JOSEPH ROTH EN STEFAN ZWEIG

Zweig


NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP NEDERLAND
Oktober 2020

Beste Zweig lezeressen en –lezers,
Er is in de literatuur vaak over vriendschappen geschreven. Een boeiend en rijk onderwerp. In deze rij hoort ongetwijfeld ook de vriendschap tussen Joseph Roth en Stefan Zweig thuis. Een gecompliceerde relatie, waarover de discussie over de gelijkwaardigheid in deze vriendschap nog niet is uitgewoed.
Piet Wackie Eysten schreef hierover een boeiend en diepgravend essay. Het is ons een eer en genoegen om dit verhaal hierbij aan u te presenteren.

Dirk Jansen Stefan Zweig Genootschap Nederland

Een heilige drinker in de wereld van gisteren.
De vriendschap van Stefan Zweig en Joseph Roth.
Door Piet Wackie Eysten

‘Sie sind mir nicht allein geistig nahe, sondern körperlich. Es ist die Nabelschnur der Freundschaft: die gibt es.’
(Joseph Roth aan Stefan Zweig, 2 augustus 1937)

Het beeld dat Volker Weidermann in het begin van zijn korte roman Ostende 1936, Sommer der Freundschaft schetst van Joseph Roths eerste, vergeefse bezoek aan Stefan Zweig is ontroerend. Het is Wenen, 1913. De jonge student Roth – hij is achttien jaar – staat in stille bewondering voor de woning van de bewonderde schrijver en durft niet aan te bellen. Een kwarteeuw later zal hij Zweig op een aandoenlijke manier alsnog bedanken voor dit vergeefse bezoek. ‘Als een bakvis’, schrijft hij hem in juli 1936, tijdens een gezamenlijk verblijf in Oostende, ‘wil ik u nog voor alles dankzeggen, zoals ik het destijds gedaan zou hebben, toen ik u als achttienjarige tevergeefs in uw huis in Wenen probeerde te vinden.’
Moses Joseph Roth is op 2 september 1894 geboren in Brody, een garnizoensplaats in Galicië (nu West-Oekraïne), een belangrijke, voornamelijk door Joden bevolkte handelsstad tussen Oost- en West-Europa, vlakbij de Russische grens, in de meest oostelijke uithoek van Oostenrijk-Hongarije. Hij heeft zich in 1913, na zijn eindexamen – ‘mit Auszeichnung’ – aan het K.K. Kronprinz-Rudolf Gymnasium in Brody, als student germanistiek laten inschrijven aan de universiteit van Lemberg, die hij al na één semester verruilt voor die van Wenen.
Stefan Zweig is geboren in Wenen op 28 november 1881 en dus bijna dertien ouder dan zijn jonge bewonderaar. Hij heeft al op jonge leeftijd naam gemaakt met enkele dichtbundels, de novellenbundels Die Liebe der Erika Ewald en Erstes Erlebnis en enkele toneelstukken. Van zijn hand zijn bovendien vertalingen verschenen van gedichten van Paul Verlaine en Emile Verhaeren.
Het zou nog jaren duren voordat de jonge student zijn idool ontmoette.

In een van zijn feuilletons in de Frankfurter Zeitung, getiteld Musik im Volksgarten, beschrijft Roth jaren later een zoele voorjaarsavond, zoals hij die als eerstejaars in Wenen kan hebben meegemaakt in het laatste vooroorlogse voorjaar, toen de bevolking van de Reichshaupt- und Residenzstadt zich nog met de gebruikelijke onbevangenheid rondom de muziektent kon scharen. Het laatste stuk dat de band speelde was de Radetzkymars. Die werd niet meer van blad gespeeld, schrijft hij, maar van lege lessenaars. ‘Het was alsof de mars op papier helemaal niet meer bestond maar de muzikanten als het ware in het bloed zat, zij speelden uit het hoofd, zonder na te denken, zoals je ook ademt zonder na te denken.’
Aan deze idyllische sfeer wordt door de moord op de Oostenrijkse troonopvolger en de daarmee ontketende Wereldoorlog op brute wijze een eind gemaakt. Het Oostenrijkse leger lijdt gevoelige nederlagen tegen de Russen. In Roths land van herkomst Galicië vallen talloze slachtoffers, duizenden slaan op de vlucht.
Over zijn eigen krijgsverrichtingen heeft Roth, zoals een van zijn biografen schrijft, ‘een web van legenden gesponnen’; een andere spreekt van ‘fantasievolle onwaarheden’. Er valt dus niet veel met zekerheid over te zeggen. Hoe dat zij, vast staat wel dat hij zich in augustus 1916 vrijwillig aanmeldt bij het 21e Feldjäger-Bataillon; later dient hij ook in andere onderdelen. Van hem waren toen in de Österreichischse Illustrierte Zeitung al gedichten en enkele korte prozastukken verschenen. ‘Man druckte meine Dummheiten. Ich lebte davon. Ich wurde Schriftsteller’, vat hij later deze periode kort samen.
De dood van Keizer Franz Joseph, na een regeringsperiode van achtenzestig jaar, in november 1916 en diens bijzetting in de Kapuzinergruft, de Weense grafkelder van de Habsburgers, maakten grote indruk op Roth. Ook Stefan Zweig herinnert zich in Die Welt von gestern ‘die mistige, natte winterdag’, waarop hij ‘de katafalk zag toen de grijsaard midden in de oorlog in de Kapuzinergruft te rusten werd gelegd. De keizer was voor ons de aanduiding geweest van alle macht, alle rijkdom, het symbool van het voortbestaan van Oostenrijk’. Roth zou er zich tot aan het eind van zijn leven niet bij willen neerleggen dat aan dat voortbestaan definitief een einde was gekomen.
In maart 1919 keert Stefan Zweig, die de laatste oorlogsjaren in Zwitserland heeft doorgebracht, terug naar Oostenrijk. In Salzburg betrekken hij en Friderike von Winternitz, met wie hij het jaar daarop trouwt, het grote huis op de Kapuzinerberg, dat zij kort tevoren hebben gekocht. Er breekt voor Zweig een uiterst vruchtbare periode aan. Het grote huis, een voormalig jachtslot van de keizerlijke familie, lijkt een inspiratiebron voor hem te zijn. De eerstvolgende jaren zijn de meest productieve van zijn leven. Essays, vertalingen, inleidingen bij werk van anderen, novellen, de eerste Sternstunden, het verschijnt allemaal in hoog tempo. Zijn roem, ‘een gast die ik nooit verwacht had’, schrijft hij in Die Welt von gestern, verspreidt zich wereldwijd.
Het lijkt of nu ook Joseph Roth zijn bestemming heeft gevonden. In april 1919 verschijnt het eerste feuilleton van een lange reeks in het nieuwe Weense dagblad Der Neue Tag, het zijn er in het eerste jaar meer dan honderd. Hij richt zich daarin voornamelijk op de sociale gevolgen van de oorlog voor de Weense bevolking, armoede, werkeloosheid, voedselgebrek, de vele oorlogsinvaliden, maar ook op politieke kwesties, maatschappelijke en economische problemen, de overgang van keizerrijk naar republiek, de positie van de Joden. Hij zal, behalve later als romancier, vooral als auteur van feuilletons en reportages grote bekendheid krijgen. Maar aan deze naoorlogse wieg heeft ook een kwade fee gestaan, die de vloek van de drankzucht, die hem te gronde zal richten, over hem lijkt te hebben uitgesproken.
Als in 1920 Der Neue Tag in Wenen ophoudt te verschijnen verhuist Roth naar Berlijn, waar hij voor het Berliner Tageblatt en andere kranten kan schrijven. Zijn medewerking aan de Berliner Börsen-Courier zegt hij na korte tijd alweer op. Hij wil niet ‘voor een burgerlijk publiek dagelijks zijn socialisme hoeven te verloochenen’, laat hij de redactie weten. Zijn artikelen en feuilletons, zoiets als tegenwoordig onze columns, ondertekent hij nu met ‘Der rote Joseph’. Zij worden bekend en gewaardeerd. De Frankfurter Zeitung stuurt hem als ‘reiscorrespondent’ naar Rusland, Hongarije, Italië.
Inmiddels is hij op 5 maart 1922 in Wenen getrouwd met de beeldschone Friederike Reichler, zes jaar jonger dan hij. Het jaar daarop verschijnt in Wenen in wekelijkse afleveringen in de Arbeiterzeitung zijn eerste roman, Das Spinnennetz. De laatste aflevering verschijnt op 8 november, drie dagen voordat in München de mislukte ‘Bierkellerputsch’ van de heren Hitler en Ludendorff plaatsvindt. Beiden komen reeds met naam en toenaam in de roman voor. Ook als romanschrijver beschikt de journalist Roth blijkbaar over een gevoelige antenne voor de politieke actualiteit. In de vooraankondiging van de serie vermeldt de Arbeiterzeitung dat de roman het ‘moeras’ schildert van de ‘morele en geestelijke verwildering waaruit als Blüte das Hakenkreuztum opstijgt’ – waarbij bedacht moet worden dat Blüte zowel bloesem als zweer of puist kan betekenen.
Vanaf begin twintiger jaren verschijnen Roths romans met grote regelmaat. Zijn tot nu toe gepubliceerde feuilletons en zijn veelzijdige journalistieke werk zijn als de wortels in de voedingsbodem waaruit de romans als bloemen oprijzen. In zijn boek Hotel Savoy, dat in 1924 verschijnt, symboliseert een in verval geraakt hotel, dat uiteindelijk door brand wordt verwoest, de desastreuze economische situatie van de meeste Oost-Europese landen na de voor hen fatale Vrede van Versailles.
Een kort verblijf in Parijs als correspondent van de Frankfurter Zeitung wordt gevolgd door een uitgebreide reis door Rusland, waarvan een lange reeks artikelen, Reise in Ruβland, het resultaat is. Kort daarop verschijnt Roths grote essay Juden auf Wanderschaft, over cultuur en geschiedenis van de joden uit Oost-Europa, spoedig gevolgd door de roman Die Flucht ohne Ende. Dat boek beschrijft de heilloze zwerftocht van een Oostenrijkse officier, Franz Tunda, die in de Eerste Wereldoorlog vlucht uit Russische gevangenschap, in de Russische burgeroorlog terecht komt en nergens een vast en veilig onderkomen vindt. Roths naam als auteur is nu definitief gevestigd.
Het is Roths grote essay Juden auf Wanderschaft, verschenen in 1927, dat Zweig en Roth bij elkaar brengt. Het beschrijft het droevige lot van de ‘Ostjuden’, de bewoners van Roths land van herkomst. Hij behandelt in een hier en daar snijdend proza de ellende van de arme en door de oorlogshandelingen van huis en haard verdreven bevolking, de problemen van assimilatie en integratie en breekt de staf over het arrogante Westen. Een bittere grap in dit verband is die van de zwerver die aan een vriend vertelt dat hij van plan is naar Amerika te vertrekken. ‘Waarom zo vér?’ vraagt de vriend. Waarop de man antwoordt: ‘Weit? Weit von wo?’
Zweig en Roth waren toen natuurlijk reeds geen onbekenden meer voor elkaar, maar een persoonlijke ontmoeting had nog niet plaats gevonden. Die zou tot het voorjaar van 1929 op zich laten wachten. In een brief van 8 september 1927, de eerste die van hun briefwisseling bewaard is gebleven, bedankt Roth Zweig voor de ‘hartelijke woorden’ die hij hem geschreven heeft over zijn ‘Judenbuch’. Hij zou Zweig graag willen ontmoeten. ‘Tot midden februari’, schrijft hij, ‘ben ik in Parijs’ en geeft Zweig zijn adres daar. ‘Een ontmoeting met u zal de vervulling zijn van een oprechte hartenwens.’ Als hij een jaar later die hartenwens herhaalt (‘Staat u mij toe nogmaals te zeggen dat ik ernaar verlang een persoonlijke relatie met u op te bouwen.’) antwoordt Zweig per omgaande dat ook hij bepaald het gevoel heeft dat een gesprek hen dicht bij elkaar zou brengen. Maar zij zijn allebei veelvuldig en vaak langdurig op reis, Roth vanwege zijn reisreportages voor de Frankfurter Zeitung, Zweig onder andere door zijn reis naar Rusland, waar hij Oostenrijk vertegenwoordigt bij de viering van Tolstois honderdste geboortejaar. Een afspraak komt voorlopig niet tot stand.
In deze jaren openbaart zich bij Friedl, Roths vrouw, steeds duidelijker haar geestesziekte, die in 1928 definitief als schizofrenie wordt gediagnosticeerd. Het betekent voor de rest van Josephs leven een onnoemelijk zware last, zowel financieel (Friedls verblijf in diverse opeenvolgende psychiatrische instellingen kost handen vol geld), als psychisch. Roth verwijt zichzelf dat hij de ziekte zo niet veroorzaakt, dan toch verergerd heeft door zijn toenemend alcoholgebruik en onregelmatige leven. Alleen in het begin van hun huwelijk hebben zij in Berlijn korte tijd een eigen woning gehad, daarna leeft Roth uitsluitend in hotels en pensions. In augustus 1929 wordt Friedl opgenomen in Nervenanstalt Westend in Berlijn. Vandaar zal zij nog naar andere instellingen worden overgebracht, om te eindigen in een instituut in Linz, waar zij in 1940 in het kader van het ‘euthanasieprogramma’ van de nazi’s wordt vergast.
Vanwege de ernstige zorgen om zijn vrouw, schermutselingen met de redactie van de Frankfurter Zeitung en lastige onderhandelingen met zijn uitgever, komt een persoonlijke kennismaking met Zweig pas in mei 1929 tot stand, in Salzburg. ‘Heute Joseph Roth zu Tisch, sehr angenehm, klug und interessant’, rapporteert Zweig aan zijn vrouw. Die eerste ontmoeting heeft hen kennelijk dichter bij elkaar gebracht. ‘Sinds ik u heb ontmoet’, schrijft Roth als hij terug is in Parijs, dat later zijn min of meer vaste woonplaats zal worden, ‘ben ik veel sterker in mezelf gaan geloven, dankzij u. (…) Na onze ontmoeting had ik het gevoel dat we elkaar absoluut zo snel mogelijk terug moesten zien.’
Maar daar komt voorlopig niets van. Roth maakt, zoals hij Zweig in september laat weten, ‘afschuwelijke dingen’ mee. Sinds de opname van zijn vrouw krijgt hij al weken geen woord meer op papier, hij heeft het gevoel ‘dat het ongeluk [hem] als een zwarte muur omgeeft.’ Zweig beantwoordt deze jobstijdingen met een lang epistel. Hij voelt ‘uit de grond van zijn hart’ met Roth mee, nu nog van een afstand, maar – voegt ook hij daaraan toe – ‘hopelijk binnenkort van dichtbij.’
Het jaar daarop is Roth wat langer, van half april tot begin mei, in Salzburg. Hij logeert er in Hotel Stein onderaan de Kapuzinerberg. Over hun contact in die periode zijn helaas weinig bijzonderheden bekend. Wel is duidelijk dat zijn verblijf in Salzburg Roth goed heeft gedaan. ‘U bent erin geslaagd, toen ik bij u was, wat vrolijkheid aan mij te ontlokken’, schrijft hij na terugkeer in Berlijn. Zijn brieven van de volgende maanden lopen over van vriendschapsbetuigingen (‘ik hoop dat u evenveel aan mij denkt als ik aan U.’ ‘Uw vriendschap is al maanden het enige wat mij troost brengt’, etc.). Maar zij behelzen ook vrij gedetailleerde mededelingen over zijn financiële nood. Friedls ziekte vergt enorme bedragen, uitgevers weigeren verdere voorschotten, de Frankfurter Zeitung betaalt slecht voor zijn artikelen, etc., etc.. Van Zweigs reactie is in de bewaard gebleven correspondentie slechts weinig te vinden, maar het is geen geheim dat hij Roth, nu en later, financieel ruimhartig heeft bijgestaan met substantiële bedragen die hij Roth schonk of ‘leende’.
Natuurlijk wisselen de beide auteurs ook hun werken uit. Zweigs Fouché noemt Roth ‘schitterend als altijd’, Zweig schrijft een lovende recensie over Roths Hiob, het verhaal van een doorsneemens, die alle beproevingen van Job ondergaat, ‘verteld met Bijbelse eenvoud en een wonderlijke warmte van hart’. Het is Joseph Roths eerste grote succes als romancier.
Er is geen twijfel aan dat Zweig altijd grote bewondering voor Roth heeft gehad en hem als literator hoger aansloeg dan zichzelf. Omgekeerd was dat niet het geval. Soma Morgenstern, een jeugdvriend van Roth, vertelt in zijn boek Roths Flucht und Ende, dat hij tegen Roth eens zei dat Zweig ‘alleen maar bewondering, echte bewondering’ voor hem had. ‘Ik niet voor hem’ was Roths antwoord, ‘en dat is óók echt.’
Roth is in de regel tamelijk openhartig in zijn commentaar op concepten of drukproeven die Zweig hem toestuurt. ‘Het begin is een beetje zwaar’, schrijft hij bijvoorbeeld over Zweigs studie over Anton Mesmer, een van de drie opstellen in Die Heilung durch den Geist. ‘Niet iets waarmee je in de tekst komt. (…) Ik zou de zinnen splitsen en inkorten’. En elders, naar aanleiding van Zweigs Castellio gegen Calvin: ‘U herhaalt te vaak en te opvallend ‘steeds’ en ‘nooit’’. Ook tegen ‘de ballast van metaforen’ waarschuwt Roth zijn vriend ergens. Het is, eerlijk gezegd, kritiek waarbij ook de huidige Zweiglezer zich wel iets kan voorstellen. Maar deze openhartigheid maakt tegelijkertijd de loftuitingen, waarmee Roth bepaald niet spaarzaam is (‘ware klassieke schoonheid, met de gewichtige lichtheid van echte kwaliteit’), alleen maar overtuigender. Soms gaan lof en kritiek zelfs hand in hand: ‘Uw mooie rijkdom aan associaties tiranniseert u soms.’
Begin 1931 reist Zweig van Parijs, waar hij voorbereidingen treft voor zijn Marie Antoinette, samen met Friderike naar Majorca. Maar om de toeristische drukte daar te ontlopen, vertrekken zij al snel naar Cap d’Antibes, aan het uiterste zuidoostelijke puntje van Frankrijk aan de Middellandse Zee. Zij logeren er in Hotel du Cap d’Antibes, waar Roth zich, op uitnodiging van Zweig, in februari bij hen voegt.
Het gezamenlijke verblijf in Cap d’Antibes (pas eind maart keren de Zweigs terug naar Salzburg) is de bekroning van hun vriendschap. Het is voor beiden een vruchtbare periode. Roth werkt er aan zijn Radetzkymarsch, Zweig aan zijn biografie van Marie Antoinette. Friderike zou zich later herinneren hoe Roth bijdragen leverde aan Zweigs tekst, terwijl Stefan op zijn beurt Roth suggesties deed voor diens Radetzkymarsch. Beide boeken verschijnen in de loop van 1932. Het succes van Radetzkymarsch (waaraan Roth overigens nog werkt als de eerste afleveringen al in de Frankfurter Zeitung zijn verschenen) overtreft nog dat van Hiob. De journalist-chroniqueur is definitief uitgegroeid tot succesvol romancier.
Het lukt Zweig in deze paar maanden bovendien Roth minder te doen drinken. Voor Zweig, schrijft zijn Franse biograaf Serge Niémetz, was het een van de laatste echt gelukkige periodes van zijn leven. Zijn Britse collega is het daarmee eens: Donald Prater spreekt van ‘een verwevenheid van werk, rust en vriendschap.’ Toch ligt er een geheimzinnige schaduw over deze periode. Brieven werden er tussen de met elkaar bevriende hotelgasten natuurlijk niet gewisseld. Toch is er uit deze periode één, helaas ongedateerde, brief bewaard gebleven, een kort briefje van Roth aan ‘Beste Stefan Zweig’: ‘Ik vertrek naar Antibes en zal daar misschien tot vanavond blijven’. Wil hij tijdelijk wat afstand nemen? ‘Vergeeft u mij dat ik zo onuitstaanbaar was, ik voel goed dat u het mij erg kwalijk neemt. Dit is echter gedeeltelijk – sta mij toe eerlijk te zijn – het gevolg van de spanningen die bestaan tussen uw lieve vrouw en u en mij.’
Wij kunnen er slechts naar gissen wat die spanningen waren. Wat Roth er verder over schrijft (‘Ik wil niet dat onze vriendschap – ze is in gevaar – kapotgaat, niet aan vrouwen en niet aan zaken die minder belangrijk zijn.’) maakt dat ook niet duidelijk. Diepe wonden lijkt dit intermezzo echter niet te hebben geslagen, want de correspondentie is naderhand weer even hartelijk als voorheen.
Nog geen twee jaar na deze voor beide schrijvers vreedzame en vruchtbare periode grijpen Hitler en zijn trawanten in januari 1933 in Duitsland de macht. Zweig, op het hoogtepunt van zijn carrière, wijkt begin 1934 uit naar Londen, de gevierde journalist en romanschrijver Roth naar Parijs. Voor hun boeken is er in het Duitse taalgebied geen toekomst meer. Roth lijkt dat beter te beseffen dan Zweig. ‘Het zal u wel duidelijk zijn’, schrijft hij na Hitlers machtsovername vanuit Parijs aan Zweig, ‘dat ons enorme catastrofes te wachten staan. Afgezien van de persoonlijke catastrofes – ons literaire en materiële bestaan is immers tenietgedaan – leidt het ons naar een nieuwe oorlog. Ik geef geen cent meer voor ons leven. Het is ze gelukt de barbarij aan de macht te brengen, maakt u zich geen illusies. De hel regeert.’
Zweig is vooralsnog terughoudender, al is ook hij pessimistisch. ‘Mijn politieke pessimisme is mateloos’, schrijft hij aan Roth. ‘Ik geloof aan de naderende oorlog zoals anderen aan God.’ Maar zijn principiële pacifisme en onpartijdigheid beletten hem vooralsnog openlijk partij te kiezen. Dat komt hem op bittere kritiek van Roth te staan: ‘Als iets me vol van haat maakt, dan alleen dat u zwijgt! (..) U biedt nergens een antwoord op met uw zachtaardigheid, die trouwens geen zachtaardigheid is, maar een vlucht.’ Zweig reageert per kerende post. Roths brief maakt hem droevig, schrijft hij. ‘Roth, vriend, broeder – wat gaat die rotzooi om ons heen ons aan! Ik lees één keer per week de krant en heb het met de leugens van alle landen gehad. (…) Ik zal u niet tegenspreken als u zegt dat ik vlucht. U vergeet dat ik slechts één ding verdedig: de onaantastbaarheid van de individuele vrijheid.’ In Londen voltooit hij in 1934 zijn Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam. Het is zijn antwoord op de toenemende polarisering en radicalisering in de Europese beschaving. Roth noemt het in een brief ‘het meest nobele boek dat u geschreven hebt (…), de biografie van uw spiegelbeeld.’
Zweigs financiële steun aan zijn berooide vriend is intussen harder nodig dan ooit. Sinds enkele jaren leeft Roth samen met Andrea Manga Bell, die hij in 1929 heeft leren kennen. Zij is afkomstig uit de voormalige Duitse kolonie Kameroen, dochter van een Duitse moeder en een Cubaan, en heeft twee jonge kinderen van een Kameroense vader. Dat betekent voor Roth een extra zware financiële last, naast de onafwendbare kosten voor zijn geesteszieke vrouw. Bovendien vervalt Roth weer in overmatig alcoholgebruik, ondanks Zweigs vermaningen (‘Uw dagelijkse alcoholrantsoen moet omlaag!’) en goede raad.
Roth verblijft deze jaren veelvuldig in Amsterdam, waar zijn boeken worden uitgegeven door de daar in 1933 opgerichte exiluitgeverijen Em. Querido en Allert de Lange. Na een lange, klagelijke brief van Roth vanuit Amsterdam, stelt Zweig voor elkaar die zomer, het is 1936, in België te treffen, in Oostende, ‘mooier en koffiehuisachtiger dan Brussel’. Aan België heeft hij goede herinneringen. Hij heeft er in zijn jeugd met zijn ouders vakanties doorgebracht en er in 1902 de door hem vereerde Belgische dichter Emile Verhaeren, wiens gedichten hij als jongeman al had vertaald, leren kennen. Tot Verhaerens dood in 1916 zijn zij met elkaar bevriend gebleven. Vanuit Oostende had hij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog nog juist, met de laatste trein, zijn vaderland kunnen bereiken. ‘De zomer van 1914’, schrijft hij later in Die Welt von gestern, ‘zou ook zonder het noodlot dat hij over de Europese aarde bracht onvergetelijk voor mij zijn geweest, zelden heb ik een zomer meegemaakt die bloeiender, mooier, om niet te zeggen zomerser was.’
Nu, tweeëntwintig jaar later, is hij weer in Oostende. Maar de omstandigheden zijn onvergelijkbaar. Hij is er met zijn secretaresse, Lotte Altmann, met wie hij een verhouding heeft, de relatie met Friderike is uiterst gespannen. De verkoop van het grote huis op de Kapuzinerberg verloopt problematisch. Ook zijn er problemen met de uitgave van zijn Castellio. Een door een kleine tweehonderd schrijvers en kunstenaars ondertekende publieke gelukwens aan Sigmund Freud bij diens tachtigste verjaardag, waartoe Zweig samen met Thomas Mann, Romain Rolland, Jules Romains, H.G. Wells en Virginia Woolf het initiatief heeft genomen, heeft veel voeten in de aarde. Hij heeft behoefte aan een rustige omgeving om ongestoord te kunnen werken, onder andere aan twee nieuwe Sternstunden.
Met Roth is het niet veel beter. Hij zit, zoals vaker, financieel geheel aan de grond, voelt zich ziek. ‘Ik ben zeer verzwakt en kan nauwelijks lopen’, schrijft hij aan Zweig, ‘hartkloppingen, pijn in de hartstreek, vreselijke migraine, uitvallende tanden.’ Hij is er bijna aan toe ‘de dood met open armen te ontvangen’, zijn kamer ‘ziet eruit als een doodskist.’ Bovendien had het samenleven met Andrea Manga Bell en haar beide kinderen (‘mijn negerstam’, zegt Roth) hem steeds meer benauwd. Hij heeft weliswaar zelf een eind aan hun verhouding gemaakt, maar wordt door schuldgevoel daarover geplaagd.

Roth en Zweig in Oostende
Tegelijk met Zweig en Roth verblijven nog enkele andere door de nazi’s in ballingschap gejaagde literaire vrienden in Oostende. Hermann Kesten, als lector bij Uitgeverij De Lange bevriend met Roth, is er, evenals de Tsjechische schrijver en journalist Egon Erwin Kisch. Onverwacht duikt ook de Duitse toneelschrijver Ernst Toller op in Oostende. De jonge schrijfster Irmgard Keun, door Kisch in deze kring geïntroduceerd, heeft met Roth een bovengemiddelde alcoholconsumptie gemeen en deelt met hem in minder dan geen tijd hetzelfde hotel. Zij zou in Parijs en op Roths vele reizen geruime tijd met hem samenleven.
Aan de cafétafeltjes van Oostende lijken de gebeurtenissen die de rest van de wereld die zomer in hun ban houden – het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog op 17 juli evengoed als de Olympische spelen in Berlijn in augustus – voorbij te gaan. Voor Zweig en Roth, ieder bezig met eigen werk, lijken de goede tijden van Cap d’Antibes te herleven. Evenals aan de Zuidfranse zeekust weigert Roth ook hier, hoezeer Zweig ook aandringt, de zee in te gaan, met de onweerlegbare argumentatie dat de vissen toch ook niet naar zijn café toe komen. Hermann Kesten, ooggetuige, vertelt in zijn boek Meine Freunde die Poeten hoe Roth, nadat Zweig hem bij een chique kleermaker een broek heeft laten aanmeten, de volgende dag, toegejuicht door Irmgard Keun, een vol glas likeur over zijn jasje uitstort, omdat ‘de miljonair’ Zweig niet ook een bijpassend jasje voor hem heeft gekocht (wat hij vervolgens alsnog doet). Stefan is ondanks alles tevreden over zijn verblijf in Oostende, hij is ‘so zufrieden wie selten,’ schrijft hij op 30 juli aan Friderike. ‘Roth heb ik er weer wat bovenop kunnen helpen, hij eet nu elke dag, alleen tot wandelen heb ik hem niet kunnen bewegen, laat staan zwemmen.’
De volgende dag keert Zweig terug naar Londen, om een week later vanuit Southampton zijn reis naar Zuid-Amerika aan te vangen. Het zou voor de wereldberoemde auteur een bezoek worden met de allures van een staatsbezoek. Roth blijft voorlopig met Irmgard Keun nog in Oostende. Hij keert pas in oktober terug naar Amsterdam, waar hij, als steeds, logeert in Hotel Eden aan de Warmoesstraat. Daar wordt een maand later, naar hij beweert (sommige van zijn vrienden, onder anderen Irmgard en Zweig twijfelen daaraan) zijn bagage gestolen, vermoedelijk door de chef de réception van het hotel, die als vertrouweling van Roth te boek staat.
Bij zijn terugkeer uit Zuid-Amerika wordt Zweig op 5 oktober in Southampton afgehaald door Friderike. Er is tijdens zijn afwezigheid van alles mis gegaan, onder andere met de Engelse vertaling van zijn Castellio en met de uitgave van zijn verzamelde verhalen en novellen. Zijn nieuwe uitgever, Herbert Reichner, ‘hat alles falsch gemacht, immer muss man alles selbst tun!’, foetert hij tegen Friderike. Hun verstandhouding is er sowieso niet beter op geworden. Het steekt Stefan al langere tijd dat Roth met Friderike vertrouwelijker omgaat dan met hem. Al vorig jaar heeft Stefan hem in een brief uit Parijs tegenover haar smalend, ‘jouw biechtvader’ genoemd. Roths correspondentie met Friderike is inderdaad steeds persoonlijker geworden, zozeer zelfs dat hij haar met Du aanspreekt, terwijl het tussen Roth en Zweig altijd Sie is gebleven. Is Stefan ook van zijn kant tegenover zijn vriend afstandelijker geworden? ‘U bent (…) sinds we in Oostende zo weemoedig afscheid hebben genomen en vooral sinds uw terugkeer uit Zuid-Amerika, in een toestand dat u op elke vraag of elk verzoek helemaal niet of verkeerd reageert’, verwijt Roth hem.
Op uitnodiging van Friderike logeren ‘Rothi’ – zoals zij hem graag noemt – en Irmgard Keun in het voorjaar van 1937 weer enkele weken in hotel Stein in Salzburg. Friderike woont niet langer in het grote huis; dat wordt verkocht en ontruimd. Haar onderhandelingen met Stefan in Londen over de echtscheiding verlopen moeizaam, er gaan bittere verwijten over en weer. Begin mei is Stefan twee dagen in Salzburg voor de overdracht van het huis en reist dan door naar Wenen, om met zijn advocaat de verdere zakelijke consequenties, onder andere de alimentatie voor Friderike, definitief te regelen. Dat hij zich de tijd niet gunt om Roth, die dan nog in hotel Stein logeert, te ontmoeten, komt hem op diens verontwaardigde reactie te staan. ‘Het is ongehoord wat u mij aandoet. U hebt de plicht mij als vriend te respecteren. (…) U gaat vriendschappelijker om met Scheiβkerlen dan met mij. (…) Uw vrouw heeft daar niets mee te maken. Als dat wel zo zou zijn, zou ik het u (en haar, vooral haar) zeggen. Meteen!’ Aan Lotte doet Stefan vanuit Wenen verslag van ‘de bittere strijd’ die hij in Salzburg heeft moeten voeren, tussen zijn werk door ‘en ’s avonds met die gruwelijk bezopen Roth’.
Als Zweig van Wenen terugreist naar Zürich, waar Lotte op hem wacht, vindt tijdens een tussenstop op het station van Salzburg een ontmoeting plaats met Friderike. Roth heeft haar naar het station begeleid. Tot diens verbazing en grote verontwaardiging reist zij met Stefan mee tot Zell am See. Vandaar sturen zij gezamenlijk een telegram aan de advocaten om de over de scheiding bereikte overeenstemming ongedaan te maken. Maar voor hij in Zürich aankomt is Stefan alweer van gedachten veranderd. Hij stuurt opnieuw een telegram, om zijn eerdere bericht terug te nemen, en reist met Lotte door naar Londen. Een scheiding van Friderike is nu onafwendbaar.
Roth, voorlopig nog in Salzburg, is kritisch. Ik ben ‘werkelijk ontroostbaar’, schrijft Friderike aan Stefan, ‘dat ik hem ondanks alle uitleg niet heb kunnen afbrengen van de vervreemding die hij zichzelf tegenover jou aanpraat en die geheel onterecht is. Hij beweert dat je onoprecht tegen hem bent geweest en dat vaak zonder reden. Terwijl juist híj degene is die blijkbaar vaak onwaarheden vertelt.’
Terug in Londen schrijft Stefan Friderike een lange, bittere brief. ‘Ik begin aan mezelf te twijfelen’, schrijft hij, ‘nu ik zie dat ook mijn oudste vrienden, zoals Roth en Rolland, zich van mij vervreemden.’ Voelt Friderike zich aangesproken? ‘Hopelijk raakt Roth langzamerhand minder verbitterd tegenover jou’, schrijft zij Stefan terug. ‘Ik heb hem dikwijls nadrukkelijk gezegd, dat hij ongelijk heeft. Het komt natuurlijk ook door zijn grote genegenheid voor mij, maar juist daarom heb ik er alles aan gedaan om hem duidelijk te maken hoeveel jullie vriendschap voor mij betekent.’
Zoals altijd in moeilijke omstandigheden tracht Zweig ook nu zich zoveel mogelijk te begraven in zijn werk, in casu zijn roman Ungeduld des Herzen, die in 1939 in Stockholm en in Londen (onder de titel Beware of pity) verschijnt. In oktober 1937 had hij nog aan Roth laten weten dat hij de eerste versie van die roman had voltooid: ‘Hoe goed zou het zijn met u te kunnen overleggen! Wanneer zien we elkaar? Uw ongelukkige minnaar en afgedankte vriend.’
Medio februari 1938 treffen de beide vrienden elkaar in Parijs. Het zou hun laatste ontmoeting zijn. Nog voor het einde van die maand onderneemt Roth een tot mislukken gedoemde poging om de inlijving van Oostenrijk bij Hitlers Duitsland te voorkomen. Namens de Oostenrijkse legitimisten, die Otto van Habsburg (met wie Roth persoonlijke contacten onderhoudt – de dagen van ‘rote Joseph’ zijn lang voorbij) als legitieme troonpretendent beschouwen, reist hij op 22 februari naar Wenen. Maar hij slaagt er niet in tot bondskanselier Schuschnigg door te dringen. Hij komt niet verder dan een hooggeplaatste veiligheidsbeambte, die hem aanraadt Oostenrijk zo snel mogelijk te verlaten.
Roths gezondheid gaat intussen snel achteruit. Desalniettemin spant hij zich in om de nood onder de berooide emigranten in Parijs te lenigen. Op de vraag van een journalist welke invloed de oorlogsdreiging heeft op de literatuur antwoordt Roth kribbig: ‘Wat gaat mij de literatuur aan? Het enige waar het op aankomt is dat de mensen te eten hebben!’ Hij helpt uit Duitsland of Oostenrijk gevluchte lotgenoten om bij ambtelijke instanties een visum of andere papieren te verkrijgen die zij nodig hebben, maar ook op andere wijze: ‘Ik kan mij er zo over verheugen’, schrijft hij aan Zweig, ‘als iemand zichtbaar blij is met een boekje buskaartjes dat ik hem stiekem heb toegestopt.’ En enige tijd later: ‘Ik ben overstelpt met Oostenrijkse dingen, met vluchtelingencomités en dergelijke meer.’ Ook Friderike, die eveneens naar Parijs is uitgeweken en met wie hij regelmatig contact heeft, staat hij bij.
Zweigs laatste brief aan Roth draagt geen datum. Hij moet van vóor 17 december 1938 dateren, want op die datum vertrekken Stefan en Lotte vanuit Londen naar New York, vanwaar zij pas in het voorjaar terugkeren. ‘Ik heb u drie of vier keer geschreven’, schrijft Zweig, ‘steeds zonder antwoord, en ik meen door onze oude vriendschap het recht te hebben u te vragen wat u met deze hardnekkige en hopelijk niet slecht bedoelde stilte wilt zeggen. (…) Ik schrijf u dit zonder een sprankje negatieve gezindheid, maar gewoon en welgemeend informandi causa.’ De brief is, voorzover bekend, onbeantwoord gebleven.
Als hotel Foyot, Roths vaste adres in Parijs, wegens verregaande bouwvalligheid wordt gesloopt, verhuist hij naar een zolderkamertje in Hotel de la Poste aan de overkant, waar ook zijn oude jeugdvriend Soma Morgenstern woont. Hij leeft – én schrijft, zoals hij gewend was – in het bijbehorende café, Café Tournon. Zijn gezondheid heeft meer dan ooit te lijden onder zijn onmatige drankgebruik. Die Legende vom heiligen Trinker, dat pas na zijn dood zal worden gepubliceerd, is zijn laatste verhaal. Hij noemt het zijn ‘testament’. Is de dakloze Andreas Kartak een versluierd zelfportret? En ‘der Herr gesetzten Alters, der übrigens wohlgekleidet war und den Eindruck eines Reisenden machte’ Zweig?
Bij het vernemen van de zelfmoord van zijn vriend Ernst Toller, die zich tijdens een tournee in Amerika van kant heeft gemaakt, stort Roth letterlijk in elkaar. Hij wordt naar een ziekenhuis overgebracht. Daar gaat hij snel verder achteruit, krijgt longontsteking en lijdt, ook fysiek, onder de gedwongen geheelonthouding. Na vier dagen, op 27 mei 1939, overlijdt Joseph Roth, nog geen 45 jaar oud. Hij wordt begraven op Cimetière Thiais, even buiten Parijs. Onder de velen die de begrafenis bijwonen zijn Hermann Kesten en Friderike Zweig, die zich over Roths nagelaten papieren ontfermen. Namens Otto van Habsburg wordt een krans gelegd.
Stefan Zweig is bij de begrafenisplechtigheid opvallend afwezig. Was – afgezien van de mogelijke visumproblemen – de combinatie van joodse gebeden, het medeleven van Oostenrijkse monarchisten, de aanwezigheid van Roths communistische vrienden, alles onder de zegenende handen van een katholieke priester, een te afschrikwekkende cocktail om ervoor uit Londen over te komen? Misschien. Onzichtbaar aanwezig was hij in zekere zin wel: aan Friderike liet hij weten dat hij alle kosten voor zijn rekening nam.
In de Londense The Sunday Times van 28 mei verscheen een In memoriam van zijn hand. Hij noemt daarin Roths proza ‘a model of perfect style. (…) A whole generation loses with him a great example, and his friends a wonderful friend.’ Een jaar later spreekt hij in Londen een rede uit tijdens een herdenkingsbijenkomst – waarvoor de Duitse taal het verrassende woord ‘Trauerfeier’ heeft – van de Free German League of Culture ter nagedachtenis van Roth en Toller beiden.
De afscheidsbrief die Zweig aan Friderike schrijft op 22 februari 1942, daags voordat hij in Petropolis, samen met Lotte, een eind aan zijn leven maakt uit wanhoop over de onvermijdbare ondergang van wat hij ‘de wereld van gisteren’ heeft genoemd, sluit hij zo af: ‘Beklaag mij niet, denk aan die goede Joseph Roth en Rieger , hoe blij ik altijd voor hen was dat hun deze ellende bespaard is gebleven.’
Rest ons nog één vraag, zoal niet om die te beantwoorden, dan toch om hem te stellen: waarom maakt Zweig in Die Welt von gestern met geen woord melding van zijn vriend Joseph Roth?
Els Snick zoekt in het commentaar bij haar overigens voorbeeldige vertaling van de brieven het antwoord op die vraag in het voorwoord van Zweigs Die Welt von gestern. Hij noemt zich daar ‘iemand die uitleg geeft bij geprojecteerde beelden; de tijd levert de beelden, ik spreek de teksten erbij’.
Mij bevredigt deze verklaring niet, althans niet helemaal. Natuurlijk, zijn bescheiden rol als verteller, niét hoofdpersoon van deze ‘herinneringen van een Europeaan’, verklaart wel waarom Friderike (en haar beide dochters) evenals Zweigs latere echtgenote Lotte buiten de ‘geprojecteerde beelden’ vallen. Donald Prater meent dat Zweigs terughoudendheid waar het persoonlijke ervaringen betreft voortvloeit uit een zekere preutsheid. Hij citeert in dit verband Hermann Kesten, die in zijn Meine Freunde die Poeten opmerkt dat Zweig, ‘als bewonderaar, leerling en patiënt van Sigmund Freud’ veel te preuts was om een werkelijke autobiografie te schrijven: ‘Allzu schamhaft fürchtete er sich vor dem Nackten.’ Dat moge zo zijn, maar waarom krijgen dan de meesten van zijn vele, ook intieme vrienden, zoals bijvoorbeeld Frans Masereel, Emile Verhaeren, Romain Rolland niet te vergeten, Sigmund Freud, Rainer Maria Rilke, Jules Romains en anderen in die herinneringen wel degelijk de nodige aandacht? Opvallend is ook dat de memorabele zomer van 1936 in Oostende onvermeld blijft, terwijl die toch niet alleen voor beide vrienden persoonlijk een belangrijk scharnierpunt in hun relatie moet zijn geweest, maar ook voor de Duitse literatuur in de begintijd van de ballingschap. Gelukkig maakt de bekende, op het omslag van de Nederlandse uitgave van de brieven gereproduceerde foto van Zweig en Roth in Oostende (waarschijnlijk genomen door Irmgard Keun) in dat opzicht veel goed.
Is er een andere reden waarom Zweig aan juist deze intense vriendschap in zijn geboekstaafde herinneringen stilzwijgend voorbij is gegaan? Is de ‘navelstreng der vriendschap’ te knellend geweest om er publiekelijk over te schrijven?
Wij zullen het wel nooit weten.
–00–

Comments are closed.