Stefan Zweig Genootschap Nederland Stefan Zweig Vandaag

UITNODIGING JOSEPH ROTH GENOOTSCHAP

 

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Onze collega’s van het Joseph Roth Genootschap vieren op 15 en 16 december aanstaande groots hun 10-jarig bestaan. Stefan Zweig heeft in het programma een prominente plek.

Graag verwijs ik voor het volledige programma naar onze site www.stefanzweig.nl onder het kopje Zweig Vandaag.

 Met hartelijke groet,

Dirk Jansen

10 Jaar Internationaal Joseph Roth Genootschap / Wenen

L.S.

Dit jaar vieren wij het tienjarig bestaan van ons genootschap.

Wij doen dat in Amsterdam op zaterdag 15 en zondag 16 december 2018 samen met ons Belgisch zustergenootschap.

U kunt daar met Uw partner bij zijn. Ook als U geen lid bent. Een mooie gelegenheid om met deze fascinerende schrijver kennis te maken of andere Roth-liefhebbers te ontmoeten.

Programma

Zaterdag 15 December 2018 van 17.30 – 21.30 uur

in het Lloyd Hotel in Amsterdam, Kamer 28 ‘Het Kantoor’.

Oostelijke Handelskade 34, te bereiken met tram 26 vanaf C.S. Amsterdam, Richting IJburg. Uitstappen Rietlandpark. Betaald parkeren is mogelijk bij het hotel. Voertaal Duits en Nederlands. Gespreksleiders: Heinz Lunzer en Madeleine Rietra.

17.30 Inloop met drankje.

18.00 Welkom

Buffet, ook vegetarisch/veganistisch.

Wij heffen het glas op Joseph Roth en ons 10 jarig bestaan.

Tijdens het eten krijgen we iets te horen over de geschiedenis van dit voormalige emigrantenhotel. Er worden teksten van Joseph Roth voorgedragen en verloot en er is een inleiding in de film van cineast Robert Bober, die aansluitend wordt vertoond:

20.00 – 21.30 Wien vor der Nacht (2016).

De Joods-Poolse overgrootvader van Robert Bober verlaat in 1904 zijn Poolse geboortedorp. Zijn emigratie naar Amerika mislukt, hij vestigt zich in Wenen. Bober probeert zijn levens- verhaal te reconstrueren aan de hand van het Joodse leven in het destijds Oostenrijkse Galicië en van biografieën van bekende Joodse schrijvers, die in die tijd ook in Wenen woonden, zoals Stefan Zweig, Peter Altenberg, Arthur Schnitzler en Joseph Roth.

Zondag 16 December 2018 van 14.00 – 18.00 uur

in het Goethe- Instituut Amsterdam, Herengracht 470.

Neem vanaf het C.S o.a. tram 12, richting Amstelstation, naar het Koningsplein. Voertaal: D/N. Gespreksleider: Madeleine Rietra.

Welkom

14.00 Leo Frijda: Joseph Roth en Stefan Zweig. Twee vrienden.

Nederlandstalige voordracht met dia’s.

14.45 Els Snick presenteert haar vertaling naar het Nederlands van de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig, die als Nr. 300 van de serie Privé-Domein bij de Arbeiderspers verschijnt. 15.15 Pauze

15.30 Alexis Tautou: Die Bilder in Joseph Roths Journalistik und Romanen. Voordracht in het Duits.

16.15 Heinz Lunzer presenteert in het Duits een nieuw deel in de reeks van het Internationaal Joseph Roth Genootschap.

16.30 Borrel en boekentafel.

N.B. Heeft U belangstelling? Mail dan z.s.m. waaraan U wilt deelnemen aan madeleine.rietra@telfort.nl . Op beide locaties is beperkt plaats. Vooraf aanmelden is verplicht.

Kosten:

Voor de avond in het Lloyd Hotel, incl. buffet en consumpties, moeten wij een bijdrage vragen van 45,- Euro per persoon.

Over te maken naar IBAN: AT84 1200 0512 8004 6888

BIC: BKAUATWW Ten name van Internationale Joseph Roth Gesellschaft, Wien, Unicredit Bank Austria, Wien.

Vergeet U s.v.p. niet Uw naam en het doel “Roth in Amsterdam” te vermelden.

Het Goethe-Instituut vraagt een bijdrage in de kosten van 5,- Euro, te voldoen op dag zelf, bij de ingang.

Wij hopen U in groten getale te mogen begroeten.

Met hartelijke groet,

Heinz Lunzer, voorzitter & Madeleine Rietra, vice-voorzitter.

 

oer getijden op guernsey

 

                           

Beste Zweigvriendinnen en –vrienden,

In juni berichtte ik u over mijn indrukwekkende bezoek aan de Kanaaleilanden. Voor mij was er een verband tussen de vredelievende instelling van Stefan Zweig en de wonderlijke mengeling op de eilanden tussen een historie van geweld en hun kleurrijke bloemenuitstraling.

De eilanden blijven hardnekkig in mijn hoofd zitten. Vooral de getijdenkusten die telkens lijken te tonen dat de eb en vloed bewegingen zich al vele eeuwen op dezelfde wijze voltrekken. Het schouwspel uit oertijden herhaalt zich tot op de dag van vandaag.

 

 

 

OER GETIJDEN

Diep verscholen weet ik dat

ik het schouwspel eerder zag;

een herinnering, niet uit dit leven,

maar een dat eeuwen eerder lag.

 

Uit wijkend water rijzen donkere tanden

die zich verdichten tot gitzwarte wanden

met vlijmscherpe kartelranden.

Mystieke schoonheid in de glinstering van

zilver zeewaterlicht.

 

De half-droog gevallen bodem

bergt rijk leven:

mosselen wachten op het weerkerend water,

waaruit zij eten zeven,

wormen spuiten kratertjes

uit het natte zand,

het zeewier kleedt de klippen

in zwarte, glibberige jassen

en onder de waterspiegel van een

tijdelijk meertje

wuiven elegant zee-eigen grassen.

 

Straks dekt weer de zee

zijn onderwereld toe

en reinigt het van mensensporen.

Zorgzaam voedt hij alle leven

en herhaalt zich,

ritmisch, keer op keer,

onophoudelijk,

telkens weer.

 

Guernsey,

Juni 2018

Dirk Jansen

 

Noachs’ derde duif

Noachs derde duif op zoek naar een vredige plek.
Stefan Zweig en Romain Rolland.

 

In de Nieuwsbrief van het Stefan Zweig Genootschap Nederland van juni jl. stond Dirk Jansens Nederlandse vertaling van Zweigs De Legende van de derde duif. Noachs derde duif keert niet op de ark terug. Hij komt terecht in ónze wereld. Daar is overal oorlog, een zee van vuur en bloed overspoelt de aarde, zoals het water tijdens de zondvloed. Noachs duif zoekt tevergeefs naar een vredige plek.

Zweig schreef deze legende tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij verbleef in die jaren enige tijd in Zwitserland, waar hij nauw contact had met zijn vijftien jaar oudere geestverwant, de door hem bewonderde Franse schrijver Romain Rolland, overtuigd pacifist als hijzelf.

-0-

Zweig en Rolland hadden elkaar voor de oorlog leren kennen. Tijdens een verblijf in Italië kreeg Zweig bij toeval L’Aube onder ogen, het eerste deel van Rollands tiendelige roman-fleuve Jean-Christophe. Het boek fascineerde hem. ‘Hier was eindelijk’, schrijft hij in Die Welt von gestern, ‘het werk dat niet in dienst stond van een enkel Europees land, maar van alle landen en hun verbroedering, en van een bezielend geloof in de samenbindende taak van de kunst.’ Van zijn literaire Franse en Belgische vrienden, hoort hij dat Rolland behalve schrijver ook historicus en musicoloog is. Hij doet moeite zijn adres te bemachtigen en stuurt hem een van zijn boeken om met hem in contact te komen.

Zijn eerste bezoek aan de auteur van Jean-Christophe heeft Zweig in Die Welt von gestern nauwkeurig beschreven. Hij herkende direct in Rolland, schrijft hij, ‘de man die op het beslissende ogenblik het geweten van Europa zou zijn.’ Er ontstond een hechte vriendschap, die hij, naast die met Freud en Verhaeren, de ‘vruchtbaarste en op sommige momenten zelfs de meest bepalende van mijn leven’ noemde.

Als Zweig in het voorjaar van 1913 wat langer in Parijs is, nodigt hij enkele vrienden uit voor een déjeuner in de stad. Onder hen is Rainer Maria Rilke, die dan tijdelijk in Parijs woont en die hij in contact wil brengen met Rolland, wiens vriendschap, schrijft hij Rilke, ‘tot de grootste en zuiverste dingen in mijn leven behoort’. De Belgische dichter Emile Verhaeren en Léon Balzagette, een nu vrijwel vergeten Franse schrijver met wie Zweig eveneens bevriend is, heeft hij ook uitgenodigd. Het is een gedenkwaardige bijeenkomst, ‘verrukkelijk om deze mensen bij elkaar te hebben’, noteert de gastheer in zijn dagboek, ‘onvergetelijke uren’. Een door alle vijf disgenoten ondertekende briefkaart aan hun Duitse uitgever Anton Kippenberg, is een blijvende herinnering aan deze historische ontmoeting.

Later zal Rolland zich herinneren hoe Zweig hem destijds met Rilke in contact bracht. Hij prijst Zweigs ‘zeldzame instinct om het verborgene in kunstenaars te ontdekken.’ Enkele dagen na deze gedenkwaardige lunch in een Parijs’ restaurant bezoekt Zweig Rolland thuis, in diens bescheiden woning op de vijfde verdieping aan de Boulevard Montparnasse. De kleine kamer, waarvan de wanden tot aan de zoldering bedekt zijn met boeken, doet hem denken aan de cel van een monnik. De enige ‘versiering’ bestaat uit Beethovens dodenmasker en een portret van Richard Strauss, met wie Rolland goed bevriend is.

Aan Zweigs en Rollands gemeenschappelijke ideaal van een universeel en harmonieus Europa komt een wreed einde in de zomer van 1914. Zweig verblijft met vrienden in het Belgische badplaatsje De Haan bij Oostende als in Sarajevo het pistoolschot klinkt dat – zoals Zweig het in Die Welt von gestern zegt – ‘onze wereld als een holle aardenwerken pot in duizend stukken deed springen.’ Niet direct zijn deze vergaande gevolgen duidelijk. Integendeel. ‘Wat heeft die dode aartshertog in zijn sarcofaag met mijn leven te maken?’, vraagt Zweig zich aanvankelijk af. Dat Duitsland mobiliseert, zoals de krantenkoppen beweren en het onschuldige België zal binnenvallen, kan hij aanvankelijk niet geloven. Het lukt hem op tijd de trein naar Wenen te nemen; het blijkt de laatste te zijn. Al snel realiseert hij zich dat van contact met zijn Franse en Belgische vrienden voorlopig, misschien wel voorgoed, geen sprake meer kan zijn. Hun dromen van een verenigd Europa, van een gemeenschappelijke cultuur die Europese landsgrenzen overstijgt, lijkt uiteen te zijn gespat. Landsgrenzen zijn onoverkomelijke hindernissen geworden, vrienden vijanden.

Ook zijn vriendschap met Rolland lijkt hier niet tegen bestand te zijn. In het Berliner Tageblatt van 19 september 1914 neemt Zweig met zijn artikel An die Freunde im Fremdland, afscheid van zijn vrienden, die nu – hoezeer hij zich ook aan hen verplicht voelt – zijn vijanden zijn geworden. Rolland dient hem van repliek. ‘Ik blijf Europa beter trouw dan u, beste Stefan Zweig,’ schrijft hij hem. ‘Ik neem van géén van mijn vrienden afscheid!’ Kort daarna publiceert Rolland zijn beroemd geworden pamflet Au-dessus de la mêlée (‘Boven het krijgsgewoel’), een gloeiend pleidooi voor vrede en onafhankelijkheid, waarin hij zich tegen zowel Frans als Duits patriotisme afzet. Zweig zal het misschien beschaamd ter harte hebben genomen. Maar het heeft aan zijn bewondering voor zijn oudere vriend niet afgedaan, integendeel.

Romain Rolland

In oktober 1914 verschijnt in alle Duitse bladen een Aufruf an die Kulturwelt. Het is een manifest, ondertekend door 93 Duitse kunstenaars, schrijvers en wetenschappers, onder wie grootheden als Richard Dehmel, Gerhard Hauptmann, Max Liebermann, Max Planck, Max Reinhardt en Felix Weingartner. Het richt zich tot de dan nog neutrale staten met een vergeefse en onwaarachtige rechtvaardiging van de Duitse inval in België en de daar door de Duitsers gepleegde wandaden. De verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de oorlog wordt de Duitsland omringende landen voor de voeten geworpen. Dit zogeheten Manifest der 93 zal Zweig, en zijn Franse vriend niet minder, een gruwel zijn geweest.

Zweig heeft zich in november als dienstplichtige moeten melden. In het Kriegsarchiv in de Weense Stiftskaserne wordt hij belast met de redactie van vaderlandslievende periodieken en propagandistische persberichten over de oorlogshandelingen. ‘Dat ik hier niet in wanhoop gestikt ben’, schrijft hij in mei 1915 aan Rilke, ‘heb ik enkel en alleen aan Rolland te danken. Diens brieven zijn voor mij de garantie dat de werkelijke wereld niet wordt bepaald door de meningen van het moment; de zuivere, op eenheid en verbondenheid gerichte krachten heb ik nooit sterker ervaren dan in deze tijd.’

Zweig in het Kriegsarchiv

Rolland bevindt zich dan inmiddels in Zwitserland. Hij is door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog overvallen in Vevey. Hij heeft besloten er te blijven om zijn krachten in dienst te stellen van het Internationale Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis te Genève. Hem wordt in 1915 de Nobelprijs voor literatuur toegekend als erkenning voor het indrukwekkende idealisme in zijn literaire werk en de liefde voor de waarheid waarmee hij in zijn biografieën diverse mensen heeft beschreven, zo luidt samengevat de motivering. Vooral Jean-Christophe, waarin de vriendschap tussen twee jonge mannen, een Duitser en een Fransman, centraal staat, wordt met de prijs geëerd. De vriendschap tussen de naar Beethoven gemodelleerde jonge Duitse componist Jean-Christophe en diens Franse vriend Olivier symboliseert de nauwe betrekking tussen de culturen van Frankrijk en Duitsland, die Rolland voor een harmonieus Europa onontbeerlijk acht. Het geld van de Nobelprijs stelt hij integraal ter beschikking aan het Rode Kruis ten behoeve van de krijgsgevangenen, Franse én Duitse.

Het feit dat Rolland in het neutrale Zwitserland verblijft maakt het mogelijk dat Zweig en hij hun correspondentie, die tot het begin van de Twee Wereldoorlog zal voortduren en meer dan 600 brieven omvat, in deze oorlogsjaren voortzetten. Dat zij voor Zweig van grote betekenis is geweest blijkt uit zijn in deze jaren trouw bijgehouden dagboek. Op 22 september 1914 noteert hij dat een ‘namenlos schöner Brief’ van Rolland hem over alle droefenis heen tilt. De brief helpt hem zich te verzoenen met het feit dat hun wederzijdse vriend Verhaeren van haat is vervuld tegen Duitsland, dat zijn vaderland zo wreed onder de voet heeft gelopen. Rolland toont wel enig begrip voor wat Zweig ziet als Verhaerens verraad aan hun gemeenschappelijke ideaal van een onpartijdige houding in een vreedzame wereld.

Een andere brief van Rolland (maart 1915) verwelkomt Zweig als ‘een regenboog bij verduisterde hemel.’ Rollands brieven zijn voor hem ‘ein lodernes Feuer der Freundschaft’, een vlammend vuur van vriendschap. Ook voor Rolland was deze correspondentie met zijn jongere penfriend van grote betekenis.

Vervuld van dezelfde idealen als waaraan Rolland uiting heeft gegeven in Jean-Chistophe, schrijft Zweig zijn toneelstuk Jeremias, dat met veel succes in Zwitserland wordt opgevoerd. Rolland herkende daarin, zoals hij aan Zweig schrijft, ‘de veelzijdige en edele Europese geest die onze tijd nodig heeft.’ Het stuk gaat over de profeet Jeremia, die als een oud-testamentische Kassandra de Joden de ondergang van Jerusalem voorspelt in hun oorlog tegen Nebukadnezar. Jerusalem valt, de overlevenden trekken weg, maar in de diaspora troost en begeleidt hen Jeremia. ‘Man kann ein Volk bezwingen, doch nie seinen Geist’,  luidt de laatste regel van het stuk. Het is de niet mis te verstane boodschap die Zweig hier de wereld voorhoudt. Bij het schrijven van deze ‘dramatische Dichtung’, zoals hij Jeremias noemt, heeft hij zich sterk door Rolland geïnspireerd gevoeld: ‘ik weet niet of ik het had kunnen voltooien zonder uw morele voorbeeld,’ schrijft hij hem.

Het duurt nog tot november 1917 voordat beide vrienden elkaar in Zwitserland weer in levende lijve ontmoeten. Een ontmoeting was immers alleen mogelijk op neutraal terrein, nu zij ‘vijanden’ zijn, en in elkaars landen niet meer worden toegelaten. Zweig heeft van de Oostenrijkse autoriteiten verlof gekregen om de première van Jeremias in Zwitserland bij te wonen. Hij neemt, samen met zijn aanstaande vrouw Friderike von Winternitz, zijn intrek in Zürich. Daar vindt in februari 1918 de première van Jeremias plaats. Maar allereerst maakt hij van zijn verblijf in Zwitserland gebruik om Rolland op te zoeken. Die woont in Hotel Byron in Villeneuve, aan het meer van Genève. Eind november logeren Stefan en Friderike enkele dagen bij hem. De beide gedreven pacifisten, voeren er dagelijks lange en diepgaande gesprekken, ‘iedere minuut met hem is voor mij onvergetelijk’, noteert Zweig. ‘Het morele geweten van Europa’, noemt hij zijn gastheer in zijn dagboek. Rolland, op zijn beurt, beschrijft in zijn Journal hoezeer Zweig in zijn ‘scrupuleuze onafhankelijkheid tot het uiterste gaat’.

Na Zweigs vertrek verzekert Rolland hem in een lange brief van ‘de broederlijke vriendschap’ die hij voor hem voelt. ‘Onze beproevingen hebben onze vriendschap gestaald’, schrijft hij. ‘U bent ‘humaan’ zoals weinigen.’ Zweig antwoordt twee dagen later in soortgelijke termen. ’U bent in deze periode voor mij de gids geweest; er is niemand onder de levenden wiens morele voorbeeld voor mij zo noodzakelijk en weldadig is geweest.’ Friderike deelt in die erkentelijkheid door haar roman Vögelchen, die in 1919 verschijnt, aan Rolland op te dragen, ‘dankbarst für viele Güte und Freundschaft’.

In maart 1919 keert Zweig, met Friderike en haar beide dochters, definitief naar Oostenrijk terug. Als zij bij Feldkirch de grens passeren, komt vanuit de tegengestelde richting de trein die keizer Karel, de laatste keizer van Oostenrijk, met zijn gezin naar Zwitserland brengt. ‘Hiermee was de bijna duizendjarige Habsburgse monarchie pas werkelijk ten einde’, schrijft Zweig in Die Welt von gestern. ‘Ik besefte dat het een ander Oostenrijk, een andere wereld was, waarin ik terugkeerde.’ Die andere wereld stemt hem vooralsnog niet optimistisch. Zijn brieven uit die tijd aan Rolland zijn ‘imprégnées du plus amer découragement’, ‘doordrenkt van de bitterste ontmoediging’, noteert Rolland in zijn Journal.

In Wenen houdt Stefan in april een voordracht over Rollands Déclaration de l’indépendance de l’esprit. Kort daarna verhuizen hij en Friderike, met wie hij in januari 1920 in het huwelijk treedt, naar het grote, verwaarloosde huis op de Kapuzinerberg in Salzburg, dat zij tijdens de oorlogsjaren hebben gekocht. Rolland zou het later ‘Villa Europa’ noemen, vanwege de vele beroemde gasten uit alle landen van Europa die Zweig er in de loop van de tijd zou ontvangen.

Stefan en Friderike Zweig

In 1921 publiceert Zweig een beknopte levensbeschrijving van zijn vriend, Romain Rolland. Der Mann und das Werk. Daarin bespreekt hij het tot dan toe verschenen maar toch al omvangrijke oeuvre van zijn held. Hij wijdt het boek aan ‘allen die trouw zijn gebleven aan ons heilige Europa.’ Ook Duitse vertalingen van zijn hand van Rollands werk zien in de volgende jaren het licht. Zijn novelle Episode am Genfersee (1922) is gebaseerd op een tragische gebeurtenis tijdens zijn verblijf in Zwitserland.

Uit hun correspondentie uit deze jaren spreekt hun beider zorg over de voor Duitsland fnuikende vredesvoorwaarden en het risico van een gewelddadige Duitse revanche. In 1923 woont Rolland de vergadering van de PEN-club bij in Londen. Hij rapporteert aan Zweig, dat op instigatie van de Belgen de Duitse delegatie, onder leiding van Gerhard Hauptmann, uit de vergadering is verwijderd. Hij is verbijsterd en verwijt de voorzitter, John Galsworthy, onvoldoende karakter te hebben getoond. De verkiezing van Hindenburg tot Rijkspresident, twee jaar later, is een teken aan de wand, ook van herlevend antisemitisme. ‘Politieke idioten zijn het!’, schrijft Zweig aan Rolland. ‘Waar moet het met Europa heen?’

De jaren twintig zijn Zweigs meest productieve jaren. Hij is wereldberoemd en houdt  in heel Europa lezingen over Europa en het culturele erfgoed van ons werelddeel. De grote Europese humanist Rolland blijft een lichtend voorbeeld voor hem. Voor het door Rolland opgestelde manifest Déclaration de l’indépendence de l’esprit werft Zweig ondertekenaars onder intellectuelen en kunstenaars uit diverse Europese landen. Naast Rolland en Zweig behoren uiteindelijk onder anderen Bertrand Russell, Uptain Sinclair, Frederik van Eeden, Henri Barbusse, Selma Lagherlöf en Albert Einstein tot de ondertekenaars.

Slechts éénmaal  heeft Rolland bij zijn Oostenrijkse vriend, in de ‘Villa Europa’, gelogeerd. Dat was in de zomer van 1923. In Engeland was Rolland ziek geworden, het voor juni geplande bezoek moest tot augustus worden uitgesteld. Het leek Friderike ‘een wonder’ dat deze oude, breekbare, halfzieke man de klimtocht op de steile weg naar het hooggelegen huis op de Kapuzinerberg kon volbrengen. Stefan had minutieus alle mogelijke voorbereidingen getroffen. Aan zijn gast stelde hij zijn eigen slaap- met aangrenzende werkkamer ter beschikking, aansluitend op de ‘salon’, de grote kamer waar de vleugel stond. ‘Nooit heb ik Beethoven mooier gehoord dan toen’, schrijft Zweig in Die Welt von gestern. De middagen waren gereserveerd voor bezoekers, zoals Arthur Schnitzler, Hermann Bahr en Erwin Rieger, van wie in 1928 de eerste Zweig-biografie zou verschijnen.
’s Avonds bezochten de Zweigs met hun gast concerten in de stad, ook van moderne muziek, waar Rolland overigens niet veel mee op had.

Het is jammer dat Zweig geen verslag heeft nagelaten – Rolland evenmin voor zover ik weet – van dit eenmalige bezoek, dat twaalf dagen duurde. Noch in zijn dagboek, noch in Die Welt von gestern of in een brief is er iets over te vinden. Van Friderike bestaat wel een dagboekaantekening. Daaruit blijkt dat zij met Rolland af en toe blikken van verstandhouding wisselde over wat zij noemt ’kleine männliche Torheiten’ van haar echtgenoot.

Het volgend voorjaar, in mei 1924, ontmoetten de twee vrienden elkaar weer, in Wenen, tijdens de Strauss-feesten ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de componist Richard Strauss. Rolland arriveert op zaterdag 10 mei te laat voor de opvoering van Der Rosenkavalier, maar het avondconcert die dag woont hij wel bij. Hij meldt zijn aankomst in de stad direct aan Strauss, die in zijn appartement aan de Mozartgasse verblijft. Het concert, met name het symfonische gedicht Ein Heldenleben, schrijft Rolland, heeft hem doen terugdenken aan de eerste keer dat hij dit werk hoorde, vijfentwintig jaar geleden. Het was voor hem toen de aanleiding geweest om Strauss in Berlijn op te zoeken, met wie hij sedertdien in vriendschap verbonden is gebleven.

Aan Friderike schrijft Zweig dat hij in Wenen veel tijd met Rolland doorbrengt. Al Strauss’ tot dan toe voltooide opera’s, met uitzondering van zijn eersteling Guntram, worden tijdens het festival opgevoerd. ‘Wir haben jeden Abend Loge in der Oper. Ich strausse kräftig mit!’, schrijft hij haar. Voor een lunch heeft Zweig enkele vrienden uitgenodigd om Rolland te ontmoeten. Rolland noteert in zijn Journal dat Zweig hem ‘et quelques amis viennois’ op dinsdag 13 mei een lunch aanbiedt in Hotel Meissl und Schaden aan de Neumarkt : ‘Déjeuner simple, très cordial. J’ai comme voisin A. Schnitzler.’ De dag daarop bezoeken Zweig en Rolland samen Sigmund Freud, die de beroemde Franse schrijver al lang had willen ontmoeten.

De beide vrienden zagen elkaar een jaar later alweer terug, in Leipzig, waar zij de Händel-Festspiele bezochten en Bach-cantates beluisterden in de Thomaskirche. Rolland deed Zweig bij die gelegenheid een net verschenen nieuwe uitgave cadeau van het eerste deel van zijn Jean-Christophe, geïllustreerd met houtsneden van hun gemeenschappelijke Belgische vriend, Frans Masereel. Van Leipzig reisden zij naar Weimar om er het Goethehuis en het Nietzschearchief te bezoeken. Zweigs band met Rolland was in deze jaren het sterkst. Zijn toneelstuk Le jeu de l’amour et de la mort, dat speelt in de tijd van de Franse revolutie, droeg Rolland op aan Stefan, ‘de trouwe ziel, patriot van Europa en gelovig belijder van de vriendschap, aan wie dit werk het te danken heeft dat het geschreven werd.’ In het voorwoord noemt hij Zweig zijn trouwste vriend en beste raadgever.

Ter gelegenheid van Rollands zestigste verjaardag, 29 januari 1926, neemt Zweig samen met George Duhamel en Maxim Gorky het initiatief voor een liber amicorum voor de jarige. In diverse Duitse steden houdt hij dat jaar lezingen over de grote humanist, in Berlijn op de dag zelf van diens verjaardag. ‘Mon cher ambassadeur dans tout le monde germanique,’ noemt Rolland hem dankbaar. Ook Nederland bezoekt Zweig. In maart 1929 spreekt hij in Den Haag en Utrecht over Die Europäische Idee in der Literatur.

In de dertiger jaren valt de schaduw van het nationaalsocialisme over Europa. Hitlers mislukte Bierkellerputsch in 1923 was al een teken aan de wand geweest. De aanhoudende recessie blaast de NSDAP wind in de zeilen. Bij de Rijksdagverkiezingen van oktober 1930 wordt zij de tweede partij van Duitsland en twee jaar later de grootste. Op 30 januari 1933 wordt Adolf Hitler Rijkskanselier. Stefan Zweig, die zich van partijschap en geweld steeds zo ver mogelijk verwijderd had gehouden, begint de moed op te geven. In Berlijn worden zijn boeken op de brandstapel gegooid, na de Anschluss in 1938, ook in zijn woonplaats Salzburg.

Rolland en Maxim Gorky

Geleidelijk aan ontstond enige, aanvankelijk bijna onmerkbare, verwijdering tussen de gezworen vrienden. Dat betrof met name hun houding ten opzichte van het communisme en de Sovjetunie in het bijzonder. In maart 1933, als hij in Zwitserland is voor een serie lezingen, zoekt Zweig zijn oude vriend, die dan inmiddels 67 jaar is, weer op. Hij verheugt zich op een weerzien, schrijft hij aan Friderike. Maar een bezoek in september 1935, twee en een half jaar later, is een uitgesproken teleurstelling. In Rollands sympathie voor de Sovjet-Unie (hij heeft er een reis naartoe gemaakt en weigert zijn stem te verheffen tegen de excessen van het Stalin-regime) kan Zweig niet meegaan. Rollands tweede echtgenote, zijn voormalige secretaresse Marie Kudatschewa, is een overtuigd communiste. Zij heeft grote invloed op haar man. Op haar aandringen is Rolland Russisch gaan leren. Met Zweig worden tijdens zijn bezoek de voorbereidingen besproken voor de feestelijkheden bij Rollands zeventigste verjaardag in januari 1936. Rollands zuster, die bij hem woont, en Zweig willen een representatief beeld geven van leven en werken van de Franse Nobelprijswinnaar. Maar Marie, ‘die stupide Kuh’, schrijft Zweig aan Friderike, wil er een ‘bolsjewistische apotheose’ van maken. Daarover ontstaat tussen de beide vrouwen ‘eine furchtbare Szene’, aldus Zweig. Geen wonder dat hij dit bezoek, dat hun laatste ontmoeting zou blijken te zijn, in zijn korte verslag aan Friderike ‘höchst unerfreulich’ noemt. Hij distantieert zich nu zelfs van de viering van Rollands zeventigste verjaardag.

‘Ik heb mij er al mentaal op ingesteld [uit Oostenrijk] te vertrekken’, had hij al op 10 mei 1933, de dag van de eerste boekverbranding in Berlijn, aan Rolland geschreven. ‘Inwendig heb ik afscheid genomen van mijn huis, mijn verzameling, mijn boeken…’ Vanuit Londen schrijft hij in juni 1937 aan Friderike, van wie hij inmiddels gescheiden leeft, in een lange weemoedige brief: ‘Langzamerhand vertrouw ik mijzelf niet meer, nu ik zie dat mijn oudste vrienden, zoals Roth en Rolland (vanwege politieke onenigheid) zich van mij vervreemden.’ ‘Incipit Hitler’, noemt hij het laatste hoofdstuk van Die Welt von gestern.

Op de avond voor zijn overhaaste vertrek uit Salzburg in februari 1934 schrijft hij een brief aan Rolland, waarin hij hem vertelt over de voortgang van zijn boek over Erasmus, dat bijna een autobiografie wordt, de anti-fanatieke Erasmus als een versluierd beeld van hemzelf. Als Zweig aan Rolland laat weten te overwegen zich definitief buiten Europa, bij voorkeur in Zuid-Amerika, te vestigen, antwoordt Rolland hem dat het op hun leeftijd te laat is om nog ergens anders wortel te schieten. ‘Zonder wortels blijft er van ons slechts een schaduw over’, meent hij.

Hun briefwisseling komt in april 1940 tot een einde. Rolland is in Bourgogne gaan wonen, in Vézelay, dicht bij zijn geboorteplaats. Op 7 april schrijft hij een brief aan Zweig. Als deze later die maand Parijs aandoet – waar hij een voordracht houdt over Das Wien von gestern – schrijft hij van daaruit terug. Het is hun laatste briefwisseling. Ook tot een ontmoeting komt het niet meer.

Via de Verenigde Staten komt Zweig uiteindelijk, met zijn tweede vrouw, Lotte Altmann, in Brazilië terecht. Daar maken zij samen op 22 februari 1942 een einde aan hun leven. Het bericht van hun gemeenschappelijke zelfmoord verspreidt zich razendsnel over de wereld. Rolland hoort het nieuws over de radio. ‘Mijn hart kromp ineen’, schrijft hij aan een gemeenschappelijke vriend. ‘Hij leek zo sterk te zijn, zo zeker van zijn bestaan, dat hij van alle gevaren meende te kunnen vrijwaren… Pauvre Stefan!

En Rolland zelf? In de paar jaren die hem nog restten werkte hij, teruggetrokken in Vézelay, gestaag verder aan zijn omvangrijke en veelzijdige oeuvre, in het bijzonder aan de boeken over zijn idool Beethoven. Zijn beroemd geworden Vie de Beethoven was al in 1903 verschenen. Hij voltooide nu zijn grote, vijfdelige Beethoven, Les grandes époques créatrices, waarvan het eerste deel, De l‘Héroïque à l’Apassionata, in 1928 was uitgekomen. Het complete werk werd na zijn dood uitgegeven, zoals ook Zweigs beroemdste werken, Schachnovelle en Die Welt von gestern, postuum verschenen.

‘Uit de ontmoeting van twee schrijvers uit verschillende landen is een wederzijdse vriendschap ontstaan, bezegeld door de beproevingen van een oorlog’, schrijft Robert Dumont in Stefan Zweig et la France, waaraan veel van de door mij gebruikte gegevens zijn ontleend. ‘De ernstige en afgemeten stem van de Fransman moge hun discours soms hebben gedomineerd, de door ontroerende en welwillende gevoeligheid geïnspireerde accenten van zijn correspondent hebben hun dialoog onvergetelijk gemaakt.’

Op 30 december 1944 overleed Romain Rolland in Vézelay, een maand voor zijn 79ste verjaardag.

PIET WACKIE EYSTEN

De legende van de derde duif

 

DE LEGENDE VAN DE DERDE DUIF (Die Legende der dritten Taube)

STEFAN ZWEIG

 

In het boek over de aanvang der tijden is het verhaal verteld van de eerste duif en van de tweede die de aartsvader Noach vanuit de ark uitzond toen de sluizen van de hemel zich sloten en de wateren zakten. Maar wie heeft over de reis en het lot van de derde duif verteld?

Op de top van de berg Ararat was het reddende schip gestrand, dat in zijn ruim al het van de zondvloed verschoonde leven borg, en toen de aartsvader vanuit de mast alleen maar water zag, oneindig veel water, toen zond hij een duif uit, de eerste duif, om te ontdekken of er ergens onder de wolkeloze hemel land te zien was. De eerste duif, zo wordt verteld, sloeg haar vleugels uit en vloog naar het oosten en naar het westen, maar er was niets dan water. Nergens vond zij rust op haar vlucht en haar vleugels begonnen erg vermoeid te raken. Daarop keerde zij terug naar de enige vaste plek op aarde, de ark, en fladderde om het vastliggende schip op de bergtop, totdat Noach zijn hand uitstrekte en haar weer in de ark binnenliet.

Hij wachtte zeven dagen waarin er geen regen viel en het water verder zakte, toen nam hij opnieuw een duif, de tweede en zond haar op verkenning. De duif vloog ’s morgens weg en toen zij tegen vespertijd terugkwam had zij als teken van leven van de bevrijde aarde een olijftak in haar snavel. Zo begreep Noach dat de toppen van de bomen al boven het water uitstaken en het onderzoek geslaagd was.

Na wederom zeven dagen stuurde hij opnieuw een duif, de derde, op onderzoek de wereld in. Zij vloog ’s morgens uit en keerde echter niet ’s avonds terug. Iedere dag wachtte Noach ongeduldig, maar ze kwam niet terug. Toen wist de aartsvader dat de aarde vrij was en het water gezonken. Van de duif, de derde,  heeft hij echter nooit meer iets vernomen en ook niemand anders heeft tot op de dag van vandaag haar legende gehoord.

Hier zijn echter het reisverhaal en de lotgevallen van de derde duif.

“s Morgens was zij uit het muffe ruim van het schip gevlogen, waar in het donker de opeengeperste dieren morrend van ongeduld zaten in een kluwen van hoeven en klauwen, woest brullend, blaffend, sissend en fluiten, ze was opgevlogen uit deze benauwenis de oneindige wijdte in, uit het donker het licht in. Met het uitslaan van haar vleugels in de heldere, door de regen zoet-gekruide lucht, golfde er ineens vrijheid  en de genade van eindeloosheid om haar heen. Diep beneden glinsterde het water, de bossen lichtten op als vochtig mos, uit de weilanden rees de vroege witte nevel en de geuren van planten stegen gistend op uit weiden. De strakblauwe hemel spiegelde een metaalachtige glans naar beneden, net boven de gekartelde bergruggen brak de rijzende zon in oneindige tinten morgenrood door, kleurde daardoor de zee bloedrood en deed de bloeiende aarde als heet bloed dampen. Het was goddelijk om dit ontwaken te aanschouwen en met dit zalige uitzicht wiegde de duif zich met vlakke streken over de purperen wereld, over landen en zeeën en werd al dromend zelf een zwevende droom. Als God zelf zag zij als eerste de bevrijde aarde, en haar beleving kende geen einde. Ze was allang Noach, de grijsaard van de ark en zijn opdracht om terug te keren, vergeten. Want de wereld was nu haar vaderland geworden en de hemel haar eigen huis.

Zo vloog de derde duif, de ontrouwe boodschapper van de aartsvader, over de lege wereld, verder, steeds verder, door de storm van haar geluk gedragen, door de wind van haar eigen zielenonrust  vloog zij verder, steeds verder, tot haar vleugels traag werden en haar gevederte van lood leek. De aarde trok haar met massieve kracht naar zich toe, haar zware vleugels wiekten steeds matter, tot zij de vochtige boomtoppen streelden en op de avond van de tweede dag daalde zij eindelijk neer in het hart van een woud dat nog naamloos was, zoals alles in de aanvang der tijden. Zij verschuilde zich in het kreupelhout en rustte uit van haar luchtreis. Zij dekte zich met rijshout toe, de wind wiegde haar in slaap, het was overdag koel onder het bladerdek en ’s nachts warm in haar woudwoning. Ze vergat al snel de winderige hemel en de lokroep van de vertes, de groene woning gaf haar geborgenheid en de tijd schreed ongemerkt voort.

Het was een woud in de ons bekende wereld waarin de verdwaalde duif huisvesting vond, maar er woonden nog geen mensen, en in deze eenzaamheid werd zijzelf geleidelijk een droom. Zij nestelde zich in het nachtgroene donker, de jaren trokken aan haar voorbij en de dood vergat haar, want alle dieren, alle soorten die nog de eerste wereld na de zondvloed hadden gezien, konden niet sterven, en geen jager kon hen iets doen. Onzichtbaar nestelen zij zich in de plooien van de aarde, net zo als de duif in het diepst van het woud. Af en toe kregen ze weliswaar vermoedens van menselijke aanwezigheid, er klonk een schot dat meerstemmig weerkaatste op de groene wanden, houthakkers sloegen tegen de stammen, zodat rondom de duisternis dreunde, het zacht gelach van verliefden, die ineengestrengeld verborgenheid zochten, kirde heimelijk in de struiken, en het gezang van kinderen die bessen zochten klonk ijl en ver. De verscholen duif, ingesponnen in loof en dromen, hoorde soms deze stemmen uit de wereld, maar ze luisterde er zonder angst naar en bleef verscholen in haar duisternis.

Op een dag begon de wereld ineens te dreunen. Dood en vernietiging hing boven haar; zoals eerst het water rolde nu het vuur over de wereld. Toen spande zij haar vleugels en schoot weg uit het ineenstortende woud om een veilige plek te zoeken: een vredige plek.

Zij vloog hoger en zweefde boven onze wereld om die vrede te vinden, maar waar ze ook heen vloog, overal waren lichtflitsen, het gedonder van de mensen, overal oorlog. Een zee van vuur en bloed overspoelde de aarde, zoals eens een zondvloed, en gehaast wiekte zij over onze landen om een vredige plek te vinden en dan op te stijgen naar de aartsvader om hem de beloofde olijftak te brengen. Maar ze kon het nergens vinden; de vloed van verderf steeg steeds hoger boven de mensheid, steeds verder vrat de brand zich in onze wereld in. Nog steeds had zij geen rust kunnen vinden en de mensheid geen vrede en zij mocht niet eerder terugkeren en rusten voordat dit was volbracht.”

Niemand heeft in onze tijd deze verdwaalde, mythische, naar vrede zoekende duif gezien, maar toch fladdert zij angstig en vermoeid boven onze hoofden. Soms, alleen ’s nachts, als men opschrikt uit de slaap hoort men hoog boven in het donker een jachtig geruis, een angstaanjagende vlucht, een radeloos vluchten. Op haar wieken zweven ook onze zwarte gedachten, in haar angst deinen al onze wensen en deze tussen hemel en aarde sidderend zwevende verdwaalde duif, de ontrouwe boodschapper van weleer, vertelt nu ons eigen noodlot aan de aartsvader van de mensheid. En weer wacht, net als duizenden jaren geleden, een wereld ongeduldig op de hand die wordt toegestoken en inziet dat het genoeg is met deze beproeving.

 

Gepubliceerd in december 1916 in Der Bildermann, Berlin

Vertaling Dirk Jansen

WHEN IT IS TOO LATE TO STOP FASCISM

When It’s Too Late to Stop Fascism, According to Stefan Zweig

By George Prochnik

February 6, 2017

Stefan Zweig in Ossining, New York, in 1941, seven years after he fled the ascendant Nazism of Europe.

PHOTOGRAPH BY ULLSTEIN BILD / GETTY

The Austrian émigré writer Stefan Zweig composed the first draft of his memoir, “The World of Yesterday,” in a feverish rapture during the summer of 1941, as headlines gave every indication that civilization was being swallowed in darkness. Zweig’s beloved France had fallen to the Nazis the previous year. The Blitz had reached a peak in May, with almost fifteen hundred Londoners dying in a single night. Operation Barbarossa, the colossal invasion of the Soviet Union by the Axis powers, in which nearly a million people would die, had launched in June. Hitler’s Einsatzgruppen, mobile killing squads, roared along just behind the Army, massacring Jews and other vilified groups—often with the help of local police and ordinary citizens.

Zweig himself had fled Austria preëmptively, in 1934. During the country’s brief, bloody civil war that February, when Engelbert Dollfuss, the country’s Clerico-Fascist Chancellor, had destroyed the Socialist opposition, Zweig’s Salzburg home had been searched for secret arms to supply the left-wing militias. Zweig at the time was regarded as one of Europe’s most prominent humanist-pacifists, and the absurd crudity of the police action so outraged him that he began packing his things that night. From Austria, Zweig and his second wife, Lotte, went to England, then to the New World, where New York City became his base, despite his aversion to its crowds and abrasive competitiveness. In June of 1941, longing for some respite from the needs of the exiles in Manhattan beseeching him for help with money, work, and connections, the couple rented a modest, rather grim bungalow in Ossining, New York, a mile uphill from Sing Sing Correctional Facility. There, Zweig set to furious work on his autobiography—laboring like “seven devils without a single walk,” as he put it. Some four hundred pages poured out of him in a matter of weeks. His productivity reflected his sense of urgency: the book was conceived as a kind of message to the future. It is a law of history, he wrote, “that contemporaries are denied a recognition of the early beginnings of the great movements which determine their times.” For the benefit of subsequent generations, who would be tasked with rebuilding society from the ruins, he was determined to trace how the Nazis’ reign of terror had become possible, and how he and so many others had been blind to its beginnings.

Zweig noted that he could not remember when he first heard Hitler’s name. It was an era of confusion, filled with ugly agitators. During the early years of Hitler’s rise, Zweig was at the height of his career, and a renowned champion of causes that sought to promote solidarity among European nations. He called for the founding of an international university with branches in all the major European capitals, with a rotating exchange program intended to expose young people to other communities, ethnicities, and religions. He was only too aware that the nationalistic passions expressed in the First World War had been compounded by new racist ideologies in the intervening years. The economic hardship and sense of humiliation that the German citizenry experienced as a consequence of the Versailles Treaty had created a pervasive resentment that could be enlisted to fuel any number of radical, bloodthirsty projects.

Zweig did take notice of the discipline and financial resources on display at the rallies of the National Socialists—their eerily synchronized drilling and spanking-new uniforms, and the remarkable fleets of automobiles, motorcycles, and trucks they paraded. Zweig often travelled across the German border to the little resort town of Berchtesgaden, where he saw “small but ever-growing squads of young fellows in riding boots and brown shirts, each with a loud-colored swastika on his sleeve.” These young men were clearly trained for attack, Zweig recalled. But after the crushing of Hitler’s attempted putsch, in 1923, Zweig seems hardly to have given the National Socialists another thought until the elections of 1930, when support for the Party exploded—from under a million votes two years earlier to more than six million. At that point, still oblivious to what this popular affirmation might portend, Zweig applauded the enthusiastic passion expressed in the elections. He blamed the stuffiness of the country’s old-fashioned democrats for the Nazi victory, calling the results at the time “a perhaps unwise but fundamentally sound and approvable revolt of youth against the slowness and irresolution of ‘high politics.’ ”

In his memoir, Zweig did not excuse himself or his intellectual peers for failing early on to reckon with Hitler’s significance. “The few among writers who had taken the trouble to read Hitler’s book, ridiculed the bombast of his stilted prose instead of occupying themselves with his program,” he wrote. They took him neither seriously nor literally. Even into the nineteen-thirties, “the big democratic newspapers, instead of warning their readers, reassured them day by day, that the movement . . . would inevitably collapse in no time.” Prideful of their own higher learning and cultivation, the intellectual classes could not absorb the idea that, thanks to “invisible wire-pullers”—the self-interested groups and individuals who believed they could manipulate the charismatic maverick for their own gain—this uneducated “beer-hall agitator” had already amassed vast support. After all, Germany was a state where the law rested on a firm foundation, where a majority in parliament was opposed to Hitler, and where every citizen believed that “his liberty and equal rights were secured by the solemnly affirmed constitution.”

Zweig recognized that propaganda had played a crucial role in eroding the conscience of the world. He described how, as the tide of propaganda rose during the First World War, saturating newspapers, magazines, and radio, the sensibilities of readers became deadened. Eventually, even well-meaning journalists and intellectuals became guilty of what he called “the ‘doping’ of excitement”—an artificial incitement of emotion that culminated, inevitably, in mass hatred and fear. Describing the healthy uproar that ensued after one artist’s eloquent outcry against the war in the autumn of 1914, Zweig observed that, at that point, “the word still had power. It had not yet been done to death by the organization of lies, by ‘propaganda.’ ” But Hitler “elevated lying to a matter of course,” Zweig wrote, just as he turned “anti-humanitarianism to law.” By 1939, he observed, “Not a single pronouncement by any writer had the slightest effect . . . no book, pamphlet, essay, or poem” could inspire the masses to resist Hitler’s push to war.

Propaganda both whipped up Hitler’s base and provided cover for his regime’s most brutal aggressions. It also allowed truth seeking to blur into wishful thinking, as Europeans’ yearning for a benign resolution to the global crisis trumped all rational skepticism. “Hitler merely had to utter the word ‘peace’ in a speech to arouse the newspapers to enthusiasm, to make them forget all his past deeds, and desist from asking why, after all, Germany was arming so madly,” Zweig wrote. Even as one heard rumors about the construction of special internment camps, and of secret chambers where innocent people were eliminated without trial, Zweig recounted, people refused to believe that the new reality could persist. “This could only be an eruption of an initial, senseless rage, one told oneself. That sort of thing could not last in the twentieth century.” In one of the most affecting scenes in his autobiography, Zweig describes seeing the first refugees from Germany climbing over the Salzburg mountains and fording the streams into Austria shortly after Hitler’s appointment to the Chancellorship. “Starved, shabby, agitated . . . they were the leaders in the panicked flight from inhumanity which was to spread over the whole earth. But even then I did not suspect when I looked at those fugitives that I ought to perceive in those pale faces, as in a mirror, my own life, and that we all, we all, we all would become victims of the lust for power of this one man.”

Zweig was miserable in the United States. Americans seemed indifferent to the suffering of émigrés; Europe, he said repeatedly, was committing suicide. He told one friend that he felt as if he were living a “posthumous” existence. In a desperate effort to renew his will to live, he travelled to Brazil in August of 1941, where, on previous visits, the country’s people had treated him as a superstar, and where the visible intermixing of the races had struck Zweig as the only way forward for humanity. In letters from the time he sounds chronically wistful, as if he has travelled back to before the world of yesterday. And yet, for all his fondness for the Brazilian people and appreciation of the country’s natural beauty, his loneliness grew more and more acute. Many of his closest friends were dead. The others were thousands of miles away. His dream of a borderless, tolerant Europe (always his true, spiritual homeland) had been destroyed. He wrote to the author Jules Romains, “My inner crisis consists in that I am not able to identify myself with the me of passport, the self of exile.” In February of 1942, together with Lotte, Zweig took an overdose of sleeping pills. In the formal suicide message he left behind, Zweig wrote that it seemed better to withdraw with dignity while he still could, having lived “a life in which intellectual labor meant the purest joy and personal freedom the highest good on earth.”

EINDRUCKSVOLLE BRIEFWECHSEL

Stefan Zweig  Eindrucksvolle Briefwechsel

Stefan Zweig pflegte seine Freundschaften auch über Briefwechsel, von denen nun zwei veröffentlicht wurden. Im politisch schwierigen frühen 20. Jahrhundert diskutiert er mit dem Nobelpreisträger Romain Rolland, später auch mit dem “brillanten” Joseph Roth, und entwickelt sich weg von seinen jugendlich-idealistischen Wurzeln.

Von Richard Schrötter

Der Autor Stefan Zweig führte einen regen Schriftverkehr. (dpa / picture alliance / DB Ullstein)

 

Wie kommen Künstlerfreundschaften zustande? Gewöhnlich durch gemeinsame Interessen, durch räumliche Nähe – Seelenverwandtschaft. Oft auch durch maßlose, ja übertriebene Bewunderung/Verehrung und schrankenloses Vertrauen. Und nicht zuletzt durch den Austausch von Briefen – durch intensive Vernetzung und fortwährende Kommunikation. “Es überrascht mich nicht, dass wir Sympathie füreinander empfinden”, schreibt 1910 der französische Schriftsteller Romain Rolland an seinen fünfzehn Jahre jüngeren Kollegen Stefan Zweig. “Seit ich zum ersten Mal Verse von Ihnen gelesen habe, weiß ich, dass wir in mancherlei Hinsicht gleich fühlen [: in der Poesie der Glocken, des Wassers, der Musik und der Stille. Und] Sie sind ein Europäer. Ich bin es auch, aus vollem Herzen. Die Zeit ist nicht mehr fern, da selbst Europa das kleine Vaterland sein und uns nicht mehr genügen wird. Dann werden wir das Denken anderer Völker in den poetischen Chor aufnehmen, um den harmonischen Zusammenhang der Menschheitsseele wiederherzustellen.”

Hehre Worte, die sich bald als schöne Illusion herausstellen werden. Aber so waren sie und so wollten sie sein – gute Europäer und heroische Repräsentanten der Menschheitsseele – Weltgewissen. Der aus dem Burgund stammende Romain Rolland und der Wiener Jude Stefan Zweig. Zweig hatte Rollands gefeierten Großroman Jean Christophe gelesen und dem Verfasser begeistert nach Paris geschrieben und zugleich als Erkennungszeichen seiner Gesinnung eine eigene Publikation mitgeschickt.

Zwei Idealisten

Es verband sie ja viel. Beide lebten und schrieben im Banne großer Vorbilder, edler Menschen, die sie in ihren Büchern glorifizierten. Rolland über Beethoven, Tolstoi und Gandhi – Zweig über Erasmus, Dostojewski – und nicht zuletzt über den Freund Romain Rolland. Dass sich Rolland der deutschen Kultur tief verbunden fühlte, war kein Geheimnis und dürfte Zweig nicht entgangen sein. In Rom hatte er als Stipendiat Malwida von Meysenbug kennengelernt. Die weit gereiste hochherzige alte Dame, befreundet mit Herzen, Mazzini, Nietzsche, mit Ibsen und Wagner, war für ihn eine späte Repräsentantin des “deutschen Idealismus”.

Intensiven Kontakt pflegte Rolland auch über viele Jahre zu Richard Strauss. Den Skandalkomponisten der Wilhelminischen Ära beriet der Weltbürger der 3. Republik u. a. bei der französischen Bühnenfassung der Oper Salomé. Umgekehrt hatte sich der junge Zweig mit der französischen Kultur intensiv auseinandergesetzt. Er hatte Aufsätze über Rimbaud, Verlaine und eine Monografie über den “bewunderten” Dichter Emile Verhaeren verfasst, den er mehrfach besuchte und mit dem er auch brieflich verkehrte.

Soviel zur idealistischen Vorgeschichte dieser Korrespondenz. 1911 findet zwischen den beiden Männern die erste persönliche Begegnung statt. Zweig ist die treibende Kraft, der Umwerbende. Dann kommt der 1. Weltkrieg. Er wird zu einer Belastungsprobe. Es gibt Missverständnisse – Differenzen. Zweig entpuppt sich dabei als der Naivere und gutgläubigere. Doch getragen von einer großen humanistischen Bildungsidee hält man sich die Treue. Zweig im Oktober 1914 an Rolland: “Nie habe ich öfter und herzlicher an Sie gedacht als in diesen Tagen, nie mehr gefühlt, dass nur die Gerechtigkeit, die letzte Aufrichtigkeit uns einander wichtig machen kann. Und wie seltsam: Wir haben beide fast zur gleichen Zeit von uns gesagt, wie wir gegen unseren Willen in die wilde Leidenschaftlichkeit geraten sind, und ich finde in Ihren Worten (und Sie hoffentlich auch in den meinen nicht) nie das Wort Hass oder dessen Schatten nur. Als ich gestern las, Charles Péguy sei gefallen, hatte ich nur Trauer, nur Bestürzung in mir, nirgendwo stand in meinem Herzen seinem Namen das Wort beigemengt: Feind! Wie schade um den edlen reinen Menschen ! … Nie wird Europa wissen, was es in diesen Schlachten verloren hat, die Totenlisten sind ja nur Namen!”

Rolland macht sich unbeliebt

Während Romain Rolland mit Aufrufen, Gewissensermahnungen öffentlich auf die Kriegsereignisse reagiert und sich unbeliebt macht, hält sich Zweig vorsichtig zurück. Ein halbes Jahr vor Kriegsende, vier Jahre später, am 23. März 1918, auf die Nachricht vom Beginn der letzten deutschen Frühjahrsoffensive, schreibt schuldbewusst Zweig: “Ich will meine Hände nicht mehr in dieses scheußliche Gemisch aus Tinte, Blut und Geld besudeln, das sich Politik nennt. Erneute Blutbäder und die Verewigung des Hasses. Ich lese jetzt die Bände von Bertha von Suttner, das posthume Werk ‘Der Kampf zur Vermeidung des Weltkrieges’, und ich fühle mich schuldig, diese ganzen zehn Jahre bewusst erlebt und doch nichts gesehen, nichts gesagt, nichts getan zu haben.”

Das zeigt diese Korrespondenz auch, die Ohnmacht der Intellektuellen – gerade derjenigen, die es idealistisch gut meinten … Und das verleiht ihm sein besonderes Gewicht. Wie hier in Zeiten äußerster politischer Gegnerschaft Brücken (der Menschlichkeit) geschlagen werden, wie Peter Handke in seinem Begleitwort betont.

Ein anderer Tonfall, weniger repräsentativ und sehr viel privater, herrscht in dem Briefwechsel zwischen Stefan Zweig und Joseph Roth. Die Korrespondenz beginnt 1927 – also fast 10 Jahre nach dem 1. Weltkrieg.

Roth gibt den Ton an

Der 48-jährige Stefan Zweig ist inzwischen ein weltweit gelesener Bestsellerautor. Joseph Roth, 15 Jahre jünger, hat sich als “brillanter” Journalist etabliert und versucht sich allmählich als Romancier etablieren. Nicht eine um Ausgewogenheit bemühter Gedankenaustausch wird vorgeführt, sondern ein dramatischer Klagegesang (Schicksalslied – ein Rütteln, Faustschläge ins Nichts), eine Art Antifon über die Zeit im Exil zwischen Ziehvater und verlorenem Sohn… Und Joseph Roth ist es, der den Ton angibt.

Er benimmt sich oft böse, bisweilen regelrecht “daneben”, verzweifelt, drastisch als gehöre das zu einer echten Freundschaft. Der Weltbürger Zweig hingegen bemüht sich gewöhnlich (um Haltung), versucht, die Fassung zu bewahren. Wo ihm Roth den Glauben an die Menschheit als hohle Geste und sinnlos vorwirft, versucht er mit Goethischer Konzilianz und Disziplin, die Situation zu meistern. Und während Zweig – trotz Emigration und wachsender Ohnmacht an der politischen Situation – finanziell in wohlgeordneten Verhältnissen lebt, schreibt der langsam verwahrlosende Nomade Roth Bettelbriefe.

“Paris, 18. Okt. 1935, Mein Tag: Ich arbeite jeden Nachmittag von 3-8h. Hierauf gehe ich in’s andere Café. Um 12h komme ich heim. Ich lege mich hin. Ich habe fürchterliche Träume. Ich erwache zwischen 6-7. Ich breche Galle. Ich lege mich hin. Ich schlafe nicht. Mein Herz zittert. Ich sitze, wie ein Gelähmter, zwei Stunden, dumm und gedankenlos. Ich fange langsam an zu denken. Ich ziehe mich an. Ich gehe hinunter und vermeide den Hotel-Inhaber. Ist er weg, atme ich auf. Ich gehe ins Bistro. Ich trinke, um zu mir zu kommen. Ich fange langsam an, zu schreiben. So ist mein Leben. … Ich erleide dabei wortwährend die Vorwürfe meiner Nächsten, bös, bös sind die Menschen zu mir. … Unnachsichtig sind die Menschen. Bös sind sie zu mir. … Alle Menschen, denen ich Gutes tun will.”

Wir können diese heroische Beziehungsgeschichte (künstlerischer Selbstpreisgabe) hier nur andeuten. Die Briefe sind nicht bloß ein wichtiges zeitgeschichtliches Dokument, sondern eine höchstpersönliche Passionsgeschichte. Sie sie besitzen eine eigene einzigartige Schubkraft und Dramaturgie. Denn Roth schreibt keine gewöhnlichen Briefe, um sein Gegenüber zu informieren. Er dichtet und inszeniert vielmehr sich selbst, als sei er der Protagonist in einer noch unveröffentlichten Erzählung auf dem Weg zur Legende vom Heiligen Trinker.

Zwei frühe Todesfälle

Roth starb völlig verarmt 1939 in Paris an den Folgen einer chronischen Alkoholvergiftung. Sein berühmterer Freund Zweig nahm sich in Brasilien im Februar 1942 das Leben. Die komplexe Beziehung dieser beiden ungleichen Freunde hat übrigens Weidermann in seinem kleinen Roman Ostende einfühlsam beschrieben. Er hat die ungleiche Freundschaft Roth und Zweig und den dramatischen politische Hintergrund quasi-dokumentarisch nacherzählt und die fehlenden biografischen Lücken (Leerstellen) fiktional rekonstruiert.

Der eindrucksvolle Briefwechsel Roth/Zweig dürfte ihm dabei sehr geholfen haben. Er ist vorbildlich kommentiert und mit den notwendigen biografischen Informationen versehen, um dieses historische Freundes-Tableau besser nachvollziehen zu können. Das kann man leider von der Korrespondenz Zweig/Rolland nicht sagen. Auf die einfachsten historisch-biografischen Angaben wurde verzichtet. Die meisten Ereignisse, Namen, Taten und Werke, einst jedermann bekannt, sind heute Schall und Rauch und verlangen nach Erläuterung. Aber nichts dergleichen.

Auch auf die nicht unerhebliche Tatsache, dass der Briefwechsel bis 1940 weitergeführt wurde und diese heikle Freundschaft keinesfalls schon 1918 abbricht, wie es der ‘einfache Leser’ annehmen könnte, sondern “wegen politischer Unstimmigkeiten” entfremdete, wird ärgerlicherweise nicht näher eingegangen. Das filigran-prätentiöse Begleitwort von Peter Handke, so gut gemeint und verwunderlich es auch ist, hilft einem auch nicht viel weiter, führt da eher in die Irre.

Romain Rolland / Stefan Zweig: “Von Welt zu Welt. Briefe einer Freundschaft – 1914–1918.”
Mit einem Begleitwort von Peter Handke, aus dem Französischen von Eva und Gerhard Schewe sowie Christel Gersch, 462 Seiten, gebunden mit Schutzumschlag, 24,95 Euro

Joseph Roth / Stefan Zweig: “Jede Freundschaft ist mir verderblich. Briefwechsel 1927-1938.”
Diogenes [detebe 24279],  624 Seiten, 18.90 Euro

 

voorstelling 25 april 2018

                                                                   PROGRAMMA

Het Stefan Zweig Genootschap Nederland en de Oostenrijkse Ambassade in Nederland geven op 25 april 2018 een nieuwe voorstelling in de Residentie van de Ambassade. U heeft onze uitnodiging kortgeleden ontvangen.

In een opeenvolging van geluidsopname, vertelling, piano en zang worden drie succesvolle kunstenaars opgevoerd die, een ieder op zijn geheel eigen wijze, een creatieve en soms zeer dramatische worsteling leverden met de geest van de tijd waarin zij leefden.

All dessen Müd

William Shakespeare fulmineerde in sonnetvorm tegen de maatschappij waarin hij leefde. Wij laten een geluidsopname van Sonnet 66 horen in een dramatische, Brechtiaanse, Duitstalige bewerking van Rufus Wainwright.

 

“…..und Kunst das Maul gestopft vom Apparat“

Piet Wackie Eysten vertelt over de artistiek veelbelovende, maar persoonlijk onhoudbare relatie tussen de Oostenrijkse (tekst)schrijver Stefan Zweig en de Duitse componist Richard Strauss. Bijna zijn hele leven werd Piet Wackie Eysten al geïntrigeerd door deze curieuze samenwerking. Zozeer dat hij er kortgeleden een boek over publiceerde: “Tragiek van een komedie”.

Liederen van Richard Strauss

In dit kunstenaarsgezelschap is Richard Strauss de enige componist. En niet de eerste de beste. Wij vonden, tot onze vreugde, de tenor Peter Gijsbertsen begeleid door Reinild Mees  bereid om enkele van Strauss’ mooiste liederen te zingen.

 

Plaats: Residentie van de Oostenrijkse Ambassade, Koninginnegracht 31, Den Haag

Aanvang: 19.00 uur; duur programma ongeveer 2 uur

Op dit moment zijn nog enkele plaatsen beschikbaar.

Als u zich nog niet heeft aangemeld kunt u dit alsnog doen totdat de prachtige, maar in zitplaatsruimte beperkte, Residentiezaal vol is.

Een mail naar Dirk Jansen (dirk.jansen@dj-consult.nl)  met vermelding van uw naam en mailadres (en die van eventuele medegast(en)) voldoet.

 

stefan zweig in berlijn

Beste vriendinnen en vrienden,

Onze Stefan Zweig vriend Robert van der Hall deed in zijn bibliotheek een curieuze vondst. In de biografie “Romain Rolland, der Mann und das Werk` van Stefan Zweig vond hij een oud knipsel in het boek achtergelaten door ene Röntgen. Robert  stelde vast dat het niet de componist Röntgen was.

Het artikel komt zeer waarschijnlijk uit een Duitstalige Zwitserse krant van ergens rond 1919.

 

De journalist had kennelijk in Berlijn in 1919 een lezing bijgewoond van Stefan Zweig over Romain Rolland.

 

Robert van der Hall vertaalde het stukje en wij brengen het graag onder uw aandacht.

Dirk Jansen

 

 

 

Stefan Zweig over Romain Rolland

Berlijn 26 October 1919 (?)

In het nieuwe theater “Die Tribüne”, dat bekend staat om politieke voordrachten die de leer van het socialisme verkondigen, sprak heden, zondag in de voormiddag, voor een overvolle zaal Stefan Zweig over Romain Rolland.

Romain Rolland heeft de tijd dat hij een nieuwe verschijning was in Duitsland achter zich gelaten. Inmiddels is aangetoond, dat hij de gemoederen in beweging zet en een stille aanhang heeft. Zweig heeft zich ten doel gesteld om de levensgang van deze mens te volgen.  De jonge Fransman groeide op in de sfeer van diepe innerlijke verslagenheid, die zich na de militaire nederlagen meester maakte van de grote massa’s. De schrijver in spe die geschiedenis studeerde in plaats van zijn hartenwens  musicus te worden, kreeg in Rome van Malvida von Meysenbug, een vriendin van Nietzsche en Richard Wagner, een  “ helder idee van het Duitser zijn” overgedragen. Na zijn terugkeer in Parijs wordt hij decennia lang hardnekkig achtervolgd door de dreiging van een aanstaande oorlog. Hij zoekt een oplossing voor het heersende gevoel “verslagen te zijn” en zich in een oorlog te moeten revancheren. Hij denkt dit gevoel te overwinnen door het aankweken van een “wij-gevoel” tussen Frankrijk en Duitsland.  Overwinnen of verliezen is slechts een geestelijke ervaring van het individu. De individuen kunnen tezamen een bond vormen tegen het ‘nationalisme’, dat met kanonnen zijn bewijs probeert te leveren. Romain Rolland begint zijn strijd tegen het nationalisme. Maar met vergeefse pogingen verpakt in toneelstukken en in zijn “Volks”-theater. Dan wordt zijn gedachtengoed  gered door het schrijven van “Johann Christoph”. Het boek zal duidelijk maken hoe de Europese volkeren tot een geestelijke eenheid voorbeschikt zijn. De personages in het werk stellen de volkeren voor. Het ontwerp van het boek is heroïsch en in 1913 was het werk voltooid. Toen de oorlog uitbrak bevond Romain Rolland zich, niet ontbloot van een vooruitziende blik, in Zwitserland. Hij streed tegen de oorlog. Niet zozeer tegen de oorlogsmachine, waarvoor woorden slechts ijdele klanken zijn, maar tegen de militarisering van de geesten. Nooit eerder, zegt Stefan Zweig, hebben intellectuele mensen de oorlog geprezen. Romain Rolland wilde “een kring van verheven intellectuele neutraliteit, van een gemeenschap van gezonde verstand die zich boven de warboel plaatst” scheppen. Tevergeefs. Maar hij hield vol “met zijn wonderbaarlijke liefde voor het uitzichtloze” en nu is de wereld hem dankbaar. Hij deed zich “in een seconde van de wereldhistorie, waarin de Europeaan en de Nationalist als water en vuur waren, kennen als de enige Europeaan”

De omvangrijke spanning die bij  de toehoorders was opgebouwd ontlaadde zich in een stormachtig applaus. Zowel bestemt voor de spreker als voor Romain Rolland, voor de heldhaftigheid van een mens.

Eugen Fischer

Berlijn 1919

Onze Stefan Zweig vriend Robert van der Hall deed in zijn bibliotheek een curieuze vondst. In de biografie “Romain Rolland, der Mann und das Werk` van Stefan Zweig vond hij een oud knipsel in het boek achtergelaten door ene Röntgen. Robert  stelde vast dat het niet de componist Röntgen was.

Het artikel komt zeer waarschijnlijk uit een Duitstalige Zwitserse krant van ergens rond 1919.

 

De journalist had kennelijk in Berlijn in 1919 een lezing bijgewoond van Stefan Zweig over Romain Rolland.

 

Robert van der Hall vertaalde het stukje en wij brengen het graag onder uw aandacht.

Dirk Jansen

 

Stefan Zweig over Romain Rolland

Berlijn 26 October 1919 (?)

In het nieuwe theater “Die Tribüne”, dat bekend staat om politieke voordrachten die de leer van het socialisme verkondigen, sprak heden, zondag in de voormiddag, voor een overvolle zaal Stefan Zweig over Romain Rolland.

Romain Rolland heeft de tijd dat hij een nieuwe verschijning was in Duitsland achter zich gelaten. Inmiddels is aangetoond, dat hij de gemoederen in beweging zet en een stille aanhang heeft. Zweig heeft zich ten doel gesteld om de levensgang van deze mens te volgen.  De jonge Fransman groeide op in de sfeer van diepe innerlijke verslagenheid, die zich na de militaire nederlagen meester maakte van de grote massa’s. De schrijver in spe die geschiedenis studeerde in plaats van zijn hartenwens  musicus te worden, kreeg in Rome van Malvida von Meysenbug, een vriendin van Nietzsche en Richard Wagner, een  “ helder idee van het Duitser zijn” overgedragen. Na zijn terugkeer in Parijs wordt hij decennia lang hardnekkig achtervolgd door de dreiging van een aanstaande oorlog. Hij zoekt een oplossing voor het heersende gevoel “verslagen te zijn” en zich in een oorlog te moeten revancheren. Hij denkt dit gevoel te overwinnen door het aankweken van een “wij-gevoel” tussen Frankrijk en Duitsland.  Overwinnen of verliezen is slechts een geestelijke ervaring van het individu. De individuen kunnen tezamen een bond vormen tegen het ‘nationalisme’, dat met kanonnen zijn bewijs probeert te leveren. Romain Rolland begint zijn strijd tegen het nationalisme. Maar met vergeefse pogingen verpakt in toneelstukken en in zijn “Volks”-theater. Dan wordt zijn gedachtengoed  gered door het schrijven van “Johann Christoph”. Het boek zal duidelijk maken hoe de Europese volkeren tot een geestelijke eenheid voorbeschikt zijn. De personages in het werk stellen de volkeren voor. Het ontwerp van het boek is heroïsch en in 1913 was het werk voltooid. Toen de oorlog uitbrak bevond Romain Rolland zich, niet ontbloot van een vooruitziende blik, in Zwitserland. Hij streed tegen de oorlog. Niet zozeer tegen de oorlogsmachine, waarvoor woorden slechts ijdele klanken zijn, maar tegen de militarisering van de geesten. Nooit eerder, zegt Stefan Zweig, hebben intellectuele mensen de oorlog geprezen. Romain Rolland wilde “een kring van verheven intellectuele neutraliteit, van een gemeenschap van gezonde verstand die zich boven de warboel plaatst” scheppen. Tevergeefs. Maar hij hield vol “met zijn wonderbaarlijke liefde voor het uitzichtloze” en nu is de wereld hem dankbaar. Hij deed zich “in een seconde van de wereldhistorie, waarin de Europeaan en de Nationalist als water en vuur waren, kennen als de enige Europeaan”

De omvangrijke spanning die bij  de toehoorders was opgebouwd ontlaadde zich in een stormachtig applaus. Zowel bestemt voor de spreker als voor Romain Rolland, voor de heldhaftigheid van een mens.

Eugen Fischer

DID YOU KNOW STEFAN ZWEIG?

ZUCKMAYERS FARM IN VERMONT

 

“Aufruf zum Leben”

De Duitse toneelschrijver Carl Zuckmayer (1896-1977) was een van Stefan Zweigs beste vrienden. Hij woonde in Henndorf, een dorpje in de buurt van Salzburg, tot hij in 1938 vanwege zijn Joodse moeder en zijn anti-nazistische opvattingen via Zwitserland naar de Verenigde Staten uitweek. Na de oorlog keerde hij naar Zwitserland terug uit Vermont, waar hij zijn vrijwillige ballingschap had doorgebracht. Over zijn verblijf daar heeft hij uitvoerig verslag gedaan in zijn autobiografie Als wär’s ein Stück von mir. In het afgelegen Vermont bereikte hem het schokkende bericht van Zweigs zelfmoord. Dit inspireerde hem tot een pamflet Aufruf zum Leben. Over het ontstaan daarvan heeft hij een ontroerend stuk geschreven, dat hij de titel gaf Did you know Stefan Zweig? Van dat stuk laat ik hieronder, enigszins verkort, mijn vertaling volgen.

Piet Wackie Eysten

 

 

Did you know Stefan Zweig?

Het was voor ons begin maart 1942 nog hartje winter. Ongeveer een jaar woonden wij nu op onze afgelegen farm, in de beboste bergen van Vermont. Tot die tijd had ik de farm nog geen dag verlaten. De laatste paar maanden had ik voornamelijk met sneeuwruimen en houthakken doorgebracht. ’s Avonds was ik moe genoeg om zonder nadenken in slaap te vallen. Iedere nacht moest ik een keer opstaan om de kachels op te stoken om te voorkomen dat het water zou bevriezen. De dag begon weer om zes uur, in kou en duisternis. Wij leefden geïsoleerd en waren verstoken van literatuur. Schrijven kon ik niet. De oorlog en het toenemend onheil in ons vaderland doodde de fantasie. Oorlog maakt het woord machteloos. Je doet eraan mee of je zwijgt. In de vorige oorlog had ik meegedaan. Deze bracht ik door met mest scheppen. De oorlogssituatie was verre van bemoedigend. Hitlers leger stond, ondanks door de Russische winter veroorzaakt oponthoud, voor Leningrad en tot diep in de Oekraïne, en was sterk genoeg om in de zomer verder door te breken, niemand wist hoe ver. Hitler beheerste heel Europa en het grootste deel van Noord-Afrika. Londen werd gebombardeerd. Niemand kon zeggen hoe lang dat uit te houden was. In de Pacific waren de Japanners overal in het voordeel. Australië en Indië leken bedreigd te worden. Amerika was begonnen te mobiliseren. Niemand wist of dat niet te laat was. Wij wisten maar één ding: een overwinning van Hitler zou niet stoppen bij de oceaan. Hij zou de hele wereld aan zich onderwerpen, zoals hij Duitsland zelf onderworpen en geknecht had. Wie de vrijheid liefhad zou dat niet overleven.

Het was begin maart 1942, een stormachtige dag, de wegen lagen onder de sneeuw, je moest je een mijl ver een weg banen om bij de dichtstbijzijnde begaanbare weg te komen. Met veel moeite had ik iemand gevonden die een dag en een nacht op de farm wilde passen. Het was ons eerste uitstapje deze winter en wij verheugden ons erop als op het kerstfeest: in  de kleine universiteitsstad, een paar uur hiervandaan, zou Lotte Lehmann een liederenavond geven, Schubert en Schumann, Dichterliebe! Het was alsof je naar Salzburg reed. Wekenlang hadden wij ons op deze avond verheugd. ‘Did you know Stefan Zweig?’, vroeg onze Amerikaanse vriend bij wie wij logeerden. Het was kort voor het concert, wij hadden onze laarzen en truien voor stadskleding verwisseld. We zaten bij de haard en dronken whisky. ‘Natuurlijk’, zei ik, ‘heel goed. Hoezo?’ Toen viel het mij pas op dat hij had gezegd: ‘Did you know…’, hééft u Stefan Zweig gekend? Hij zag mijn blik. ‘Het spijt mij’, zei hij, ‘u was misschien bevriend? Ik dacht dat u het misschien al zou weten.’ Mijn vrouw bleef lang in haar krant kijken, alsof zij daarin iets niet goed kon ontcijferen. Ik besefte op slag wat er gebeurd moest zijn. Maar ik kon het niet bevatten. ‘Dat is toch onmogelijk’, zei ik, zonder te beseffen wat ik zei. ‘Dat is toch onmogelijk. Hij heeft ons die kachel en de honden gegeven.’ Ik zag de groene tegelkachel in ons huis in Henndorf voor mij. Ik zag de twee jonge spaniels. Als een korte stekende pijn voelde ik de vreugde die ik toen had gevoeld. Hij had ons die kachel en de honden cadeau gedaan. Hoe kan hij nu dood zijn? ‘Dat was vroeger, daarginds’, zei mijn vrouw, alsof zij zichzelf eraan moest herinneren dat het niet gisteren was. ‘Dat bestaat toch allemaal niet meer.’ De tranen stonden Lotte Lehmann in de ogen toen wij haar in de pauze opzochten. ‘Ik kan nauwelijks zingen’, zei ze. Zij zong schitterend. Het leek ons alsof wij nog nooit zoiets volmaakts hadden gehoord: Es ist eine alte Geschichte Doch bleibt sie immer neu. Und wem sie just passieret. Dem bricht das Herz entzwei. Ik had Stefan ongeveer een jaar eerder voor het laatst gezien. Wij ontmoetten elkaar in New York en aten samen in een klein Frans restaurant, waar hij mij had uitgenodigd. Hij was, zoals altijd, levendig, opgewekt, begaan met het lot, het leven en de plannen van anderen. ‘Weet je nog’, vroeg hij, ‘hoe we mijn vijftigste verjaardag samen hebben gevierd?‘ Hij had mij destijds uitgenodigd om in Salzburg, waar hij aan allerlei eerbetuigingen niet zou hebben kunnen ontkomen, er samen tussen uit te knijpen. Hij hield niet van eerbetuigingen en had een hekel aan alles wat officieel was. En dus vierden wij die verjaardag, samen, bij ‘Schwarz’ in München, zijn lievelingsrestaurant met een uitstekende maaltijd en dienovereenkomstige wijn. Niemand, zelfs de restauranteigenaar, die hij goed kende, wist niet dat het zijn verjaardag was. En nu hadden wij het daar weer over, over onze herinnering aan tien jaar geleden. ‘Zestig’, zei hij, ‘dat lijkt me genoeg.’ Ik lachte. ‘Wij moeten negentig of honderd worden’, zei ik, ‘om nog eens betere tijden mee te maken.’ ‘Die komen niet meer’, zei hij, en ik zag opeens een ongelooflijke treurigheid in zijn ogen. ‘Niet meer voor ons. De wereld waar wij van hielden, is definitief verdwenen. Aan wat hierna komt kunnen wij niets meer bijdragen. Wat wij te zeggen hebben wordt niet meer begrepen – in geen enkele taal. Wij zullen daklozen zijn – in ieder land. Wij hebben geen toekomst. Wat voorbij is kunnen wij niet terugroepen, en wat nieuw is zal aan ons voorbijgaan. Het heeft geen zin om voort te leven als je eigen schaduw. Wij zijn alleen nog herinnering.’ Ik begreep hem wel, maar kon zijn gevoel niet delen. Juist hij, die behoorde tot de bevoorrechten onder ons, tot de zeer weinigen met een internationaal lezerspubliek en erkenning voor zijn werk; tot de weinigen die een nieuwe nationaliteit, een geldig paspoort en een bepaalde mate van zekerheid hadden. Hij had geen materiele zorgen, hij kon zijn leven inrichten zoals hij wilde. Voor mij gold zo ongeveer van al die dingen het tegendeel. Misschien was het voor mij juist daarom destijds gemakkelijker, denk ik achteraf. Ik herinner mij de dagen na het Lotte-Lehmann-concert nog goed. Zij waren vervuld van een bijzondere spanning, een sombere vastbeslotenheid. Ik had mijn nieuwe, voor mij zo ongewone werkzaamheden nog nooit zo leerzaam, bijna opwindend gevonden. Het voorjaar klopte aan de bevroren vensters. Ik liep rond met mijn duimstok, hamer en zaag. Zodra de sneeuw was verdwenen, knapte ik de grote schuur op, bouwde een nieuwe stal en repareerde de hekken. Wij rekenden uit hoeveel materiaal we nodig hadden, hoeveel voer voor de beesten, en hoe wij de kosten zouden kunnen dekken. We leerden hoe we suiker konden bereiden uit het sap van de ahorn. Mijn handen deden pijn van het houthakken en melken. Het leven was goed en waard om geleefd te worden.

Onder de emigranten had Stefan Zweigs vrijwillige levensbeëindiging grote ontsteltenis veroorzaakt. De brieven die ik kreeg getuigden van een verpletterende wanhoop. Als hij, voor wie alles mogelijk leek, verder leven zinloos vond, wat bleef er dan over voor hen die nog moesten vechten voor hun brood. De meeste emigranten leefden onder erbarmelijke omstandigheden. Vrouwen, die geen zorgen hadden gekend, gingen uit werken als schoonmaakster. Intellectuelen liepen als handelsreizigers met een koffertje trap-op trap-af, om in een vreemde taal de deur gewezen te krijgen. Ervaren artsen moesten opnieuw naar de collegebanken en wachtten in spanning af of zij niet gezakt waren, want de uitslag kregen zij pas weken later. Er was honger en depressie alom. En voor schrijvers wier roem nog niet buiten hun landsgrenzen was doorgedrongen en gevestigd, was het probleem van de vreemde taal, van de andere manier van denken in een ander deel van de wereld, vrijwel onoverkomelijk. ‘Wat moeten wij nog’, schreef mij een begaafde jongeman die ik vluchtig kende, ‘met een overtuiging? Wie gelooft ons nog? Wie geeft er nog wat om? Wij hebben alleen nog maar de keus of wij uit afschuw of noodgedwongen er een eind aan maken.’ Ik wist niet wat ik op zulke brieven moest antwoorden. Ieder woord zou slechts schrale troost zijn. Waarom bleef ik dan zelf overeind? Op een nacht heb ik het opgeschreven. Ik noemde het: Aufruf zum Leben. Het was de enige oproep, het enige pamflet dat ik in de oorlog heb gepubliceerd.