Essay Sigmund Freud en Zweig

Klarer, nicht glücklicher.’                                              
Stefan Zweig en Sigmund Freud

door Piet Wackie Eysten

Deel 1

‘Sigmund Freud hat die Menschheit – herrliche Tat eines einzelnen Menschen – klarer über sich selbst gemacht: ich sage klarer, nicht glücklicher.’

Stefan Zweig, ‘Die Heilung durch den Geist.’

‘die biographische Wahrheit ist nicht zu haben, und wenn mann sie hätte, wäre sie nicht zu brauchen.’

        Sigmund Freud aan Arnold(!) Zweig, 31 mei 1936

 

Op 26 april 1908, een zondag, vond in Hotel Bristol in Salzburg het Eerste Internationale Psychoanalytische Congres plaats. Sigmund Freud had het congres geopend met een toespraak over een dwangneurose die door hem was behandeld. Bij thuiskomst in Wenen, een paar dagen later, trof hij een exemplaar aan van een drama in verzen, Tersites, hem door de auteur toegezonden. De naam van die auteur, Stefan Zweig, was hem niet  onbekend. ‘Doordat ik uw bundel Die frühen Kränze gelezen heb weet ik’, schreef hij terug, ‘dat u een dichter bent en dat de prachtige, vloeiende verzen die mij tegenklinken als ik het boek opsla mij een uur van het hoogste genot beloven.’

Het leeftijdsverschil tussen Freud en Zweig was groot. Freud was nog net geen 52, Zweig pas 27. Deze korte eerste briefwisseling was het begin van een relatie die zou uitgroeien tot een vriendschap die Zweig jaren later in Die Welt von gestern een van de vruchtbaarste van zijn leven zou noemen. In de eerste hoofdstukken van dat boek beschrijft hij het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog, waar volgens het bekende aforisme van Karl Kraus de straten met cultuur in plaats van met asfalt waren geplaveid. Wie als schooljongen een beroemdheid als Freud of Mahler op straat had gezien vertelde dat de volgende ochtend aan zijn vrienden, als was het een persoonlijke triomf. Freud, die met zijn grote wetenschappelijke prestaties als geleerde het hoogste niveau had bereikt, schrijft Zweig, was toen ‘voor mij de verpersoonlijking van de wetenschap.’

Freud, evenals Zweig van joodse komaf, was geboren op 6 mei 1856 in Freiberg in Moravië (thans Pŕíbor in het uiterste oosten van Tsjechië) – naar hijzelf later schreef ‘een provinciaal gat’. In Wenen, waar zijn ouders met hem en zijn zusje Anna in 1860 naartoe verhuisden, kreeg hij er nog vier zusjes en een broertje bij. Zijn relatie tot Wenen is altijd ambivalent gebleven, hoezeer wij misschien ook geneigd zijn de psychoanalyse te beschouwen als een typisch product van de sensuele sfeer van die stad rond 1900. Menigmaal gaf hij uiting aan zijn afkeer van Wenen. Toch zou hij er praktisch zijn hele leven blijven wonen, tot hij in 1938, tweeëntachtig jaar oud en ernstig ziek, genoodzaakt was Oostenrijk, omgedoopt tot ‘Ostmark’, te ontvluchten en naar Engeland uitweek.

‘Ambitieus, op het oog zelfverzekerd, briljant op school en alles lezend wat er te lezen viel’, schrijft zijn biograaf Peter Gay, ‘had de opgroeiende Freud alle reden om te geloven dat hem een schitterende carrière te wachten stond’. Het is tekenend dat de jonge Sigmund, ambitieus als hij was, liever sprak van ‘weetbegeerte’ (‘Wiβbegierde’) dan van wijsbegeerte. Het eindexamen gymnasium, dat hij in juni 1873 summa cum laude aflegde, leek deze toekomstverwachting te bevestigen. Zijn aanvankelijke keuze voor de rechtenstudie liet hij varen om zich in te schrijven aan de medische faculteit van de universiteit van Wenen. Daarbij ging het hem er niet zozeer om als arts te praktiseren, maar om grondig wetenschappelijk onderzoek te doen naar de raadsels van de geest en de natuur, in een ‘samengaan van ziel en exactheid, met een intelligentie die de dubbelzinnige diepten van de ziel wil peilen met de analytische gestrengheid van de wetenschap’, om een formulering van Claudio Magris te lenen. ‘Een levenslange zwerftocht door de natuurwetenschappen’, noemde hij het later zelf, ‘gedreven door een soort dorst naar kennis.’

Het eerste onderwerp waarmee Freud deze kennisdorst trachtte te lessen was een onderzoeksopdracht van zijn hoogleraar zoölogie over de vraag of palingen geslachtsklieren hebben. Daarvoor reisde hij in het voorjaar van 1876 naar Triëst. Hij ontleedde er naar verluidt vierhonderd palingen, maar kwam niet tot een eenduidig antwoord. Na zijn terugkeer in Wenen stapte hij over naar het Fysiologisch Instituut van Prof. Ernst Wilhelm von Brücke, wiens assistent hij werd. De veel oudere Brücke werd een vaderlijke vriend voor hem, zijn derde zoon zou naar Brücke worden vernoemd. In 1881 – het geboortejaar van Stefan Zweig – promoveerde Freud op een proefschrift over het ruggenmerg van lagere vissoorten. Hij bleef aanvankelijk werkzaam in het instituut van Brücke, en studeerde enige tijd in Parijs bij professor Jean-Martin Charcot, een van de grondleggers van de neurologie. Charcot, die hypnose als een geëigend middel beschouwde voor de genezing van fysieke aandoeningen, had grote invloed op Freud. Ook naar deze leermeester werd een zoon vernoemd. Charcot was, tegen de heersende opvatting in, van oordeel dat hysterie niet alleen bij vrouwen, maar ook bij mannen kon voorkomen. Freuds voordracht ‘Over mannelijke hysterie’ (1889), waarmee hij in Wenen zijn vakbroeders ver vooruit was, vond daar weinig weerklank.

In 1882 had Sigmund inmiddels Martha Bernays leren kennen, vijf jaar jonger dan hijzelf. Zij traden vier jaar later in het huwelijk en zouden zes kinderen krijgen. Freud nam ontslag bij het Algemeen Ziekenhuis, waar hij tot dan toe als Privatdozent voor zenuwziekten werkzaam was geweest, en begon een eigen praktijk als arts. Hij legde zich speciaal toe op de behandeling van psychische klachten. Hij was van mening dat lichamelijke ziektebeelden ook psychogene oorzaken kunnen hebben. In 1896 bezigde hij voor het eerst de term psychoanalyse en onderwierp zichzelf aan een systematische en grondige ‘Selbstanalyse. Eind 1899 verscheen Die Traumdeutung, wat zijn beroemdste boek zou worden. Op basis van een aantal beschreven dromen geeft Freud daarin een integrale theoretische uiteenzetting over de psyche. Het boek werd koel ontvangen. Freud werd uitgemaakt voor fantast en kwakzalver[1]. Aan de scherpe pen van Karl Kraus ontlokte het de beroemde definitie van psychoanalyse als ‘de geestesziekte die zichzelf beweert te bestrijden.’ Ook poneerde Kraus in zijn eenmansblad Die Fackel de stelling dat Freuds psychoanalytische methode ‘eerder een leek tot deskundige dan een zieke beter maakt.’ Het is niet verbazend dat Freud weinig waardering had voor Der Fackelkraus, volgens hem ‘een idiote halve gare met een groot toneeltalent, een getalenteerd beest met een tomeloze ijdelheid’.

Meer succes had Freud enkele jaren later met Zur Psychopathologie des Alltagslebens, over de psychopathologie van het dagelijks leven. Daarin behandelt hij de Fehlleistungen, die wij ook vandaag nog ‘Freudiaanse vergissingen’ noemen. Zijn voorbeeld is de vergadervoorzitter die de vergadering waar hij tegen opziet uit onbewuste afkeer opent met de woorden dat hij haar ‘gesloten’ verklaart.

Inmiddels was Freud verhuisd naar het nog steeds beroemde, en thans – na een ingrijpende verbouwing in 1996 – als Freudmuseum te bezoeken adres Berggasse 19. Hij zou er 47 jaar blijven wonen, tot aan zijn gedwongen vertrek naar Londen in 1938.

===

In het laatste hoofdstuk van Die Welt von gestern, zijn ‘Erinnerungsbuch’, beschrijft Stefan Zweig deze beroemde stadgenoot als ‘de eigenwijze en moeizaam voortwerkende zonderling […], fanatiek zoeker naar waarheid, die zich had vervreemd van de universiteit en haar academische behoedzaamheden door zich te wagen in de tot dan toe angstvallig gemeden gebieden van de aardse-onderaardse driftenwereld.’ Het was die aardse-onderaardse driftenwereld waar Freud zich thuis zou voelen. Maar zover waren de meeste van zijn collega’s en vakgenoten nog lang niet. Hij ontmoette bij hen door antisemitisme gevoed wantrouwen en ressentiment. Het duurde tot 1902 – Freud was inmiddels 46 jaar – voordat hem een benoeming tot buitengewoon hoogleraar ten deel viel[2]. Toch groeiden de wekelijkse bijeenkomsten bij hem thuis, waarin hij met collega’s over psychoanalytische kwestie discussieerde, in enkele jaren uit tot de Wiener Psychoanalytiche Vereinigung. In de daarop volgende jaren publiceerde Freud veel van de door hem behandelde praktijkgevallen. Zijn geschriften over de techniek van de psychoanalytische behandeling waren baanbrekend.

Met zijn twee belangrijkste bewonderaars en volgelingen, de Oostenrijkse arts Alfred Adler en de Zwitser Carl Gustav Jung, kwam het echter tot een breuk. In 1911 was Adler al met enkele volgelingen uit de Psychoanalytische Vereinigung gestapt, een paar jaar later verbrak Freud ook zijn band met Jung. Zelf bleef hij onverminderd productief. In 1912 verscheen zijn Totem und Tabu. Daarin breidt hij zijn tot dan toe medische onderzoek uit met de bestudering van primitieve en prehistorische volken om meer inzicht te krijgen in het menselijke driftleven. Dat onderzoek is van fundamentele betekenis, ook voor zijn latere werk. De lezingen die hij tijdens de Eerste Wereldoorlog hield aan de universiteit werden in 1917 uitgegeven onder de titel Vorlesungen zur Einführung in die Psychoanalyse en bezorgden hem een grote lezerskring.

===

Stefan Zweig werd door de oorlog overvallen tijdens een verblijf in België. Hij had er, zoals elk jaar, de zomermaanden doorgebracht bij zijn vriend de Belgische dichter Émile Verhaeren, voor wie hij een grote bewondering had. Hij keerde spoorslags terug naar Wenen. Daar werd hij als dienstplichtige te werk gesteld bij de Oostenrijkse Kriegspressedienst, een propagandistische nieuwsdienst van het Oostenrijks-Hongaarse leger. Hij en zijn collega’s daar, onder wie ook Rainer Maria Rilke en Hugo von Hofmannsthal, hadden tot taak Duitse wapenfeiten te verheerlijken. Lang hield Zweig het er niet uit. Hij slaagde erin verlof te krijgen om, samen met zijn latere vrouw Friderike von Winternitz, in Zwitserland de repetities en de première van zijn treurspel Jeremias bij te wonen. Pas in maart 1919 zouden zij terugkeren en zich vestigen in de grote villa op de Kapuzinerberg in Salzburg die zij tijdens de oorlog hadden gekocht. In het neutrale Zwitserland was Zweig onder de indruk geraakt van het pacifisme van de Franse schrijver Romain Rolland, die hij in Parijs had leren kennen. Deze grote humanist en Nobelprijswinnaar werd en bleef een inspirerende, levenslange vriend van Zweig.

Vanaf het begin van hun correspondentie stuurden Zweig en Freud elkaar trouw hun nieuwste publicaties toe. ‘Herrn Siegmund [sic] Freud, dem grossen Wegweiser ins Unbewuste, in immer erneuter Verehrung, schreef Zweig in 1920 in zijn bundel Drei Meister, levensbeschrijvingen van Balzac, Dickens en Dostojevski, toevallig (of niet?) alle drie afkomstig uit een van de Europese landen waarmee Oostenrijk kort tevoren in oorlog was geweest. Deze bundel was het eerste deel van wat zou uitgroeien tot de reeks Baumeister der Welt. Het boek ontlokte aan Freud een uitvoerige psychologische uiteenzetting. Hij had het, schrijft hij, ‘met buitengewoon veel plezier’ gelezen. Balzac en Dickens zijn perfect getekend, meende hij, maar dat was niet zo moeilijk, ‘dat zijn eenvoudige, rechtlijnige figuren.’ Maar met ‘die gecompliceerde Russen’ was dat anders. Hij acht het ‘zeer onwaarschijnlijk’ dat Dostojevski aan epilepsie heeft geleden. Veeleer was er bij hem sprake geweest van hysterie, die voortkomt uit ‘dezelfde archaïsche oerkracht die zich ook uit in een geniaal kunstenaarschap’. In Dostojevski’s geval komt daar nog de traumatische ervaring bij van het conflict van de jonge Fjodor met zijn vader, waarop kennelijk de in de roman beschreven vadermoord van de broers Karamazoff is gebaseerd[3].

===

In mei 1924 werd met een groots Musikfest in Wenen de zestigste verjaardag gevierd van Richard Strauss. Romain Rolland, die met Zweig èn met Strauss bevriend was, was er voor naar Wenen gekomen. Aan Friderike schreef Zweig hoe hij genoot van de aanwezigheid van zijn held Rolland, met wie hij in Wenen veel optrok. ‘We hebben iedere avond opera’, schreef hij, ‘ich strausse kräftig mit’.[4]

Rolland had Zweig gevraagd een bezoek te organiseren bij Freud, die hij bewonderde en graag wilde ontmoeten. Freud ging enthousiast op het voorstel in en vroeg Zweig mee te komen. Vanwege een recente operatie[5] had hij moeite met spreken, zijn Frans zou daardoor voor een gesprek met Rolland waarschijnlijk ‘unbrauchbar’ zijn, vreesde hij. Deze historische ontmoeting  vond plaats op woensdag 14 mei 1924. Er zijn [mij] helaas geen bijzonderheden over bekend.

Met Der Kampf mit dem Dämon, drie essays over Hölderlin, Kleist en Nietzsche, dat hij aan Freud opdroeg, zette Zweig in 1925 zijn reeks Baumeister der Welt voort. Freud was vol lof. ‘U weet met taal iets te bereiken wat bij mijn weten niemand u nadoet. U verstaat de kunst in woorden de kleinste détails tastbaar te maken en weet als geen ander verhoudingen en hoedanigheden in woorden weer te geven.’ Hij eindigde zijn brief met de laconieke constatering dat hijzelf ‘strijd met demonen’ slechts als voorwerp van wetenschap beschouwde. Dit laatste leek hij te bevestigen met Das Unbehagen in der Kultur, dat in 1929 verscheen, een van zijn invloedrijkste geschriften en een formidabele prestatie voor een 73-jarige. De culturele ontwikkeling van de mens, meent Freud, wordt bepaald door de strijd tussen de drift tot leven en de drift tot vernietiging, levensdrift en doodsdrift, Eros en Thanatos, die beide in de mens leven. De cultuur legt aan beide, zowel aan de liefde als aan agressieve neigingen, beperkingen op en veroorzaken zodoende een druk, die wij – al dan niet bewust – als ‘onbehagen’ ervaren. Zweig bedankt Freud voor het hem toegezonden exemplaar en noemt het een ‘uitzonderlijk’ werk, dat ‘als een koepel uw oeuvre omspant’.

Over hun verhouding was overigens kort tevoren even een schaduw gevallen. Begin december 1929 had Freud tot zijn verbazing en ergernis een citaat van Zweig ontdekt op een affiche voor een fel tegen Freud gericht boek van een zekere Dr. Maylan. Hoe kan het, schreef Freud nog diezelfde dag aan Zweig, dat een boek van deze ‘boosaardige nar’ door u wordt aanbevolen? Hoe is dat mogelijk? Hebt u het boek gelezen? Hoe komt u daarbij? Kent u die man? Enz.

Zweig reageerde per kerende post. Maylan, die hij niét kende, had hem het boek ongevraagd toegezonden. Zweig had gedacht het misschien te kunnen gebruiken bij het Freud-essay waaraan hij werkte. Gelezen had hij het niet, wel Maylan – een steenrijke Amerikaan – voor de toezending bedankt. Daarvan werd nu kennelijk in de reclame voor het boek brutaal en ongevraagd gebruik gemaakt. Freud is gerustgesteld. Maar, ‘sinds de Amerikaanse methoden van ‘rücksichtlose Reklame’ tot Europa zijn doorgedrongen, kan men niet voorzichtig genoeg zijn in zijn uitlatingen’, kan hij niet laten op te merken.

Zweigs literaire productie in deze jaren is verbazingwekkend. Het succes was ‘als een onbekende bij [hem] binnengekomen om niet meer te vertrekken’, schrijft hij in zijn herinneringen. ‘Wie fruchtbar-fleiβig Sie sind!’, schrijft Freud hem als hij weer een boek toegestuurd heeft gekregen. Nadat in november 1926 Zweigs Volpone, een bewerking van een komedie van de zeventiende-eeuwse Ben Jonson, met veel succes was opgevoerd in het Wiener Burgtheater, verschenen het jaar daarop vijf van zijn Sternstunden en drie gebundelde novellen. In minder dan geen tijd waren daarvan 30.000 exemplaren verkocht. De novelle Verwirrung der Gefühle, de laatste van de drie, oogstte bij Freud de hoogste lof. Die vindt hij ‘zo kunstig, openhartig, oprecht en gevoelig, zo vrij van iedere onwaarachtigheid of sentimentaliteit, dat ik mij niets volmaakters kan voorstellen.’  ’Nog nooit’, schreef Zweigs collega Franz Werfel hem, ‘is homoseksualiteit tragischer, mooier en verzoenender in beeld gebracht.’

De reeks Baumeister der Welt werd het jaar daarop voortgezet met Drei Dichter ihres Lebens, drie essays over Casanova, Stendhal en Tolstoi. Drie jaar later volgde opnieuw zo’n drieluik, Die Heilung durch den Geist, met opstellen over Mesmer[6], Mary Baker-Eddy[7] en … Sigmund Freud.

Het beviel Freud maar half dat zijn jonge vriend zich aan zijn levensbeschrijving wijdde. Hij hield niet van biografieën, zeker niet als hijzelf het voorwerp ervan zou zijn. Aan Arnold Zweig (geen familie), met wie hij eveneens correspondeerde, schreef Freud in september 1930, dat ‘der andere Zweig’ hem het afgelopen halfjaar ‘einen starken Grund zur Unzufriedenheit’ had gegeven. Het was hem bekend, schreef hij, dat Zweig bezig was hem ‘tot een essay te verwerken’ en hem zodoende, samen met Mesmer en Baker Eddy ‘aan de openbaarheid prijs te geven.’ Mogelijk was hij weinig gelukkig, dat hij in gezelschap van een magnetiseur en de stichter van de Christian Science werd geportretteerd, suggereert Zweigs biograaf Serge Niémetz. Maar Freud overwint zijn misgivings en stelt aan Zweig zijn archief ter beschikking: ’Nu het niet lukt u van uw voornemen af te brengen zit er niets anders op dan U erbij te helpen’.

 

[1] Het is enigszins onthutsend om anno 2020 in een boekbespreking in de krant te lezen dat ‘de tijd van creatieve charlatans als Sigmund Freud ook niet alles was.’ (NRC 4 december 2020)

[2] Pas in 1920, Freud is dan 63 jaar, zou zijn benoeming tot gewoon hoogleraar volgen.

[3] In 1928 verscheen Freuds essay Dostojewski und die Vatertötung.

[4] Zweig kon niet vermoeden dat hij enkele jaren later als librettist nauw met Strauss zou samenwerken aan diens komische opera Die schweigsame Frau.

[5] Hij was in april geopereerd aan een carcinoom in bovenkaak en verhemelte, dat kwaadaardig bleek te zijn. Hij moest daarna vele operaties ondergaan en was sedertdien genoodzaakt een pijnlijke prothese te dragen, waardoor hij moeilijk sprak.

[6] Franz Anton Mesmer (1734-1815), ontdekker van ‘dierlijk magnetisme’ (mesmerisme), door Mozart vereeuwigd in de opera Cosí fan tutte.

[7] Mary Baker Eddy (1821-1910), Amerikaanse theologe, grondlegger van Christian Science.

Comments are closed.