramatische, smartelijke inhoud en een te gladde, harmonische vorm, die onbedoeld rustgevend werkt. En dat terwijl Zweig in zijn leven zijn teksten toch net zo smartelijk aan den lijve had ondervonden.

Zweig vertolkte het geluid van de cultuur van een humanistisch, liberaal en tolerant Europa, waarvan hij in de Welt von Gestern het meest bekende portret heeft nagelaten. In zijn verhaal had hij het echter vaak verwisseld met de sterk gelaagde en multi-nationale wereld van zijn vaderland, het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk.

In 1881 in Wenen geboren in een Joodse familie had Zweig een Europese en kosmopolitische opvoeding genoten, die van hem een wereldburger en een erfgenaam van een zienderogen wankelend humanisme hadden gemaakt. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog had hij voor een cultureel en menselijk oecumenische samenleving gestreden en moest toezien hoe deze door de confrontatie met de nationaal-socialistische barbarij vernietigd werd. Zweig was hierdoor zo geschokt dat hij in 1942 in Zuid-Amerika in zelfmoord het enige nog te geven antwoord zag.

Als onvermoeibare advocaat van het pacifisme en de democratie toonde Zweig zijn grootmoedigheid ook in zijn privéleven, waarin hij anderen, vooral in moeilijkheden verkerende collega-schrijvers, zoals Joseph Roth, geholpen heeft. Dezen toonden zich daarvoor niet altijd dankbaar. Zijn literaire productie haalt misschien niet altijd het hoge niveau van zijn leven. Geen van zijn werken kan de tragedie, die hij zo diep had beleefd en die tot zijn ondergang had geleid, werkelijk verbeelden.

Zweig heeft veel geschreven en is van het ene naar het andere genre (romans, gedichten, biografieën, theaterstukken, essays) gewisseld. Zijn bedrevenheid toont eerder de lichtheid van een virtuoos, die een harmonieuze schrijfwijze hanteert dan de veelzijdige scheppingskracht van een schrijver, die (zoals de avonturiers in de achttiende eeuw met pen en zwaard lieten zien)  zich permanent verandert en opnieuw uitvindt. In sommige werken, vooral in zijn vertellingen, heeft hij een andere, eerder verontrustende toon aangeslagen en daarmee het geheim en de ambiguïteit van grote kunst aangeraakt.

Na het enorme succes dat hij vele decennia had genoten werd Zweig, in tijden die niet ver achter ons liggen,  grotendeels doodgezwegen of op kokette wijze belachelijk gemaakt om zijn traditionele vorm en zijn humanistische waarden. Nu lijkt het mij het juiste tijdstip weer aandacht te geven aan de persoon en zijn werk, omdat zijn betekenis als schrijver deel uit maakt van onze denkgeschiedenis die niet in de vergetelheid mag geraken. Daarenboven bevat de gecultiveerdheid die uit zijn houding spreekt een waardevolle les, zeker in het huidige culturele klimaat, waarin het wrange en verwaande geschater dat typerend is voor salonradicalisme in de plaats treedt van liberale respectvolheid.

Het werk van Zweig vandaag aan de dag weer ter discussie brengen betekent zeker niet dat ruimte gegeven moet worden aan nostalgische of restauratieve tendensen, die de huidige op het verleden gerichte smaak, benadrukken of zelfs nobele navolgers weer op het podium terug te halen. Want de modevolgende smaak biedt niet de piëteit die zijn werk oproept, maar verdringt daarentegen de grote literatuur van onze eeuw en daarnaast ook elke revolutionaire en experimentele literatuur die taal en vormen opschudt en vervolgens eisen aan de lezer stelt. Men moet, als men nu Zweig weer leest, natuurlijk niet Döblin en Brecht achterwege laten.

Door zijn veelzijdige talenten was Zweig ook, en vooral, biograaf. Joseph Fouché, de biografie van Napoleons’ duistere en ondoorgrondelijke minister, is misschien wel één van zijn beste boeken. Met de manier waarop hij deze gehate en ongrijpbare figuur benadert, probeert Zweig het geheim van de politiek, met name het perfecte machiavellisme in een kameleonachtige en misdadige uitoefening van macht, bloot te leggen. Als raadselachtig figuur en als hoofdrolspeler in de Franse Revolutie belichaamt Fouché de gewetenloosheid van een politicus die direct op geniale wijze herkent uit welke hoek de wind waait en zich telkens aan de zijde van de winnaar schaart, waarbij hij de loop der dingen juist inschat en daarmee de mogelijkheid schept om mede richting te geven. Fouché was gelijktijdig gematigd en Jacobijn, zowel klericaal  als blasfemisch tegenspeler van de kerk, aanstoker en onderdrukker van verandering, almachtige politiechef en verborgen kracht achter bepalende gebeurtenissen als de val van Robespierre en van Napoleon (twee personen, die hem in zijn bleke middelmatigheid torenhoog overstijgen, maar desondanks niet aan zijn listen ontkwamen en op paradoxale wijze aan de strijd met hem ten onder gingen.

In dit boek treedt Zweig als moralist op, niet omdat hij zich tot een bepaald ideaal bekent, maar omdat hij in het kielzog van de Franse traditie een onafhankelijke waarnemer van menselijke afgronden wil zijn. En omdat hij gefascineerd is door de ontwijkende terughoudendheid van de menselijke ziel, die hij overigens ook in zijn Erasmus-biografie schetste. Het is daarbij niet Zweigs’ bedoeling het criminele en kameleonachtige gedrag te brandmerken, maar eerder die leegte in een karakter te duiden, die het Fouché mogelijk maakte alles en gelijktijdig het tegendeel daarvan te zijn. Met dit Medusa-achtig aanpassingsvermogen aan de slijmerige gang van zaken wint Fouché het van zijn tegenstander, terwijl deze wel karakter bezit, maar slechts één en daardoor kwetsbaar is. Fouché belichaamt daarmee die onverschillige vorm van politiek die naar de woorden van Napoleon in de moderne tijd in de plaats van noodlot is gekomen en die het lot van de mensheid regeert, vooral in tijdperken van revolutie met een gewelddadig, kameleonachtig karakter.

Zweig stelt op spannende en effectieve wijze zowel de overweldigende loop der dingen bij grote ogenblikken in de wereldgeschiedenis aan de orde als ook de infame genialiteit van zijn negatieve helden. In zijn voorstelling van de gang van zaken laat hij echter achterwege te vermelden welke sociale krachten speelden. Toch is de kennis daarvan onmisbaar is om te kunnen beoordelen of Fouché slechts een zeer slimme schurk is of een authentieke, doch immorele politicus. Zweig is geen historicus en alleen een historicus kan de biografie van een hoofdrolspeler of van een bijfiguur uit de geschiedenis schrijven, desondanks blijft Zweigs’ boek over Fouché een levendige, verhelderende vertelling over een fatale fase in onze geschiedenis.

[Clarissa, de onvoltooid gebleven roman, verhaalt over vrouwelijke eenzaamheid, over dat donkere en ontmoedigende noodlot van vrouwen, dat Schnitzler, aan wie het boek is opgedragen, met een geheel andere diepte wist te vertellen. Het boek is de geschiedenis van een vrouw, die een somber, treurig leven leidt: we lezen over een verzonken en in zichzelf gekeerde jeugd; van een intensieve en verhinderde gevoelens van tederheid voorde vader – een Habsburgse officier wiens pedante en hartstochtelijke toewijding aan zijn werk en aan de militaire studie met roerend begrip beschrijft; van de liefde voor een Fransman van wie we door het uitbreken van de oorlog afscheid moet nemen en die in een “vijand”verandert van wie je onmogelijk kunt houden; van een buitenechtelijk kind en het daarop volgende huwelijk met een bedrieger. Allemaal melancholieke ervaringen die gehuld zijn in een wolk van vervreemding.

Met deze roman wilde Zweig een tijdperk en het einde ervan portretteren , maar in plaats van vertellen, beschrijft hij, in plaats van te suggereren verklaart hij op een expliciete manier. De wereld van gisteren die uit dit fragment van een roman oprijst is vreemd en troosteloos en we moeten dankbaar zijn dat we nu leven en niet toen.]

STEFAN ZWEIG IN TURKIJE

 

AHMET ARPAD

STEFAN ZWEIG IN TURKIJE

 

Burhan Arpad was schrijver, journalist en de eerste vertaler van Stefan Zweig in Turkije. In 1943 verscheen zijn vertaling van Sternstunden der Menschheit, gevolgd door Verwirrung der Gefühle, Der Amoklaüfer, Schachnovelle, Joseph Fouché , de briefwisseling tussen Stefan Zweig en Friderike von Winternitz, Die Welt von Gestern en meerdere vertellingen en novellen. Het is te danken aan mijn vader Burhan Arpad dat Stefan Zweig in Turkije bekend en geliefd werd.

Niet alleen zijn romans en novellen, ook zijn essays, maar  vooral zijn biografieën worden in Turkije graag gelezen. Drei Meister hoort tot de meest verkochte boeken en zijn in Turkije in meerdere oplagen verschenen. Veel Zweiglezers zien de werken als historische bronnen. De Turkse lezer waardeert in de werken het bijzondere optimisme van Stefan Zweig. Want Zweig gelooft altijd in de macht van vrede en het goede. Hij bemoedigt en troost de lezer en schenkt hem in uitzichtloze situaties toch levensvreugde. Ik zie Zweig als de schrijver voor kritische, humanistische en vredelievende mensen.

Hij heeft zich ingezet voor een gemeenschappelijk Europa met een gemeenschappelijke cultuur. Deze gezindheid, die hij als schrijver zijn leven lang heeft uitgedragen, maakt Zweig voor de Turkse lezers zo waardevol. Voor hen zijn de beeldend neergezette personages in romans en novellen meesterlijk. De lezer gelooft dat de persoon of het landschap werkelijk voor hem staat. Zijn inlevendheid, zijn voortreffelijke waarnemingen en zijn toekomstgerichte zienswijze maken hem, ook voor de Turkse lezer, onmisbaar en onvervangbaar.

Kortgeleden verscheen in de wekelijkse boekenbijlage van de grootste Turkse krant Zaman een groot artikel over Stefan Zweig en zijn werken in Turkije. In deze kritisch getoonzette bijdrage handelt het in eerste instantie om Zweigs vertalingen. Omdat sedert 1 januari 2013 de auteursrechten van Zweigs werk zijn vrijgevallen, werd de Turkse boekenmarkt in de kortste tijd overspoeld met talloze werken van de wereldberoemde schrijver. Er zijn verscheidene Turkse uitgevers die boeken van Zweig op de markt brengen, die door verschillende, meest onbekende vertalers in het Turks vertaald werden. In het artikel is te lezen dat in Turkije bij 46 uitgeverijen 62 werken van Zweig zijn verschenen die door 57 verschillende vertalers vertaald werden.  De schijfster kritiseert deze gang van zaken, zoekt naar de oorzaken en komt tot de volgende conclusie: nadat de auteursrechten vervallen waren wilden erg veel Turkse uitgevers tenminste één werk van Zweig erg snel op de markt brengen en daarom hebben zij gelijktijdig verschillende vertalers opdracht gegeven.

Een dergelijke handelswijze levert naar mijn mening het gevaar op van een zekere respectloosheid ten opzichte van het werk van Stefan Zweig en tevens ten opzichte van zijn lezers. Bij een dergelijke overvloed van vertalingen en vertalers kan de literatuur zelve niet meer centraal staan. Zij wordt door economische overwegingen op de achtergrond verdrongen. Het vertalen van teksten van Zweig vraagt om een intensieve afwegingen ten opzichte van van gehele werk, zijn taalgebruik, zijn ideeënwereld en zijn biografie. Het komt mij onwaarschijnlijk voor dat dit met de toegepaste handelswijze te verwerkelijken is.

De lezers waarderen de stijl van Zweig:  hij is gemakkelijk leesbaar, hij vertelt alles op een eenvoudige manier, ongeacht of het in romanvorm, essay of novelle staat. Zweig is geen schrijver die alles beter wil weten, hij is een dekselse duizendkunstenaar.  De moeilijkste themas zijn bij hem lichtvoetig en begrijpelijk. Dat is danook één van de redenen waarom de Turkse lezer van Zweig houdt. Ik denk dat zijn verteltrant op natuurlijke wijze bij de Turkse lezer past. Lezers denken bij Zweig: “Hij is een van ons!”.

 

 

Dit artikel is de vertaling van ZWEIG FÜR TÜRKISCHE LESER  door de Turkse journalist Ahmet Arpad   verschenen in Zweigheft 14 van het Stefan Zweig Centre Salzburg.

DE KWALITEIT VAN STEFAN ZWEIG (?)

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP NEDERLAND

DISCUSSIE OVER DE KWALITEIT VAN STEFAN ZWEIG (?)

Als ik in Wenen ben ga ik graag even een uurtje praten met Wil Rouleaux. Wil schrijft voor een aantal grote Nederlandse bladen recensies over Duitse literatuur. Ik lees ze met genoegen, want hij koppelt grote kennis aan scherpzinnigheid en een zeer kritische geest. Daarnaast delen Wil en ik onze bewondering voor veel van het werk van Joseph Roth. Hij deelt echter niet mijn waardering voor Stefan Zweig. Wil slaat de literaire kwaliteiten van Joseph Roth vele, vele malen hoger aan dan die van Zweig. Ik kan het met zijn inzicht niet geheel oneens zijn, maar bij mij overheerst de waardering voor Stefan Zweig als boeiend verteller over de geest van zijn tijd, over de angstaanjagende invloed van fanatisme en over de hoopvolle aanwezigheid van humaniteit.
In onze gesprekken stelt Wil zich steeds constructief naar mijn opvattingen op. Hij formuleert zijn bezwaren genuanceerd en raakt ook zo nu en dan positieve aspecten van Zweig’s vertelkunst aan. Een paar jaar geleden heeft hij zelfs, bij een kort verblijf in Nederland, voor ons Genootschap een boeiende lezing over Zweig gehouden.
In “Letter en Geest” de literaire bijlage van Trouw op 10 december jl. stipt Wil in zijn recensie over twee nieuwe uitgaven van Joseph Roth boeken (Joden op drift en Biecht van een moordenaar) ook even Stefan Zweig aan. Hij noemt Zweig “de soms twijfelachtige landgenoot” van Joseph Roth. Die formulering suggereert op z’n minst dat hij vraagtekens achter Zweig zet, maar hij laat het “waarom” en “hoe” in het midden. Het kan slaan op zijn literaire kwaliteiten, op zijn enorme productiviteit, op zijn persoonlijkheid. Het zal waarschijnlijk niet slaan op de rol van twijfel in Stefan Zweig’s werk. In de humanistische vertelkunst van Zweig speelt twijfel als een positief aspect van het menselijk denken en handelen een belangrijke rol. Hij keert zich fel tegen ééndimensionaliteit, de bron van fanatisme.
Leest u zelf mee met de beginzinnen van Wil Rouleaux’ recensie onder de titel “ Zwerven zonder te weten waarom”:
“Vrijwel compleet vertaald, regelmatig herdrukt, alom bemind: bijna geen enkele klassieke Duitstalige schrijver heeft bij ons zo’n aanhoudend succes als de grote Oostenrijker Joseph Roth (1894-1939). Concurrentie heeft hij hooguit te duchten van Thomas Mann en Kafka of van zijn soms twijfelachtige landgenoot Stefan Zweig – met wie hij in vriendschap was verbonden.”

Wil, wees zo vriendelijk ons te vertellen wat je bedoelt met de “twijfelachtige landgenoot Stefan Zweig”.
Dirk Jansen

HET ANTWOORD VAN WIL ROULEAUX

Beste Dirk,

Hieronder mijn reactie op het door jou aangehaalde citaat uit ‘Trouw’ over
Stefan Zweig.

Nogmaals mijn beste wensen, het ga je goed – en uiteraard hoop ik je bij
gelegenheid weer te kunnen ontmoeten, in Wenen, Salzburg of het Vaderland.

Hartelijks, Wil

Onverminderd ambivalent en twijfelachtig sta ik tegenover het fenomeen
Stefan Zweig. Maar laat ik met het positieve beginnen. Met ‘Die Welt von
Gestern’ heeft hij volgens mij een in veel opzichten bewonderenswaardig
herinneringsboek geschreven, terecht een klassiek werk binnen de twintigste
eeuwse wereldliteratuur. Ook de voor zijn doen opvallend nuchter en zakelijk
geschreven ‘Schachnovelle’ behoort tot het beste uit zijn tijdperk. En wie
over Stefan Zweig oordeelt mag natuurlijk zijn generositeit en
hulpvaardigheid tegenover minderbedeelden nooit vergeten; hij heeft in een
moeilijke tijd veel collega’s (en ook onbekenden) financieel en anderszins
royaal gesteund. Kortom, hij was een echte humanist.

Daar staat tegenover dat ik veel novellen van Zweig alsmede zijn enige roman
‘Ungeduld des Herzens’ en vooral zijn talrijke geromantiseerde biografieën
welhaast ongenietbaar vind door hun sentimentaliteit, pathetiek en
gezwollen-bombastische taalgebruik. Superlatieven en aaneengeregen
adjectieven zijn hier schering en inslag. Alsof Zweig aan zijn eigen
zeggingskracht twijfelde, of het bevattingsvermogen van de lezer
onderschatte. Clichés wist hij lang niet altijd te vermijden. Wat dit
laatste betreft: onvergetelijk vind ik nog steeds de ironisch-kritische
opmerking van Joseph Roth in een brief aan zijn vriend en weldoener Zweig,
nadat hij zojuist een manuscript van hem had gelezen. Roth schrijft dat hij
een hekel heeft aan “een lente die zijn schaduw vooruitwerpt.”

Roth was niet de enige die Zweigs stijl hekelde. Thomas Mann vond hem
blijkens een dagboeknotitie uit 1942 “dwaas, slap en smadelijk”, en de
strenge en zich levenslang miskend voelende Robert Musil wilde op de vlucht
voor de nationaal-socialisten onder geen beding naar Brazilië, want “daar
zit Zweig al”. Waarschijnlijk hebben jaloezie en broodnijd ook een rol
gespeeld bij de negatieve oordelen van zijn collega’s, want Zweig was en is
wereldwijd een van de populairste Duitstalige schrijvers. In Frankrijk
verschijnt zijn werk sinds kort in de ‘Bibliothèque de la Pléiade’, waarmee
je definitief bent doorgedrongen tot het schrijverswalhalla. In Italië en de
Engelstalige wereld klakt men eveneens met de tong bij het horen van zijn
naam. Ik denk dat veel lezers en liefhebbers van Zweig minder op stijl en
vorm letten dan op spanning en dramatiek. Zij vallen voor de smeuïgheid van
zijn werk, en voor de toegankelijke (of moet je zeggen populistische?)
manier waarop hij interessante thema’s als angst, obsessies en seksualiteit
heeft verwoord.

Ik zal Stefan Zweig ook in de toekomst blijven lezen – hoewel met de nodige
reserve – niet in de laatste plaats omdat ik geen genoeg kan krijgen van de
tijd waarin hij leefde.

Wil Rouleaux

DE REACTIE VAN STEPHAN PETERS

Geachte heer Jansen,

Mijn dank voor uw verrassende nieuwsbrief. En ja, alles rondom Zweig, Roth en al die andere grote (en soms wat kleinere) namen uit de Duitstalige literatuur (én filosofie) heeft ook al decennia mijn interesse. Je leest ze, pakt ze af en toe weer eens ter hand en je oog valt op berichten in de media die er over schrijven. Zweig en Roth naast elkaar leggen heeft iets van een onwezenlijke competitie in zich. Een rare gewoonte die we overal en van alle tijden tegenkomen. Wie was er nou een grotere schrijver; Reve, Herman of Mulisch? Met kans op Nooteboom uit het oog te verliezen. Of Mann en Hesse? Böll of Grass? Voor mij allemaal meesters op hun eigen wijze.

Roth had meer oog voor de politieke gevaren. Fileerde de situatie, je zou kunnen zeggen scherpzinniger, waar Zweig vanuit zijn achtergrond en wellicht ook zijn onvermogen om een andere wereld dan zijn eigen comfortabele voor te kunnen stellen, andere onderwerpen en verdiepingen verkoos. Maar dat maakt Roth voor mij geen grotere schrijver dan Zweig.

Morgen, een onwezenlijke dag op het wereldtoneel, is het precies 4 jaar geleden dat Wil R. de uitgave “Jede Freundschaft mit mir ist verderblich’ recenseerde in de NRC. Daar memoreerde hij ook zijn groeiende bewondering voor Zweig, niet zozeer als literair stylist maar wel als mens en wellicht als humanist. Wanneer ik zelf weer eens een Fischer bundel van Zweig pak en een novelle herlees heb ik altijd weer dat gevoel dat ik een mooie film heb gezien. Zweig pakt me gewoon, ik zie de mensen voor me, de verbeelding en psychologie zijn samen vaak het frame in zijn verhalen.

Misschien kent u de gedachte; welke literatuur zou ik nou tot mijn top 10 rekenen? En welke muziek? Voor mij heeft ‘Die Welt von Gestern” lang in dat lijstje gestaan. Naar aanleiding van deze mail pak ik het boek uit de kast en ik tref achterin een krantenknipsel uit 2007 aan. Jan Blokker beschrijft dat hij nooit wat met dit boek heeft gehad en ook in een vertaling dit werk van Zweig hem niet heeft kunnen pakken. Zelfs niet na het lezen van de biografie van Oliver Matuschek over het leven van Zweig. Jan Blokker, een man die ik altijd bewonderde om zijn journalistieke scherpe pen en analyses, vond “Die Welt von Gestern” teveel ’Sissi”. Dat mag af en toe misschien zo zijn maar tegen het licht van de huidige Europese uitdagingen kan het werk niet genoeg gelezen worden. Evenals “Der Mann ohne Eigenschaften” van Musil en zo kunnen we nog wel even doorgaan.

Roth (‘de melancholische balling grossierde in trefzekere observaties’ schreef Ronald Havenaar in de NRC van 5 mei 2009) is een virtuoos in scherpte en doortastendheid. Ik lees zijn werk met evenveel plezier maar het appelleert aan andere competenties van een intellectueel met een goede pen. Ieder zijn domein, of ze nu Dostojevski of Tolstoj heten. Kunst geeft troost en ook onze huidige tijd laat zien dat we er niet voldoende genoeg van kunnen hebben. Geëngageerde analytici (zoals wijlen ter Braak) of verhalenvertellers die ons empathisch vermogen ontwikkelen, geven ons de munitie tegen de groeiende lege frasen van vandaag. Zweig blijft voor mij een icoon die we momenteel met node missen. Weliswaar evenals Mann niet vooroplopend in politieke statements maar wat een prachtige woorden, zinnen en psychologische parels hebben ze achtergelaten!

(“Nein Roth, nicht hart werden an der Härte der Zeit, das heißt, sie bejahen, sie verstärken! Nicht kämpferisch werden, nicht unerbittlich, weil die Unerbittlichen durch ihre Brutalität triumphieren – Sie lieber widerlegen durch das Anderssein, sich höhnen lassen für seine Schwäche statt seine Natur zu verleugnen. Roth werden sie nicht bitter, wir brauchen Sie, denn die Zeit, soviel Blut sie auch säuft, ist doch sehr anämisch an geistiger Kraft. Erhalten Sie Sich! Und bleiben wir beisammen, wir Wenige!” (Zweig aan Roth, 25 sept. 1937 vanuit Londen).

met vriendelijke groeten,

Stephan Peters

KORTE REACTIE VAN WIL ROULEAUX

Wil Rouleaux:
Roth was niet de enige die Zweigs stijl hekelde. Thomas Mann vond hem
blijkens een dagboeknotitie uit 1942 “dwaas, slap en smadelijk”, en de
strenge en zich levenslang miskend voelende Robert Musil wilde op de vlucht
voor de nationaal-socialisten onder geen beding naar Brazilië, want “daar
zit Zweig al”. Waarschijnlijk hebben jaloezie en broodnijd ook een rol
gespeeld bij de negatieve oordelen van zijn collega’s, want Zweig was en is
wereldwijd een van de populairste Duitstalige schrijvers.

KORTE REACTIE VAN STEPHAN PETERS
Stephan Peters schrijft mij op 3 februari:
U mag Wil Rouleaux nog wel meegeven dat de ambivalentie in de relatie tussen Mann en Zweig weliswaar klopt maar dat zijn aantekening “dwaas, slap en smadelijk” uit z’n context is. Mann schrijft op 2 maart 1942 vanuit zijn luie stoel in Californië: “….Stimmen zum Tode Zweigs, den ich albern, schwächlich und schimpflich finde.” Thomas Mann vindt m.i. de dood (doelend op de zelfmoord) dwaas, slap en smadelijk, niet Zweig zelf. (2 febr)
ANTWOORD WIL ROULEAUX
Wil Rouleaux:
De opmerking van Thomas Mann in zijn dagboek van 2 maart 1942 kan grammaticaal gezien inderdaad betrekking hebben op zowel de dood van Zweig als op diens werk/persoon.
Wat tegen het eerste spreekt is dat Mann al enkele dagen daarvoor op dezelfde plaats over de plotselinge dood van Zweig schreef: “Rätselhaftes Vorkommnis”. Nu een herhaling? Nee, ik denk dat Mann hier het werk van Zweig bedoelt.
Zeker is dat Mann op diverse andere plaatsen in zijn dagboek allerminst vleiend over Zweigs oeuvre heeft geoordeeld (net als zijn zoon Klaus). Overigens heeft Thomas Mann publiekelijk juist wel positief over Zweig gesproken. Vlak na Zweigs dood bijvoorbeeld in ‘Aufbau’, het in Amerika verschijnende Duitstalige maandblad voor emigranten. Mann was zoals bekend een huichelaar, of moet je zeggen: hij was te elegant om een collega publiekelijk te bekritiseren?

Hartelijke groet vanuit old-Vienna, Wil

PS Je mag deze mail doorsturen naar de gerespecteerde Stephan Peters.

DE MENING VAN DE VERTALER VAN HET BETREFFENDE BOEK PAUL BEERS

Paul Beers
Beste Wil en Stephan,
uit de geciteerde woorden van Mann blijkt dat jullie mijn vertaling van diens dagboek hebben gebruikt.
Ik citeer nu voor de volledigheid alles wat Mann in die dagen over Zweigs dood heeft genoteerd:

Maandag 23 februari 1942
‘Telefonisch een telegram van Ch. Neider dat Stefan Zweig zich in Brazilië samen met zijn vrouw van het leven heeft beroofd. Raadselachtig voorval.’
[het lijkt mij duidelijk dat dit alleen op die dood slaat, niet op het werk]

Dinsdag 24 februari 1942
‘Over Zweigs dood in de krant, nagelaten statement, volstrekt ontoereikend.’

Maandag 2 maart 1942
‘De “Aufbau”, reacties op Zweigs dood die[‘den’] ik dwaas, slap en smadelijk vind. “Onze wereld verdwijnt.” Ik erken niet dat wat verdwijnt, mijn wereld was. Wie zal zich met het liberale humanisme identificeren.’
[ook hier blijkt toch duidelijk dat Mann alleen Zweigs dood bedoelt; en je ziet, Wil, dat in deze zelfde aantekening de ‘Aufbau’ al vermeld wordt]

DE AFRONDENDE REACTIE VAN WIL ROULEAUX

Wil Rouleaux 26-2-2017
De zogenaamde discusssie die is ontstaan over de dagboekpassage van Thomas Mann naar aanleiding van Stefan Zweigs zelfmoord is feitelijk gezocht en overbodig. De onbevangen lezer oordele zelf.
Mann schrijft letterlijk op 2 maart 1942: “Stimmen zum Tode Zweigs, den ich albern schwächlich und schimpflich finde.” (In de vertaling: ‘dwaas, slap en smadelijk’.)
Het gaat hier dus om een doodgewone accusatief (“…den ich…”), die zowel betrekking kan hebben op de dood van Zweig als op diens werk/persoon en misschien zelfs wel op beide.
Hoe de fijne meestervertaler Paul Beers nu van menig kan zijn “hier blijkt toch duidelijk dat Mann alleen Zweigs dood bedoelt” is mij een raadsel.

Ik heb eerder op jouw verzoek mijn ambivalente houding tegenover Zweigs werk enigszins onderbouwd en toen ook enkele kritische stemmen van zijn collega’s aangehaald. Ik wilde er niet te veel noemen om de indruk te vermijden dat ik tegen Zweig polemiseer, waar geen enkele aanleiding toe bestaat.
De volgende reactie van Thomas Mann in zijn dagboek van mei 1939 heb ik toen dus weggelaten. Mann schrijft daar over een tafelgesprek met zijn familieleden over de vraag welke schrijver “Die Palme der Minderwertigkeit” verdient, en hij noemt ondermeer Erich Maria Remarque, Emil Ludwig en Lion Feuchtwanger. Maar als eerste noemt hij uitgerekend Stefan Zweig. Let wel: de schrijver met wie hij uiterst vriendelijk correspondeerde en die hij in zijn Aufbau-herdenkingsartikel lof toezwaaide.

EN TENSLOTTE DE BRIEF VAN BEWONDERAAR CORRY SPIJKERS:
Dag Dirk,

Waarom is de meerderheid van Zweig lezers zo door hem geboeid? Want dat is
zijn geheim, je raakt geboeid ook ik, vanaf de eerste blz. “De wereld van
gisteren” heb ik meerdere keren gelezen. Bij een spannend boek zonder veel
literaire kwaliteiten is dat bij mij niet zo. Wat is er dan dat zo boeit?
Ik denk de stemming, je bent a.h.w. ter plekke. Dat doen niet veel hem na.
Vandaar die jaloezie ? Laat zijn criticasters maar kletsen, men zal hem nog
lang blijven lezen.

Waar kan ik wat vinden over zijn reis naar Brazilië en zijn zelf gekozen
dood, wat ik hem vanuit mijn egoïsme wel kwalijk neem.
Hij had ons nog zoveel meer kunnen vertellen.

Hartelijke groet

Corrie Spijkers

DUITSERS EN FANATISME

 

 

     

 

Beste vriendinnen en vrienden,

 

Afgelopen zondag had ik het genoegen een lezing te geven over “Stefan Zweig en fanatisme” op uitnodiging van een vereniging van in Nederland werkzame Duitsers. De opkomst was niet groot, maar de discussie achteraf daarentegen zeer interessant.

Mijn verhaal gaat over de wijze waarop Stefan Zweig zijn afkeer van fanatisme in zijn verhalen weet te verwerken. Vooral zijn geromantiseerde biografie “Triumpf und Tragik des Erasmus von Rotterdam” leent zich uitstekend voor dit doel. Zowel het verhaal van de verbeten strijd tussen de intellectueel Erasmus en de populist Luther, als het taalgebruik en de citaatkeuze van Zweig scheppen een kleurrijk beeld van de opvattingen van Stefan Zweig over fanatisme.

Het verhaal wordt echter grimmiger als de indringende dreiging die er van groepsfanatisme op de menselijke geest en op de maatschappelijke verhoudingen aan de orde komt. Omdat beelden en muziek een verhaal vaak sterk kunnen ondersteunen gebruik ik onder meer een scene uit de film Cabaret van Bob Fosse. Hierin wordt, vrij indringend, het ontstaan van groepsfanatisme in beeld gebracht. Een jongeman uit de Nazi-beweging brengt door het zingen van een lied een menigte vreedzaam bier en thee drinkende Duitsers in vuur en vlam.

Voor een zaal met Nederlanders werkte deze aanpak goed. Maar, eerlijk gezegd, vroeg ik mij toch enigszins bezorgd af hoe een Duits gehoor hierop zou reageren.

Ik kan u melden dat de intensiteit van het gesprek achteraf groot was. De betoverende werking van het opgenomen worden in groepsfanatisme en het “roesachtig” karakter werd ervan worden, door jong en oud, herkend en open besproken. Terecht werd er ook op gewezen dat het veel gelijkenis heeft met het gemeenschappelijk beleven van een voetbalwedstrijd in een stadion. Alleen maakt in het gevaarlijke groepsfanatisme geweld vaak deel uit van het gebeuren. Het was goed en indringend praten met deze Duitsers over groepsfanatisme, ook in hun eigen verleden.

 

In onze eigen tijd vlammen de voorbeelden van groepsfanatisme regelmatig weer op.  De activiteiten van IS vormen een van de verontrustende voorbeelden. De bevattelijkheid voor de verleidingen van groepsfanatisme lijken potentieel in ieder mens te schuilen. Er is vaak slechts een vonk nodig om het te activeren.

 

Maar daar gaat de lezing dan ook over: het fenomeen zelf is moeilijk te bestrijden of voorkomen. Het enige middel dat we hebben zijn pogingen het groepsfanatismeproces zichtbaar te maken, uit de halfbewuste sfeer te halen, woorden te geven, liefst met beelden en muziek. Maar dat blijft een kwetsbare poging.

 

Dirk Jansen