Stefan Zweig Genootschap Nederland Stefan Zweig Vandaag

STEFAN ZWEIG, OOK VANDAAG NOG WEGWIJZER IN EUROPA

               STEFAN ZWEIG, OOK VANDAAG NOG WEGWIJZER VOOR EUROPA

Op de Belgische site Doorbraak (Doorbraak.be) schrijft de filosoof en publicist Johan Sanctorum een helder en indringend betoog over onze hedendaagse worsteling met de vormgeving van Europa. Niet alleen interessant omdat hij een eigenzinnige analyse verwoordt, maar ook omdat hij richtingen aangeeft voor oplossingen. Oplossingen die nogal verschillen van de wegen die nu veelal bewandeld worden.  Sanctorum vindt zijn inspiratie onder meer bij  opvattingen van Stefan Zweig en Robert Musil.  Zoals we weten is Europa voor Stefan Zweig geen conglomeraat van naties of staten, maar Europa is voor hem een inspirerend, veelzijdig en rijk cultuurgebied. Het benadrukken van nationaliteiten kan de creatieve ontwikkeling van die  Europese cultuur alleen maar tegenwerken. In zijn geromantiseerde biografie over Erasmus en Luther (Triumph und Tragik des Erasmus von Rotterdam) schetst hij Erasmus dan ook als “de eerste bewuste Europeaan’, de humanist, die fanatisme bestreed als de grootste vijand van onderling begrip en de motor achter eenzijdigheid/ eendimensionaal denken (nur für Halsstarrigen und Denkeinseitigen).

Sanctorum sluit aan bij deze opvatting als hij in zijn mening samenvat:

Mijn hypothese is, dat oorlog en vrede categorieën zijn die respectievelijk het leger en de diplomatie werk bezorgen, maar die voor ons continent, pakweg tussen Noordzee en Oeral, en tussen Oostzee en Middellandse Zee, alleen maar slecht nieuws betekenen. Europa moet zich niet als een blok opstellen, en ook niet als een volgzame bondgenoot, maar als een eigenzinnig laboratorium, een tempel, een kuuroord, een place-to-be, met een eigen, defensieve krijgsmacht.

 

Zweiglezers zullen misschien moeten wennen aan het directe, soms wat agressieve taalgebruik van Sanctorum. In ieder geval contrasteert het enigszins met de tragere en zachtmoediger taal van Zweig.

 

Voor geïnteresseerden heb ik het gehele artikel van Johan Sanctorum hieronder afgedrukt.

 

Dirk Jansen

 

 

 

Johan Sanctorum

Gevechtsvliegtuigen of scholen?

 Waarom Europa zichzelf dringend moet heruitvinden

President Trump heeft het nucleair ontwapeningsverdrag, dat Ronald Reagan en Michael Gorbatsjov in 1987 hadden ondertekend, opgezegd. Dat was hij verschuldigd aan zijn achterban, het is goed voor de Amerikaanse wapenindustrie, en het plaatst hem weer op de kaart als krachtig leider van een grootmacht. Vrijwel tegelijk hakte de Belgische regering definitief de knoop door inzake de aankoop van gevechtsvliegtuigen type F35 bij het Amerikaanse Lockheed. Kostprijs: zo’n 15 miljard euro. Die beslissing stond al langer vast, zo weten we ondertussen allemaal. Ze werd ingefluisterd door de legertop en is nooit het voorwerp geweest van een echt politiek debat.

Dat roept herinneringen op. Op 17 maart 1985 nam ik zoals zovele jongeren deel aan de grote betoging in Brussel, gericht tegen de plaatsing van Amerikaanse kernraketten op ons grondgebied. Dat was aan de vooravond van een Kamerdebat over die kwestie, terwijl achteraf is uitgekomen dat premier Martens en minister van Buitenlandse Zaken Leo Tindemans (beiden CVP) al maanden geleden in Washington te horen hadden gekregen dat die raketten moésten geplaatst worden. Het Kamerdebat was maar show, de betoging een ludieke bezigheidstherapie voor langharige idioten die dachten dat ze de wereldvrede gingen afdwingen door de Adolphe Maxlaan af te dweilen met bordjes als ‘No Nukes’ en ‘Yankees go home’.

Vandaag geen grote betogingen. Wel wordt er vanuit de linkerzijde en de oppositie gemord dat je met de prijs van één zo’n gevechtsvliegtuig vijftig nieuwe basisscholen kan bouwen. Pure demagogie? Prietpraat van naïeve pacifisten?

Van Musil tot Zweig

Europa is het land dat twee wereldoorlogen heeft gekend, maar ook Goethe, Shakespeare en Beethoven heeft voortgebracht.

Om op die vraag te kunnen antwoorden moeten we misschien eens wat verder kijken dan het politieke en militair-economisch discours. De kracht van Europa zit helemaal niet in deze van een politieke eenheid, zelfs geen handelsfederatie, en nog minder een militaire grootmacht. Europa is het land dat twee wereldoorlogen heeft gekend, maar ook Goethe, Shakespeare en Beethoven heeft voortgebracht. Deze figuren komen niet uit het niets en verdwijnen ook niet in de leegte: het zijn onsterfelijke bakens van een traditie die dit continent, ondanks alle druk van het nieuwe religieuze fundamentalisme, doordesemen en een zin van bestaan geven. Europa is meer zichzelf, naarmate het minder als een politiek blok naar voor komt. Het is een niemandsland dat zijn historische golfslag vindt op louter cultureel charisma.

Aan het begin van de 20ste eeuw kwam dat Europese cultureel charisma tot zijn volle wasdom, met Wenen als onbetwistbaar epicentrum en de Joodse subcultuur als drijvende kracht. Een laboratorium van kunstenaars, schrijvers en intellectuelen die demonstreerden dat onze grootheid niet schuilt in het strategisch-tactische wereldschaakspel, maar juist de negatie ervan. Een culturele smeltkroes zonder formele structuur, die aantrekt, fascineert, en in staat is een ganse planeet van intellectueel eten en drinken te voorzien.

 

Twee auteurs, afkomstig uit het Joods-Weense biotoop van het begin van de 20ste eeuw, hebben dat niemandsland op een grootse manier gestalte gegeven. De ene is Stefan Zweig met ‘Die Welt von Gestern – Erinnerungen eines Europäers’, (1942, postuum verschenen na zijn dood in 1941). Voor Zweig duidde de term ‘Europeaan’ geen nationaliteit aan, maar een identiteit, in de bijna biologische betekenis van diersoort, vervlochten met een bepaald biotoop. Europa is geen land, geen federatie, en liefst zelfs geen continent vol kleine imperia die met oorlog of gewapende vrede bezig zijn, maar net een niet-land dat zich enkel definieert vanuit een onzichtbare genenstructuur, die een continue wervel van ideeën, tekens, beelden, teksten voortbrengt.

Het boek van Zweig leest als een roman, een filosofische meditatie én een toeristische gids, vooral bruikbaar voor Wenen. Want het gaat wel degelijk over plekken en concrete bakens. Tegenover die literair-nostalgische wandeling staat de ironisch-spottende ondertoon van het tweede absolute referentiewerk dat die Europese geest parafraseert, namelijk ‘Der Mann ohne Eigenschaften’ (1930) van Robert Musil. Daarin wordt de toenmalige Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie spottend aangeduid als Kakanië (de twee K’s van Koning-Keizer Frans Josef), waarin de hoofdfiguur tevergeefs op zoek gaat naar het Grootse en Ware Idee dat dit door God gezegende Keizerrijk als een nationalistisch embleem kan omvatten.

De EU-karikatuur

 

Zweig en Musil, de romanticus en de sarcast, drukken ons ook vandaag met de neus op de feiten: die offensieve gevechtsvliegtuigen die we zonet in ons boodschappenmandje hebben gedeponeerd zijn niks waard. Het is duur speelgoed, ons aangepraat door ijzervreters in kaki, gepatroneerd door een zwakke en onkundige minister. Ze herinneren aan de protserigheid van Frans Josef die met zijn gouden koets recht naar de afgrond bolde. Ze tonen Europa als een vazalstaat van een transatlantische grootmacht, wiens agenda we klakkeloos uitvoeren terwijl we in Brussel en Straatsburg debatteren over de toegelaten kromtegraad van de bananen. Kakanië is springlevend, en heet vandaag Europese Unie.

De rijkdom van de Europese genen is helemaal niet te vinden in het armtierig, bloedloos en vermolmd construct dat EU heet. 

De rijkdom van de Europese genen is helemaal niet te vinden in het armtierig, bloedloos en vermolmd construct dat EU heet. Sinds Karel de Grote is die politieke eenheid van Europa een obsessie. Na twee wereldoorlogen kreeg dat Duits-Frans fantoom in 1992 opnieuw gestalte als het beruchte Verdrag van Maastricht (1992), een in zeven haasten opgesteld protocol omdat het Franse en Nederlandse volk de Europese grondwet hadden weggestemd, terecht, want het was niets meer of minder dan een machtsgreep van de Eurobureaucratie. Onze mening werd zelfs niet gevraagd.

Stefan Zweig en Robert Musil wisten toen al in hun binnenste dat die Europese Grondwet een misbaksel zou worden, afgescheiden door de elite van een karikaturaal Kakanië. Door het wegdrukken van de echte culturele identiteit van Europa, kwam een surrogaat-identiteit in de plaats die wel werd ondersteund met de hymne uit Beethoven’s 9de symfonie, maar die bij 99% van de schoolgaande jeugd verder niets oproept.  Voorts wordt er door politici van allerlei slag georakeld over de Verlichtingswaarden, maar wie van hen zou Rousseau en Voltaire gelezen hebben? We zijn ons geheugen kwijt en brallen maar wat in het rond.

Dat stelt de ogenschijnlijke naïeve uitspraak over de prijs van één gevechtsvliegtuig tegenover de vijftig scholen in een heel ander daglicht: ja, wij hebben wel degelijk nood aan een nieuw cultureel réveil, en ja, wij moeten scholen bouwen en investeren in onderwijs en cultuur, dat zou wel eens veel nuttiger kunnen zijn voor het overleven van dit continent dan te gaan shoppen in Amerikaanse wapenbazars.

Slimme neutraliteit

Mijn hypothese is, dat oorlog en vrede categorieën zijn die respectievelijk het leger en de diplomatie werk bezorgen, maar die voor ons continent, pakweg tussen Noordzee en Oeral, en tussen Oostzee en Middellandse Zee, alleen maar slecht nieuws betekenen. Europa moet zich niet als een blok opstellen, en ook niet als een volgzame bondgenoot, maar als een eigenzinnig laboratorium, een tempel, een kuuroord, een place-to-be, met een eigen, defensieve krijgsmacht.

Dat laatste is onder meer ook de stelling van defensie-expert en kolonel op rust Pierre Therie (‘Waarom de F-35 een foute keuze is’): de Belgische parlementaire democratie faalt deerlijk, de legertop bedisselt autonoom, en het kiezen voor offensieve wapens maakt van België en Europa opnieuw een potentieel slagveld tussen de grootmachten (‘Waar men aan voorbijgaat in deze strategische visie is dat mensen leven op de grond, niet in de lucht of op zee en dat het in deze menselijke biotoop is dat een oorlog uiteindelijk beslecht wordt’.) Terwijl we ons in feite beter zouden toeleggen op infrastructuur waarin Poetin en Trump in een aangenaam en ‘geestrijk’ kader op enkele meters afstand van mekaar knipoogjes kunnen uitwisselen. Europa als brug, vestibulum, Spiegelpaleis.

In feite toont Zwitserland de kracht van slimme neutraliteit: een land met een strikt defensief uitgebouwd volksleger, én een toeristische toplocatie met een aantal goed uitgeruste, luxueuze conferentiehotels aan de rand van het meer van Genève, naast casino’s, theaters, en, waarom niet, eroscentra. Alle groten der aarde komen daar hun groot geld plaatsen, hun klein geld opdoen, en het onderling op een akkoordje gooien. Waarom zouden ze het plat bombarderen? Nabij Genève hebben ze ook een deeltjesversneller gebouwd om zwarte gaten na te bootsen, een groteske installatie die evenwel klasse en kennis uitstraalt, en weerom goede redenen verschaft om de regio van bombardementen te sparen. Zo’n zwart gat is namelijk nogal onvoorspelbaar en kan, indien slecht beheerd, heel de planeet wegzuigen naar een n-de dimensie. Dat CERN-complex heeft iets literairs, exuberants, fantastisch: iets van de geest van Stefan Zweig en Robert Musil zweeft in deze wetenschapstempel waar elektronen door een kilometers lange, ringvormige tunnel onder het gebergte kosmische snelheden krijgen en zich atypisch gaan gedragen.

Zo zou Europa zich opnieuw kunnen uitvinden als intellectueel paradijs, culturele hot spot, rendez-vousplek

Zo zou Europa zich opnieuw kunnen uitvinden als intellectueel paradijs, culturele hot spot, rendez-vousplek, zetel van alle mogelijke instellingen, pretpark, en kluis voor zwart geld. De nieuwe bewapeningswedloop tussen grootmachten zet ons terug op de kaart als neutrale niet-macht en potentieel vakantiecentrum voor de rocket men van deze planeet. Dat ze het maar uitvechten, maar niet hier. Na de strijd moeten de veldheren en hun gevolg op verlof kunnen gaan en vredesprotocollen tekenen, en daarvoor één adres. Het is zelfs goed dat ze in het Limburgse Bokrijk dat fietspad door het water hebben aangelegd, alle beetjes helpen om dit continent attractief te maken.

 

Ik hamer echt op dat ‘toeristisch’ aspect omdat Europa zo een geest kan verkopen die zich concretiseert in landmarks, monumenten, evenementen, die ‘gecoverd’ worden door boeken, gidsen, beelden, schilderijen, teksten. De overheden moeten die uitgebreide en groeiende canon oplijsten en onderhouden, cultuur en onderwijs moet ze uitdiepen en verrijken. Europa als één groot levend werelderfgoed dus: we zijn de entertainers en de frontale kwabben van de wereld. Het brede cultuur- en belevingstoerisme is dé economie die ons continent kan redden, en dat geldt zowel voor Manneken Pis als voor het Parijse Louvre.

Zo zou oorlogsstoker Donald Trump misschien wel iets in gang kunnen zetten waar we al geruime tijd naar op zoek zijn: een tweede of derde adem voor het Avondland, niet achteruitkijkend maar progressief, en zelfs overmoedig-optimistisch. Ach, het is misschien de illusie van de intellectueel die denkt dat cultuur raketten tegen houdt. Veel is onzeker in die neutrale nulstrategie. Eén ding staat vast: Zwitserland heeft twee wereldoorlogen vanop de eerste rij meegemaakt zonder dat er één bom is gevallen. En terwijl onze jeugd massaal sneuvelde in het slijk van de Marne en de IJzer, dankzij het strategisch vernuft van hun generaals, werd in 1916 in het Zürichse Café Voltaire een leuk feestje gebouwd waaruit het dadaïsme en het surrealisme zijn ontstaan. De jongens aan de IJzer hadden niet te kiezen. Wij wel. Als we die keuze ook afdwingen.

JOHAN SANCTORUM

Johan Sanctorum is filosoof, publicist, blogger en Doorbraak-columnist.

 

 

REIZEN OF GEREISD WORDEN

Reizen en gereisd worden

Over een aantal dagen strijken mijn vrouw en ik, als alles wederom goed verloopt,  neer in Ras al Kaimah om onze zoon, die in de Verenigde Emiraten woont en werkt, te bezoeken. Waarschijnlijk  hebben we dan weer een aantal ervaringen achter de rug die Stefan Zweig  “gereisd worden” heeft genoemd. Hieronder vallen ongetwijfeld de onmogelijk vroege of late tijdstippen waarop de vliegtuigmaatschappij ons op Schiphol verwacht, de eindeloze wachttijden voordat je mag “boarden”, de slingerende rijen wachtenden in de reusachtige hal in de buurt van Dubai waar twee Emirati in witte jurken hoog op een podium jouw paspoort bestuderen voordat je het land binnen mag en niet te vergeten de wanhopige pogingen om in het vliegtuig een uurtje te slapen.

Daartegenover staan gebeurtenissen die je onderweg verrassen en boeien. Wegens omliggende, actuele oorlogen maakt het vliegtuig een omweg, waardoor de Perzische Golf en een Iraans berggebied een fascinerende aanvliegroute bieden: machtige gebergten in Arabische kleuren en bij voldoende licht een diepblauwe zee. Het eerste zicht op de Emiraten verrast; het is alsof er delen van Manhattan in een zandbak zijn terecht gekomen. De kustlijn wordt gedomineerd door wolkenkrabbers, een fantasierijke (schier)eilandenkust en bouwactiviteiten. Een paar kilometer verder strekt zich landinwaarts een eindeloze zandvlakte uit. Op weg naar het hotel scheurt onze taxi over een veelbaans autoweg;  langs de middenvangrails lopen talloze mensen met een bezempje zand van de autobaan af te vegen. Later begrijpen wij dat het Pakistaanse gastarbeiders zijn die goedkoop door de Emirati worden ingehuurd om hun land netjes te houden. De grootste verrassing blijkt de woestijn. De leegte, de eindeloze vlaktes bedekt met sierlijk door de wind gevormde heuvels, de kleuren die ieder uur veranderen onder invloed van de rijzende of dalende zon. Adembenemend.

Reizen heeft veel zijden. Onverwacht fascinerende en langdradig vervelende. Dat maakt reizen zo leuk.

De reislustige Stefan Zweig heeft over zijn reisopvattingen een boeiend, kort stukje geschreven  “Reisen oder Gereist-Werden”. Wij hebben een Nederlandse vertaling gemaakt  en drukken deze  hieronder af.

Dirk Jansen, Stefan Zweig Genootschap Nederland

 

 

REIZEN OF GEREISD WORDEN                                                                       door       STEFAN ZWEIG

 

Havens en treinstations zijn mijn hartstocht. Ik kan er urenlang voor staan en wachten tot een nieuwe, bruisende golf van mensen en goederen de voorafgaande golf overspoelt, ik houd van de geheimzinnige tekens van aankomst en vertrek, de kreten en geluiden, bont en gedempt, die betekenisvol in elkaar weven. Ieder station is anders en elk haalt weer een volgende verte dichterbij, iedere haven, ieder schip brengt een andere vracht binnen. Zij zijn de wijde wereld in ons stadje, de veelkleurigheid in onze alledaagse dag.

Maar nu heb ik in Parijs voor het eerst een nieuw soort station ontdekt; ze staan midden op straat zonder hal en dak, ze zijn niet gemakkelijk te herkennen en laten toch voortdurend eb- en vloedstromen zien. Dat zijn de stations van openbaarvervoerbussen, die misschien eens de treinwagon zullen vervangen: met hen begint een nieuw soort reizen, het massale reizen, het reizen op contract, het gereisd-worden. Negen uur, de eerste groep nadert vanaf de boulevard, veertig, vijftig passagiers, meest Amerikanen en Engelsen, een tolk met een kleurrijk petje laadt ze in, ze gaan naar Versailles, de kastelen aan de Loire, de Mont St. Michel, ze gaan tot in de Provence. Een mathematische organisatie heeft de hele reis voor hen uitgedacht en voorbereid, ze hoeven niet meer te zoeken, wel te rekenen; de motor wordt aangezwengeld, ze rijden een onbekende stad binnen, het middageten (in de prijs begrepen) staat gereed, evenals ’s avond het bed, de musea, de bezienswaardigheden staan bij aankomst met geopende deuren klaar, men hoeft zelf geen portier te halen en geen fooi te geven. In het tijdschema is alles voorzien, de route is vele malen verkend: wat een genot! Men hoeft niet: aan geld te denken, zich voor te bereiden, boeken te lezen, verblijf te regelen – achter de reisconsument (ik zeg niet “de reiziger”) staat, kleurig bemutst, de reisgids (een soort oppasser en verzorger tegelijk) en die elke bijzonderheid mechanisch uitlegt. Men hoeft niets anders te doen dan een keer naar het reisbureau te gaan, een reis uit te kiezen, te betalen om voor veertien dagen onder dak te zijn en gelijk rollen de koffers voorwaarts en werkkaboutertjes zetten eten en bed klaar in een nieuwe, onbekende omgeving – en zo reizen nu, zonder een vinger te verroeren, honderdduizenden uit Engeland en Amerika hierheen. Of beter gezegd, ze worden gereisd.

Ik heb mij ingespannen om mij een keer in zo’n mensenmenigte in te leven; de geriefelijke kanten laten zich moeilijk ontkennen. Men krijgt alle gelegenheid om aandachtig om zich heen te kijken en te genieten: men wordt niet afgeleid door kleine, maar niet te ontkennen zorgen, zoals  aan onderdak en eten te komen,  treintijden na te kijken,  de verkeerde weg in te slaan, zich voor de gek te laten houden of bedrogen te worden, moeizaam vreemde talen te stamelen – alle zintuigen blijven open staan voor nieuwe indrukken. En deze benadering heeft al decennialang ervaring opgebouwd in het selecteren van bezienswaardigheden: men ziet werkelijk alleen de belangrijkste bezienswaardigheden op zo’n reis, aan gezelschap zal het niet ontbreken voor diegenen die pas echt kunnen genieten in aanwezigheid van anderen. Daarbij komt dat het goedkoop, praktisch en aangenaam is en daarom heeft het zeker toekomstmogelijkheden. Men gaat niet meer reizen, maar wordt gereisd.

Al sinds oeroude tijden hangt rond het woord “reis” de zoete geur van avontuur en gevaar, de adem van wispelturige toevalligheden en lokkende onzekerheden. Als we op reis gaan doen we het toch niet alleen om de verte, maar ook om weg te zijn van huis en haard, van de voorspelbare, geordende wereld thuis, om het plezier van niet-thuis-zijn en daardoor niet je normale-zelf te zijn. We willen het gewone verder-leven onderbreken met echt-beleven. Een ieder die echter op deze wijze gereisd wordt, rijdt aan veel nieuws voorbij en beleeft het nieuwe niet, al het bijzondere en persoonlijke van een land ontgaat hem noodzakelijkerwijze zolang hij aan de hand wordt genomen en zich niet door de ware god van het zwerven, door het toeval laat leiden. Deze Amerikanen en Engelsen blijven in hun autobus eigenlijk gewoon in Engeland en Amerika, ze horen de vreemde taal niet, ze voelen de eigenaardigheden en zeden van het volk niet, omdat iedere wrijving ontbreekt,. Zij zien de bezienswaardigheden, zeker, maar alle twintig busladingen per dag zien hetzelfde, daarbij geholpen door het kiezen van gelijksoortige reisgenoten. En geen van allen beleeft het diepgaand, omdat hij in gezelschap, tussen het gezwets en gepraat, de meest uitgelezen waarden en wereld aanschouwt, nooit op z´n eentje, nooit het wonderbaarlijke aandachtig in zich opnemen, wat hij mee naar huis neemt is niet meer dan de kale trots dat hij deze kerk, dat schilderij in het echt gezien heeft, eerder een sportieve prestatie dan een innerlijke beleving en culturele verrijking.

Daarom maar liever het minder geriefelijke, het lastige,  het ergerlijke op de koop toe nemen, dit hoort bij iedere werkelijke reis, want altijd hangt er een zekere tegenzin tussen het comfortabele, moeiteloze aangereikt-krijgen en de werkelijke beleving. Al het wezenlijke in het leven, alles wat wij verrijking noemen, ontstaat met moeite en tegen weerstand in, alle werkelijke toename van medemenselijkheid moet op de een of andere manier met iets strikt eigens van ons wezen verbonden zijn. Daarom lijkt mij de steeds verder verbeterde mechaniek van het reizen eerder een gevaar dan een winst voor iedereen die niet alleen met de buitenkant tevreden is, maar het levende en diepliggende beeld van het nieuwe landschap in zijn ziel wil bergen. Als wij niet op iets nieuws uit zijn of dit op z´n minst willen ontdekken, als er geen verborgen energie en sympathie is die ons naar nieuwe dingen leidt, dan ontbreekt een geheimzinnige spanning in het genieten, een verbinding tussen het nooit aanschouwde en onze verraste blik en hoe minder we ons belevenissen gemakzuchtig laten voorschotelen, hoe meer wij ze avontuurlijk tegemoet treden, des te nauwer blijven ze met ons verbonden. Bergliften zijn heerlijk: binnen een uur brengen ze ons op het meest indrukwekkende hooggebergte, niet vermoeid en geriefelijk geniet je van het uitzicht op de diep beneden liggende wereld. Maar toch ontbreekt ergens de innerlijke voldoening bij dit mechanische transport naar boven, een merkwaardig prikkelende trots, het gevoel van voldoening. En dit bijzondere, bij het echte beleven behorend gevoel, ontbreekt bij een ieder die gereisd wordt in plaats van zelf te reizen, die ergens aan een loket weliswaar de prijs voor de reis heeft betaald, maar niet de hogere, de waardevollere, de innerlijke, nieuwsgierige energie heeft afgerekend. En merkwaardigerwijs betaalt deze inspanning zich later vele malen terug. Want alleen als we ons met moeite, onaangenaamheden, ergernis en vergissingen een indruk verwerven blijft de herinnering bijzonder helder en krachtig, nergens denkt men liever aan dan aan de kleine inzinkingen en problemen, de vergissingen en verwarringen van een reis, zoals men ook in latere jaren de domheden in de eigen jeugd blijmoedig omarmt. Dat ons eigen dagelijks leven steeds mechanischer, geordender over de strakke rails van deze technische eeuw loopt kunnen we niet meer verhinderen, misschien willen we dat zelfs liever, omdat we daarmee krachten sparen. Maar reizen moet verspilling zijn, afzien van ordening, zich overgeven aan het toeval, het buitengewone kiezen in plaats van het dagelijkse, het moet allerpersoonlijkst zijn, een volstrekt eigen vorm geven aan onze neigingen; daarom willen we ons verdedigen tegen de nieuwe bureaucratische, machinale vormen van volksverhuizing door de reisindustrie.

Als we dit kleine avontuur in onze al te geordende wereld kunnen redden, als we ons niet als vrachtgoed laten verreizen , maar reizen op de traditionele manier van onze (groot)ouders, omdat we dit zelf willen , dan pas wordt ieder reis een ontdekkingsreis, niet alleen in de buitenwereld, maar ook in onze eigen innerlijke wereld.

 

Oorspronkelijk verschenen in Reclam Universum, Moderne illustrierte Wochenschrift, Stuttgart 1926

Overgenomen uit Das Grosse Lesebuch, Fischer Taschenbuch Verlag 2005.

 

Vertaling Dirk Jansen                                    

ALBERT SCHWEITZER EN STEFAN ZWEIG

 

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP                                                        NEDERLAND

5 October 2018

                  

 

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Stefan Zweig en Albert Schweitzer waren beide overtuigde humanisten.

 

Schweitzer heeft zijn opvattingen volhardend in daden omgezet in het Afrikaanse ziekenhuisdorp Lambarene. “Eerbied voor het leven” was zijn devies. Zijn filosofische en levensbeschouwelijke gedachten heeft hij onder meer vastgelegd in “Die Weltanschauung der Ehrfurcht vor dem Leben”.

 

Stefan Zweig heeft zijn humanistische denkbeelden vooral tot uitdrukking gebracht in zijn korte verhalen, essays en geromantiseerde biografieën. Hij heeft er geen theoretische beschouwingen over geschreven, maar zijn hoofdpersonen verbeelden zijn humanistische opvatting:  een mens is alleen zelf verantwoordelijk voor zijn handelen. Dit handelen zal niet altijd de maatschappelijke normen van “goed handelen” weerspiegelen (neem bv het handelen van Fouché), maar de verantwoordelijkheid voor de uitkomsten rust altijd op de handelende mens zelf.

 

Beide mannen hebben elkaar ontmoet en gesproken. Stefan Zweig schreef over eén van zijn ontmoeting met Albert Schweitzer nl. in Gunsbach (Vogezen).

Zijn verhaal Unvergessliches Erlebnis. Ein Tag bei Albert Schweitzer (1933) kunt u hieronder lezen.

 

Dirk Jansen

 

 

 

 

Unvergeßliches Erlebnis. Ein Tag bei Albert Schweitzer

1933

 

Ein vollkommener Tag ist selten. So hat, der ihn erlebt und gerade heute erleben darf, die Pflicht, besonders dankbar zu sein und dieser Dankbarkeit das Wort zu lassen.

Schon der Morgen gab ein großes Geschenk. Seit Jahr und Tag stand man wieder einmal vor dem Straßburger Münster, dieser vielleicht schwerelosesten Kathedrale der europäischen Erde. Daß frühwinterlicher Nebel den Himmel dunkelte und dem Horizont einen stumpfen Ton gab, vermochte die Wirkung nicht zu mindern; im Gegenteil, wie von innen glühend in seinem einzigartigen Rosagestein stieg mit seinen Hunderten gemeißelten Gestalten dieses quaderne Spitzenwerk empor, selig leicht und doch unverrückbar, jeden aufhebend in sein beschwingtes Empor. Wie außen in die Höhe beglückt emporgeschwungen, spürt man innen, abermals erstaunt, die Weite im klar gestalteten Raum, den Orgel und Gesang sonntäglich durchfluten: auch hier Vollendung, geschaffen von dem verschollenen Genius Erwin von Steinbach, dessen Ruhm der junge Goethe mit ebenso quadernen Worten in die Unvergänglichkeit gehämmert.

Und weiter noch vormittag und mittag zur andern deutschen Herrlichkeit der elsässischen Erde, hinüber nach Colmar, um wieder einmal, wissender und doch ebenso empfänglich wie vor zwei Jahrzehnten, den Isenheimer Altar des Matthias Grünewald zu bewundern. Großartiger Gegensatz bei gleicher Vollendung: dort die strenge Linie architektonisch gebunden, zu Stein gefrorene Musik, zu Kristall gewordene, himmelaufdeutende Frömmigkeit, und hier in diesen flammenden Farben die übermächtige Inbrunst der Ekstase, das fanatisch gewordene Kolorit, die apokalyptische Vision von Untergang und Auferstehung. Dort die Ruhe im Glauben, die langsame, beharrliche, demütige Bemühung zur letzten Erfüllung, hier der wilde Ansprung, der rasende Gottesrausch, der heilige Raptus, die bildgewordene Ekstase. Man mag auch hundertmal, tausendmal vor den trefflichsten Nachbildungen sich bemüht haben, dem einzigen Geheimnis dieser leuchtenden dämonischen Tafeln nahezukommen: nur hier, dieser erschütternden Realität gegenüber fühlt man sich völlig gebannt und weiß, man hat leibhaftig eines der bildnerischen Wunder unserer irdischen Welt gesehen.

Zwei völlig verschiedene und beide fehllose Vollendungen menschlicher Schöpferkraft hat man erlebt, und noch steht die matte Novembersonne erst im Zenit; noch ist der Tag voll, noch das Gefühl offen und bereit und vielleicht gesteigerter sogar, menschlich magischen Eindruck in sich aufzunehmen. Noch ist Zeit, noch ist der Wille lusthaft gewillt, sich starkem Eindruck aufzuschließen, und so, vom Gefühlten erfüllt und dennoch nicht gesättigt, fährt man hinüber in ein kleines elsässisches Städtchen, nach Günzbach, um dort im Pfarrhaus Albert Schweitzer zu besuchen. Die Gelegenheit darf nicht versäumt werden, diesen merkwürdigen und wunderbaren Mann, der wieder einmal zu kurzer Frist sein Werk in Afrika verlassen hat und in seinem Heimatdorfe gleichzeitig ausruht und sich zu neuer Hingabe rüstet, zu besuchen, denn menschliche Vollendung ist nicht minder selten als die künstlerische.

Albert Schweitzer, dieser Name hat für viele Menschen heute schon einen starken Klang, aber fast für jeden unter diesen einen verschiedenen besonderen Sinn. Unzählige lieben und verehren ihn, die meisten aber von völlig verschiedenen Gesichtsfeldern her, denn dieser Mann ist eine einzige und einmalige, eine unwiederholbar gebundene Vielfalt. Manche wissen von ihm nur, daß er vor einigen Jahren den Goethe-Preis erhielt, die protestantische Geistlichkeit bewundert in ihm einen ihrer hervorragendsten Theologen, den Verfasser der ›Mystik des Apostels Paulus‹, die Musiker respektieren in ihm den Schöpfer des größten und gründlichsten Werkes über Johann Sebastian Bach, die Orgelbauer rühmen ihn als den Mann, der wie keiner sämtliche Orgeln Europas kennt und über ihre Technik das Tiefste und Aufschlußreichste geschrieben hat, die Musikalischen ehren ihn als den (mit Günther Ramin) vielleicht größten Orgelvirtuosen der gegenwärtigen Welt, und wo immer er ein Konzert ankündigt, sind Tage vorher alle Plätze verkauft. Aber um seiner höchsten Tat willen, um jenes Spitals, das er aus rein menschlicher Aufopferung, einzig um eine europäische Schuld zu sühnen, im Urwald von Afrika, ganz allein, ohne irgendeine staatliche Hilfe gegründet und geschaffen, um dieser einzigartigen und beispielgebenden Selbstpreisgabe willen liebt und bewundert ihn jeder, der um das Menschliche weiß, alle jene, denen Idealismus nur dann groß erscheint, wenn er über das geredete und geschriebene Wort hinausgeht und durch Selbstaufopferung zur Tat wird. Diesen tief bescheidenen Mann ehren die Besten der Erde heute als ein moralisches Vorbild, und eine immer wachsende Gemeinde schart sich still (und ohne jedes Programm) um seine Gestalt. Wie stark sein Einfluß geworden ist, bezeugt in den letzten Jahren schon rein äußerlich die Verbreitung der Bücher, die sein Leben schildern und deren einfachstes, schlichtestes er selbst geschrieben hat: ›Aus meinem Leben und Denken‹.

Dieses Leben nun ist in der Tat wahrhaft würdig, einmal Gegenstand einer heroischen Biographie zu werden; heroisch freilich nicht im alten Sinn des Militärischen, sondern in dem neuen, den wir als einzig gültigen anerkennen, des moralischen Heldentums, der völligen und dabei undogmatischen Aufopferung der Person an die Idee, jenes Heldentums, das in Menschen wie Gandhi und Romain Rolland ebenso wie in Albert Schweitzer die ruhmreichsten Formen unseres Zeitalters angenommen hat. Zwischen zwei Ländern geboren, zwischen Deutschland und Frankreich, beiden so sehr verbunden, daß ein Teil seiner Werke französisch, der andere deutsch geschrieben ist, wächst der Pfarrerssohn in seinem Heimatort Günzbach auf, erhält 1899 ein Predigeramt in St. Nikolai in Straßburg, mit allen den kleintäglichen Tätigkeiten wie Konfirmandenunterricht und Kirchenpredigt, habilitiert sich zwei Jahre später mit einer Vorlesung über die ›Logoslehre im Johannes-Evangelium‹ an der theologischen Universität Straßburg. Aber gleichzeitig studiert er in den Ferienmonaten bei dem greisen Meister Widor, der noch Wagner, Cesar Franck und Bizet freundschaftlich gekannt. Schweitzers unermüdliche Arbeit teilt sich fortab zwischen Musik und Theologie, beiderseits schöpferische Frucht tragend, hier in einer ›Geschichte der Jesus-Forschung‹, dort in jener monumentalen Biographie Johann Sebastian Bachs, die bis heute noch unübertroffen geblieben ist. Meister der Orgel, reist er von Stadt zu Stadt, um alle nur erreichbaren auszuproben und das halb verschollene Geheimnis der alten Orgelbaumeister neu zu entdecken. Auch auf diesem Gebiet werden seine Werke Autorität. Doppelgleisig und klar könnte nun dieses Leben weiter verlaufen, aber in seinem dreißigsten Jahr faßt Albert Schweitzer plötzlich jenen unvermuteten Entschluß, der in der tief religiösen Natur seines Wesens voll begründet ist: Europa zu verlassen, wo er sich nicht genug nutzbringend fühlt, und in Äquatorialafrika ein Spital für die Ärmsten der Armen, für die Verlassensten der Verlassenen, für die unter der Schlafkrankheit und anderen Tropengebresten zu Tausenden hinsiechenden Neger, aus eigener Kraft zu begründen.

Wahnsinn, sagen seine Freunde, sagen seine Verwandten. Warum in Afrika? Ist nicht in Europa Elend genug, dem abzuhelfen wäre? Aber die innerliche Antwort Albert Schweitzers ist: weil die Arbeit in Afrika die schwierigste ist. Weil sich dort hinab niemand wagt, außer den Geldverdienern, Abenteurern und Karrieremachern, weil gerade dort im Urwald, in der täglichen Lebensgefahr der aus reinen, ethischen Motiven wirkende Mensch nötiger ist als irgendwo. Und dann – mystischer Gedanke – dieser eine Mensch will für seine Person jenes ungeheure, unsagbare Unrecht sühnen, das wir Europäer, wir, die angeblich so kulturelle weiße Rasse, an dem schwarzen Erdteil seit Hunderten Jahren begangen haben. Würde einmal eine wahrhafte Geschichte geschrieben werden, was die Europäer an Afrika verbrochen, wie sie erst durch Sklavenraub, dann durch Branntwein, Syphilis, Raffgier die ahnungslosen schwarzen Kinder dieses Erdteiles gemartert, ausgeplündert und dezimiert haben (noch heute [1932] ist, wie Andre Gides Kongobuch beweist, vieles nicht besser geworden), dann würde eine solche historische Aufstellung eines der größten Schandbücher unserer Rasse werden und unser frech getragenes Kulturbewußtsein für Jahrzehnte zur Bescheidenheit dämpfen. Einen winzigen Teil dieser ungeheuren Schuld will nun dieser eine religiöse Mensch mit dem Einsatz seiner Person bezahlen durch die Gründung eines Missionsspitals im Urwald – endlich einer, der nicht in die Tropen geht um des Gewinns, um der Neugier willen, sondern aus reinem humanen Hilfsdienst an diesen Unglücklichen der Unglücklichen. Aber wie kann er ein Spital gründen, er, der von Medizin nichts weiß? Eine solche Kleinigkeit kann eine eherne Energie wie jene Albert Schweitzers nicht erschrecken. Mit dreißig Jahren Professor der Theologie, einer der meisterlichsten Orgelspieler Europas, hochgeehrt als Musikologe, setzt er sich ruhig zu den Achtzehnjährigen in Paris noch einmal auf die Schulbank, in den Seziersaal, und beginnt trotz schweren Geldsorgen Medizin zu studieren. 1911, sechsunddreißigjährig, besteht er das medizinische Staatsexamen. Dann noch ein Jahr klinischer Dienst und die Doktorarbeit, und der beinahe Vierzigjährige tritt die Reise in den anderen Erdteil an.

Nur das Wichtigste fehlt noch: das Geld für ein so weitreichendes Unternehmen, denn unter keinen Umständen will Albert Schweitzer von der französischen Regierung Unterstützung nehmen. Er weiß: Unterstützung bedeutet Abhängigkeit von Beamten, Kontrolle, kleinliche Einmengerei, Überschaltung eines rein human Gedachten ins Politische. So opfert er das Honorar seiner Bücher, gibt eine Reihe von Konzerten zugunsten seiner Sache, und Gesinnungsfreunde steuern bei. Im Sommer 1913 langt er endlich in Lambarene am Ogovefluß an und beginnt, sein Spital zu bauen. Zwei Jahre beabsichtigt er zunächst dort zu bleiben, aber zwangsweise werden es viereinhalb, denn dazwischen fällt für die ganze europäische Menschheit der Krieg, und dieser warmherzige Samariter, der selbstlos in den französischen Kolonien einer humanen Idee dienen wollte, wird plötzlich gewalttätig daran erinnert, daß er seinem Paß nach immerhin Elsässer, also damals Deutscher, sei, und vom 5. August 1914 an hat er sich auf seiner Mission als Gefangener zu betrachten. Anfangs erlaubt man ihm noch die Ausübung seiner ärztlichen Tätigkeit, schließlich aber wird die Kriegsbürokratie unerbittlich in ihrem heiligen Wahnsinnsrecht: Schweitzer wird aus dem afrikanischen Missionsgebiet, wo er auf wunderbarste Weise tätig ist, mitten aus dem Urwald nach Europa gebracht und für ein ganzes Jahr in den Pyrenäen untätig hinter Stacheldraht gesetzt. Als er heimkehrt, findet er die väterliche Landschaft von Günzbach verheert und zerstört, die Berge entwaldet und das menschliche Elend, zu dessen Bekämpfung er sein Leben eingesetzt hat, vertausendfacht.

Sein ganzes Werk scheint also vergebens getan. An einen Wiederaufbau des afrikanischen Spitals ist zunächst nicht zu denken, noch sind Schulden zu bezahlen, noch ist die Welt versperrt, und diese Jahre nützt Schweitzer zu seinen Werken ›Verfall und Wiederaufbau der Kultu‹ und ›Kultur und Ethik‹ sowie zur Vollendung der großen Bach-Ausgabe. Aber die Entschlossenheit dieses Mannes ist unzerstörbar. Er gibt Konzert auf Konzert, schließlich hat er nach fünf Jahren wieder Geld beisammen. 1924 reist er abermals nach Lambarene, wo er alles, was er aufgebaut hat, verfallen findet. Der Dschungel hat die Gebäude gefressen, alles muß neu und in größeren Dimensionen an anderer Stelle errichtet werden. Aber diesmal kommt ihm schon Ruhm und Ruf seines Werkes zustatten. Denn jede starke ethische Energie sendet Emanationen aus, und wie der Magnet totes Eisen magnetisch macht, so wohnt aufopfernden Naturen die Kraft inne, andere sonst gleichgültige Menschen zur Aufopferung zu erziehen. Immer sind in der Menschheit Unzählige bereit, einer Idee zu dienen, ein ungeheurer Idealismus wartet unausgelöst in jeder Jugend, sich einer Aufgabe völlig hinzugeben (und wird von den politischen Parteien meist in eigennütziger Weise mißbraucht). Manchmal aber, in sehr seltenen Glücksfällen, strömt er reich und frei einer humanen Idee zu, so in diesem Falle: eine ganze Schar Helfer bietet sich Schweitzer an, die, von seiner Idee überzeugt, unter ihm, neben ihm wirken will, und gefestigter als je steht der alte Bau. 1927, 1928 ist wieder ein Pausejahr, das Schweitzer in Europa verbringt, um durch Konzerte und ihren Ertrag den materiellen Bestand seines Spitals zu sichern, und so teilt er sein Leben zwischen der einen und der anderen Welt in Arbeit und Arbeit, die aber beide konzentrisch auf die Entwicklung des Werkes und seiner Persönlichkeit zielen.

Den Glücksfall, diesem außerordentlichen Mann, der jetzt knapp vor einer neuen Reise nach Afrika bei uns in Europa weilt, wieder zu begegnen, glaubte ich nicht versäumen zu dürfen; die Welt ist so arm an wirklich überzeugenden und beispielgebenden Gestalten, daß da eine kleine Reise wahrhaftig nicht als Preis gelten darf. Ich hatte Schweitzer jahrelang nicht gesehen, und briefliche Bindung ersetzt nur sehr unzulänglich die lebendige Gegenwart. So freute ich mich zutiefst wieder seines warmen, klaren und herzlichen Blickes. Ein wenig Grau hat sich auf sein Haar gestreut, aber prachtvoll imponierend wirkt noch immer das plastisch gehauene alemannische Gesicht, dem nicht nur der buschige Schnurrbart, sondern auch die geistige Struktur der überwölbten Stirn eine starke Ähnlichkeit mit den Bildern Nietzsches gibt. Führertum eines Menschen verleiht immer unwillkürlich von innen her etwas Autoritatives, aber das Selbstbewußtsein Albert Schweitzers hat nichts von Rechthaberei, sondern ist nur die von innen nach außen gewendete Sicherheit eines Menschen, der sich am rechten Wege weiß, und die Kraft, die von ihm ausstrahlt, wirkt niemals aggressiv, denn sein ganzes Denken und Leben beruht ja in der höchsten Lebensbejahung oder, besser gesagt, der Bejahung des Lebens in allen seinen geistigen und irdischen Formen, also in verstehender Konzilianz und Toleranz. Albert Schweitzers Gläubigkeit und sogar Kirchengläubigkeit entbehrt jedes Fanatismus, und das erste, was dieser wunderbare Mensch, dieser einstige protestantische Priester und Theologe uns mitten im Gespräch bewundernd rühmte, waren religiöse Texte chinesischer Philosophen, in denen er eine der höchsten Manifestationen irdischer Ethik bewundert.

Es wurde ein reicher Nachmittag; man durchblätterte Photographien von Lambarene, man hörte von den hier sich erholenden Pflegerinnen und Helferinnen der Mission viele erschütternde und gleichzeitig wieder viele erhebende Einzelheiten von der unsäglichen Sisyphusarbeit, die dort geleistet wird, um das immer wieder neu anströmende Menschenelend nur für kurze Frist zu dämmen und zu lindern. Und zwischendurch, in dem mit Briefen und Manuskripten überstreuten Zimmer dieses unermüdlichen Menschen freut man sich immer wieder eines Blickes auf das männlich schöne Antlitz, in dem Sicherheit und Ruhe sich zu einer seltenen Einheit verbinden. Hier wirkt, so spürt man, das Zentrum einer Kraft, die, für uns unsichtbar, sich in einem anderen Erdteil in Wohlfahrt und moralische Schöpfung umsetzt und gleichzeitig in vielen anderen Tausenden ähnliche Kräfte steigert und erregt, und während er ruht und plaudert, ist er zugleich Führer einer unsichtbaren Armee, der Mittelpunkt eines magischen Kreises, der ohne jede äußere Gewalt und ohne Verwendung von Gewalt doch mehr Gewalt und Leistung ausgelöst hat als Dutzende politischer Führer, Professoren und Autoritätsmenschen. Und wieder erkennt man: beispielgebende Kraft hat mehr Macht im Wirklichen als alle Dogmen und Worte.

Und dann hinaus in das kleine Tal, durch das sonntäglich stille Dorf. Längst sind die Narben verheilt, die der Krieg geschlagen. Drüben in den Hängen der Vogesen und auf der anderen, der deutschen Seite, wo die Kanonen mit dumpfem Schlag Stunde für Stunde ihre gasgiftigen Geschosse ausgespien, liegt ein stillfriedliches Abendlicht. Sorglos kann man auf der Straße gehen, die vor vierzehn Jahren noch in unterirdische, mit Stroh überdeckte Tunnels verwandelt war. Der Weg führt langsam zur kleinen Kirche, denn obwohl ich nicht wagte, ihn darum zu bitten, der große Musiker hatte unseren heimlichen Wunsch geahnt, ihn auf seiner neuen, nach seinen eigenen Angaben gefertigten Orgel wieder einmal spielen zu hören.

Die kleine Kirche von Günzbach, die er jetzt aufschließt, ist eine besondere unter den hunderttausend Kirchen, die auf europäischer Erde stehen. Nicht, daß sie eigentlich schön wäre oder im kunsthistorischen Sinn bedeutsam: ihre Eigenart ist geistig-geistlicher Natur, denn sie gehört zu den im ganzen vierzig oder fünfzig Kirchengebäuden, wie man sie nur im Elsaß und in einigen Orten der Schweiz findet, welche zugleich für katholischen und protestantischen Gottesdienst eingerichtet sind. Der Chor, durch ein kleines Holzgitter abgeschlossen, wird nur für den katholischen Gottesdienst geöffnet, der zu anderer Stunde stattfindet als der protestantische. Ein scheinbar Unmögliches ist also hier vollbracht, auf einer Erde, wo deutsche und französische Sprache locker ineinandergleiten – daß auch die katholische und protestantische Lehre ohne Gehässigkeit in einem gleichsam neutralen Gotteshause miteinander verbunden sein können, und Albert Schweitzer erzählt, daß schon von seiner Jugend her diese Möglichkeit einer friedlichen Bindung einen vorbildlichen Einfluß auf seine Lebensanschauung gewonnen hat.

Es ist schon dunkel im völlig leeren Kircheninnern, als wir eintreten, und wir machen kein Licht. Nur über der Klaviatur der Orgel wird eine einzige kleine Birne aufgedreht. Sie leuchtet nur Schweitzers Hände an, die jetzt über die Tasten zu gehen beginnen, und das niedergebeugte sinnende Gesicht erhält von den Reflexen ungewissen magischen Widerschein. Und nun spielt Albert Schweitzer uns allein in der leeren nachtschwarzen Kirche seinen geliebten Johann Sebastian Bach: unvergleichliches Erlebnis! Ich habe ihn, diesen Meister, der alle Virtuosen beschämt, schon früher mit tausend anderen zugleich in München in einem Orgelkonzert spielen gehört; es geschah vielleicht im technischen Sinne nicht minder vollendet. Aber doch, nie habe ich die metaphysische Gewalt Johann Sebastian Bachs so stark empfunden wie hier in einer protestantischen Kirche, erweckt durch einen wahrhaft religiösen Menschen und von ihm mit der äußersten Hingabe gestaltet. Wie träumend und doch zugleich mit wissender Präzision gehen die Finger über die weißen Tasten im Dunkel, und gleichzeitig hebt sich wie eine menschliche, übermenschliche Stimme aus dem bewegten riesigen Brustkorb des Orgelholzes der gestaltete Klang. Großartig ordnungshaft und inmitten äußersten Überschwanges fühlt man die Vollkommenheit der Fuge so unabänderbar beständig wie vormittags das Straßburger Münster in seinem Stein, so ekstatisch und leuchtkräftig wie die Tafel des Matthias Grünewald, deren Farben einem noch warm unter den Lidern brennen. Schweitzer spielt uns die Adventkantate, einen Choral, und dann in freier Phantasie; leise und geheimnisvoll füllt sich das schwarze Gehäuse der Kirche mit großer Musik und zugleich die eigene innere Brust.

Eine Stunde solch beschwingter Erhebung und wieder hinaus auf die schon verdunkelten Wege, die jetzt gesteigert hell erscheinen, und wieder langes gutes Gespräch beim Abendbrot, von innen erwärmt durch das Gefühl wahrhaft menschlicher Gegenwart und die andere, die unsichtbare, der Kunst, die uns alles Irdische, politisch Widrige auf die herrischeste und herrlichste Art wegzunehmen weiß. Dann wieder zurück nach Colmar und im Zuge neuerdings hin durch die Nacht, dankbar erregt und gleichsam ausgeweitet. Man hat an einem Tage eines der vollendetsten Wunder deutscher Architektur, das Straßburger Münster, hat das Meisterwerk deutscher Malerei, den Isenheimer Altar, und schließlich noch die unsichtbare Kathedrale der Musik Johann Sebastian Bachs erlebt, aufgebaut von einem der musikalischesten Meister der Gegenwart – an einem solchen vollkommenen Tag fühlt man schon wieder Gläubigkeit für die widrigste Zeit. Aber der Zug rollt und rollt weiter über die elsässische Erde, und plötzlich schreckt man auf, denn die Stationen, die draußen ausgerufen werden, wecken bedrückende Erinnerung: Schlettstadt, Mülhausen, Thann, an alle diese Namen erinnert man sich noch aus den Heeresberichten: da zehntausend Tote, da fünfzehntausend, und dort in den Vogesen, die silbern durch den Nebel geistern, hunderttausend oder hundertfünfzigtausend, gefallen unter Bajonetten, unter Kugeln, vergast, vergiftet im Bruderkrieg, im brudermörderischen Haß. Und man verzagt wieder und versteht nicht, wie ebendieselbe Menschheit, welche die unfaßbarsten und unbegreiflichsten Meisterwerke im Geistigen hervorbringt, seit tausend und tausend Jahren nicht das einfachste Geheimnis zu meistern lernt: zwischen Menschen und Menschen, welche solche unvergängliche Güter gemeinsam haben, den Geist der Verständigung lebendig zu bewahren.

 

 

 

PERSOONLIJKE INDRUKKEN TAGUNG STRASBOURG

 

TAGUNG INTERNATIONALE STEFAN ZWEIG GESELLSCHAFT IN STRASBOURG SEPTEMBER 2018

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Vorig weekeinde hield het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft zijn jaarlijkse Tagung; deze keer in Strasbourg, volgende jaar in Hamburg.

De Strasbourg bijeenkomst was een kleurrijke en levendige bijeenkomst, waaruit ik graag een aantal persoonlijke indrukken memoreer:

  • BEZOEK AAN DE EUROPEAN COUNCIL/EUROPARAT. Het zal misschien aan mijn geestelijke luiheid liggen, maar nu pas is het mij duidelijk geworden wat het verschil is tussen het werk van de Europese Raad en van de Europese Unie. Voor degenen die mijn luiheid delen: de Europese Raad is de waakhond van mensenrechten en de Europese Unie is een samenwerkingsverband tussen Europese staten op voornamelijk gebied van handel, financiën en recht. In de Europese. De bouwactiviteiten in het EU-Viertel zijn enorm. Tussen de reeds bestaande, schitterende gebouwen verrijzen steeds nieuwe, nog meer spectaculaire bouwwerken. Vooral van bedrijven die graag in de buurt van EU instanties willen werken. Een schouwspel van activiteit, weelde en macht, waarin wij deskundig en uitvoerig werden rondgeleid. Naast deze overweldigende indrukken bekroop mij toch ook de herinnering aan een vraag die ik mijn moeder bij het boodschappen-doen, lang geleden, hoorde stellen: “Slager, mag het een half onsje minder zijn?”.

 

  • ALSACE/ELZAS De Elzas is een wonderschone streek die eeuwenlang een speelbal tussen Franse en Duitse machthebbers is geweest. Nu zijn alle naambordjes frans, maar in de taal die de inwoners spreken is het Duitse verleden nog hardnekkig zichtbaar en hoorbaar. Op de menukaart werd ons de keuze geboden tussen: “Hüsgemachti Grumbeerekuechle un greenem Sàlàt  of  Geraichertes Schiffele un Sürküt “. Het verbaasde mij niet te horen dat aan de andere kant van de Rijn, richting Zwitserland ongeveer dezelfde taal wordt gesproken.

 

  • STRASBOURG Het oude centrum van Strasbourg is schilderachtig mooi. Als je haast hebt is het niet aan te bevelen om met de auto naar jouw hotel te moeten zoeken. Stefan Zweig is drie of vier keer in Strasbourg geweest. Steeds voor korte bezoeken; in 1932 samen met Friderike. In 1933 werd een bezoek van hem om een lezing te houden wegens de gespannen politieke verhoudingen afgezegd.

 

  • ALTAAR VAN ISENHEIM Het beroemde altaar van Isenheim staat sober en smaakvol opgesteld in een museum in Colmar. De altaarbeschilderingen maakten indruk op me, vooral door de bewaarde gebleven kleuren. Het altaar moet in binnen de gewijde sfeer van het klooster in Isenheim nog meer indruk hebben gemaakt.
  • ALBERT SCHWEITZER In de buurt van Strasbourg ligt het dorpje Günsbach, de plek waar Albert Schweitzer opgroeide en werkte. Het door hem gebouwde orgel staat in de plaatselijke kerk. Ik wist van Schweitzer slechts dat hij een krachtig mens was die in Afrika buitengewoon humaan werk had verricht. Voor mij hing er ook altijd een zweem van zelfingenomenheid rond zijn persoon. Een bezoek aan zijn huis, kerk en orgel en enkele lezingen over zijn humanistische, zeer praktijkgerichte filosofie hebben mij weer aan het lezen gezet over hem, want ik geloof dat ik hem tekort heb gedaan.  Overigens heeft Stefan Zweig een kort essay over zijn bezoek aan Schweitzer in Günsbach geschreven nl. Unvergessliches Erlebnis. Ein Tag bei Albert Schweitzer In dit verhaal beschrijft Zweig mede zijn bewondering voor de kathedraal van Strasbourg, in het bijzonder de kunst die de ingang omlijst (zie foto)

 

 

  • GEZELLIGHEID Eten met het Stefan Zweig gezelschap is steeds een feestje. Uit vele landen stromen Zweigliefhebbers samen en er is altijd wel een taal te vinden waarin we goed kunnen communiceren; vaak Duits, want dat is nu eenmaal de taal waarin Zweig meestal schreef. In de Elzas eten riep bij mij hoge verwachtingen op. De keuken wordt, zeker als je van zuurkool houdt, geroemd. Eerlijk gezegd was er voor mij bij iedere maaltijd steeds iets te veel zuurkool op het bord. Maar de gezelligheid werd er niet minder op. Een mop die aan onze tafel werd verteld deed het gelach bij het doorvertellen door de hele bierkelder circuleren. De mop: ”Moos komt bij het einde van zijn leven bij de Styx en vraagt de veerman hem over te zetten. Dat is goed, zegt de man, maar mag ik dan € 650 van je vangen. Moos is ontsteld over de hoogte van het loon en roept: nu begrijp ik dat Jezus over het water heeft leren lopen.”

 

  • FRANS MASEREEL In de reeks “Junge Wissenschaft” hield Julia Rebecca Glunk een voordracht over de houtsnijkunst van Frans Masereel, die het werk van Stefan Zweig vaak heeft begeleid en over de vriendschap tussen beide mannen. Deze sterk beeldende kunst heeft mij gestimuleerd meer van het werk van Masereel te willen zien. Als voorbeeld toon ik een afbeelding die Masereel maakte en opgenomen is in de Nederlandse vertaling van Der Zwang (Dwang), een novelle van Stefan Zweig. De vertaling (1923) is van Reinier Sterkenburg

Ik houd jullie op de hoogte van datum en inhoud van de Tagung 2019 in Hamburg.

Met groet van

Dirk Jansen

STEFAN ZWEIG IN NEDERLAND

Stefan Zweig in Nederland

Piet Wackie Eysten

 

In het deze zomer verschenen nummer van Zweigheft, een periodieke uitgave van het Stefan Zweig Centre in Salzburg, zijn twee tot nu toe onbekende brieven van Stefan Zweig aan zijn vriend Andreas Latzko gepubliceerd. Zij dateren van resp. 9 en 17 juni 1933.

Andreas Latzko (1867-1943) was een Hongaars-Oostenrijkse schrijver, geboren in Budapest. Tijdens de Eerste Wereldoorlog had hij in Zwitserland Zweig leren kennen. Zij raakten bevriend. Evenals Zweig vestigde Latzko zich na de oorlog in Salzburg. Latzko, die evenals Zweig Jood was, ontweek in 1931 het naderend nazi-regime en verhuisde met zijn vrouw en 7-jarig zoontje naar Amsterdam. Met Zweig bleef hij ook nadien in geregeld contact. Hun briefwisseling omvat 89 brieven. Hij drong er bij Zweig herhaaldelijk op aan zijn voorbeeld te volgen en tijdig een goed heenkomen te zoeken. Maar Zweig hield in 1933 die boot nog af. Hij besefte wel, schrijft hij op 9 juni 1933 aan Latzko, dat hij Salzburg zal moeten verlaten (‘er valt hier niet meer te leven, alles is nationaalsocialistisch, je stikt hier tussen de vijanden en de spionnen’). Maar ‘innerlich widerstrebe ich einer Emigration solange als nur möglich’. Maar acht maanden later is het toch zover. In februari 1934 verlaat hij Salzburg en Oostenrijk definitief en vestigt zich voorshands in Londen.

Diverse buitenlandse uitgevers benaderden Zweig intussen met uitnodigingen om zijn werk bij hen te laten verschijnen. ‘An Verlegern ist ja jetzt kein Mangel’, schrijft hij op 17 juni aan Latzko. ‘Mich besuchte jüngst von Allert de Lange der sehr sympathische van Praag mit seiner Frau. […] Aber Holland kommt für mich keinesfalls in Betracht.’ Anders dan in Engeland, Frankrijk, België of Zwitserland kent hij er de taal niet en heeft hij er nauwelijks of geen vrienden of persoonlijke contacten.

De ‘sehr sympathische van Praag’ was de Nederlandse schrijver Siegfried van Praag (1899-2002). Samen met zijn vrouw, Hilda van Praag-Sanders, bezocht hij in 1933, namens de mede door Hilda opgerichte Verlag Allert de Lange, Duitse en Oostenrijkse schrijvers, die in hun eigen taalgebied niet meer konden, mochten, durfden of wilden verschijnen. Behalve Zweig bezochten zij Felix Salten en Alfred Polgar in Wenen, in Zürich Alfred Döblin, Max Brod in Praag. Toen de Britse Zweig-biograaf Donald Prater, met wie ik al eerder had gecorrespondeerd (zie De Parelduiker 2004/3, pag. 60 e.v.), mij een aantal jaren geleden vroeg of ik eventuele relaties van Zweig met Nederlandse auteurs kon achterhalen, schreef ik een brief aan Van Praag, die toen in Brussel woonde. Ik vroeg hem naar zijn herinneringen aan Zweig en diens eventuele verdere contacten in Nederland. Ik had niet veel hoop op een bruikbaar antwoord, maar ik had geen andere aanknopingspunten. ‘”Zweig in the Netherlands” does not, unfortunately, make a big chapter in his life’, had Prater mij, met typisch Brits gevoel voor understatement, geschreven.

Ik wist dat Zweig in 1929 Nederland had bezocht. Prater vermeldt in zijn biografie European of Yesterday, alleen terloops een bezoek aan Utrecht in dat jaar en Oliver Matuschek in de zijne, Drei Leben – Eine Biografie, al even terloops, een bezoek aan Rotterdam, Utrecht en Den Haag, ‘wo er aus seinen Werke las’, in aansluiting op een bezoek aan Brussel in datzelfde jaar. Meer was mij over Zweigs connecties met Nederland of Nederlandse schrijvers niet bekend.

Van Praag antwoordde mij uitvoerig. Stefan Zweigs bezoek aan Nederland in 1929 herinnerde hij zich helaas niet.

‘Toch waren we toen al met elkaar in briefwisseling’, schreef hij mij. ‘Ik voelde me verwant aan Zweig en heb hem mijn novelle ‘De dolle maagd’ (1933) opgedragen. Dit vond hij prettig. Ik noemde hem in die opdracht ‘de mensenvriend, de mensenkenner’. Volgens mij was hij dit ook en verpersoonlijkte hij dus de ware humanist die van de mens houdt en door de mens geboeid wordt. Ook heb ik Zweig in ‘Het Volk’ verdedigd toen A.M. de Jong hem had aangevallen om zijn slappe houding ten opzichte van de opkomende Hitler-politiek. Zweig was geen homo politicus, maar het heil van de mensen ging hem ter harte. Ik denk dat hij zichzelf enigszins in zijn ‘Erasmus’ heeft weerspiegeld. We schreven elkaar. In +1933/34 hebben mijn vrouw en ik hem opgezocht in Salzburg en van zijn gastvrijheid en fijne conversatie genoten. Ook maakten wij toen met Frau von Winternitz, zijn eerste vrouw, kennis. Hij nodigde ons voor het dîner in een ten dele daarvoor ingericht klooster uit. Wij spraken samen frans (al schreven we elkaar in het duits) een taal die hij vlot en welluidend sprak. Hij leek kalm, berustend, verfijnd, maar uit zijn boeken blijkt dat hij zich tot zeer hartstochtelijke figuren uit het verleden en zijn [hun?] tijd aangetrokken voelde en tot hevige, explosieve toestanden in mensen en in de geschiedenis. Die nijging [sic!] naar hartstocht in de beheerste, ook voorzichtige man, lijkt mij één van de factoren te zijn die tot zijn zelfmoord leidden. Zucht naar apotheose. In Engeland, in 1940 hebben wij elkaar helaas niet teruggezien. Hij vertrok naar Bath toen wij er aankwamen. Merkwaardig nog! Eén van Zweigs eerste publicaties is zijn biographie van de Franse dichteres-actrice Marceline Desbordes-Valmore geweest, door mij (ik heb Franse taal en letteren gestudeerd) zeer bewonderd. Ook Zweigs jeugdwerk! Veel later, na de oorlog, publiceerde ik een roman over diezelfde vrouw (1959).’

Tot zover Siegfried van Praags brief, die is gedateerd 20 april 1982. Ik heb hem er natuurlijk voor bedankt en de inhoud doorgegeven aan Prater, die mij naar aanleiding daarvan in contact bracht met Dr. Herbert Lewandovski (1896-1996), een Duitse schrijver die vooral bekend is geworden als auteur van het gefingeerde dagboek van Kaspar Hauser. Ook van hem kreeg ik een reactie. Hij had zich vanuit Bonn, waar hij gepromoveerd was, in 1923 in Utrecht gevestigd, schreef hij, en woonde nu in Genève. In 1929 had hij Stefan Zweig en Jakob Wassermann uitgenodigd om voor de Duits-Nederlandse Vereniging in Utrecht, waarvan hij vicevoorzitter was, een lezing te houden. Die lezingen hadden plaatsgevonden ‘in einem Saal des Jaarbeursgebäudes.’

‘Stefan Zweig sprach über ‘Pan-Europa’, schreef hij. ‘Nach dem Vortrag sassen wir – etwa ein Dutzend Personen – rund um ihn herum und plauderten noch ein wenig. Eine Einladung, mit mir Amsterdam zu besichtigen, musste Zweig ablehnen, da er einen weiteren Vortrag im Haag halten musste.’

Dat klopte – afgezien misschien van die Dutzend Personen – , want ik wist inmiddels dat Zweig op de avond van dinsdag 19 maart 1929 in Den Haag, in Pulchri Studio aan het Lange Voorhout, zijn voordracht over Die Europäische Idee in der Literatur (door Lewandovski gemakshalve samengevat als ‘Pan-Europa’) had gehouden (en dus niet, zoals Matuschek schrijft, ‘aus seinen Werken’ gelezen had.)

Zweig had destijds in een kort briefje aan zijn pen-friend Van Praag, die hij toen nog niet persoonlijk had ontmoet, maar met wie hij, zoals Van Praag mij had verteld, al wel correspondeerde, zijn komst naar ons land aangekondigd. Hij hoopte er ‘einige Holländischen Kameraden persönlich kennen zu lernen.’ Wie deze ‘Kameraden’ waren is niet duidelijk, behalve dat vermoedelijk de Nederlandse filosoof Herman Wolf (1893-1942) één van hen was. Dat valt op te maken uit diens in 2013 verschenen biografie, Alles doet mee aan de werkelijkheid, geschreven door zijn kleinzoon Paul Scheffer.

Op zondagavond 17 maart 1929 arriveerde Zweig in Den Haag. Hij had twee dagen in Brussel doorgebracht. Over zijn verblijf daar bracht hij terstond aan zijn vrouw Friderike, die in Salzburg was achtergebleven, verslag uit. In het Palais des Beaux-Arts had hij zijn voordracht gehouden over de Europese literatuur, een ‘erstaunlicher Erfolg’. De Belgische PEN-Club had voor hem, als biograaf en vertaler van de Belgische dichter Émile Verhaeren, een banket gegeven. Hij had geluncht met twee ministers, de heren Huysmans en Vandervelde. Verder had hij wat bezoeken afgelegd, onder andere bij de weduwe van Verhaeren, en interviews gegeven. Ook Felix Timmermans had hij nog opgezocht. Pas om middernacht was hij in Den Haag aangekomen. ‘Was habe ich alles getan in 2 Tagen!’

In Den Haag logeert hij in Hôtel des Deux Villes. Dat hotel was gevestigd in het gebouw aan het Buitenhof waar nu de bioscoop Pathé is. Bij zijn aankomst had Zweig twee uitnodigingen aangetroffen, van de Duitse en de Oostenrijkse ambassadeur. Die zegt hij beide beleefd af door het afgeven van visitekaartjes, ‘Karten abwerfen’ noemt hij het in zijn brief aan Friderike. In de tijd die hij vrij heeft bezoekt hij ‘lieber das Mauritshuis noch einmal’[1], schrijft hij haar. Eerst moet hij zich naar Utrecht haasten (‘ich sause nach Utrecht’) om daar zijn lezing over de Europese literatuur te houden.

Voor museumbezoek zal hij die twee Nederlandse dagen weinig tijd hebben gehad. Na bezoeken aan Delft en Scheveningen en een lunch op de ambassade moet hij de volgende dag boeken signeren bij boekhandel Dijkhoffz aan de Plaats. Die avond houdt hij wederom zijn lezing, in Pulchri Studio aan het Lange Voorhout. In de Haagsche Courant verschijnt de volgende dag, woensdag 20 maart, een verslag van de ‘allergezelligste thee’ bij Dijkhoffz, waarbij – een uit het buitenland overgewaaide ‘nouveauté’ volgens de krant – de auteur ‘zijn werken desgevraagd signeerde.’ Van Zweigs lezing in Pulchri doet Het Vaderland uitvoerig verslag. Zweig is volgens de krant de aangewezen man om over de Europese cultuur te spreken. Zijn werk is vertaald in alle Europese talen, inclusief het Nederlands. ‘Geen plaatsje was dan ook gisterenavond onbezet in Pulchri Studio,’ vermeldt de krant.

Een uitgebreid souper – ‘mit 70 Personen’ rapporteert hij aan Friderike – tot laat in de avond, besluit de dag. De volgende ochtend moet hij vroeg op om zijn trein te halen naar Göttingen (‘verder van Den Haag dan ik dacht’). Ook daar staat die avond zijn voordracht op het programma, idem twee dagen later in Hannover. Het weer is hier mooi, verzucht hij, maar ‘wat heeft iemand daar aan, die in Brussel in twee dagen 20 mensen moet afwerken en hier Den Haag als een rondreizende kleermaker al zijn klanten moet bezoeken.’

Prater had gelijk, Zweigs korte verblijf in Nederland was inderdaad ‘not a big chapter in his life.’

Piet Wackie Eysten september 2018

 

 

[1] Dit ‘noch einmal’ lijkt erop te wijzen dat Zweig Den Haag eerder heeft bezocht. Een aanwijzing van een eerder bezoek aan Nederland kan ook liggen in zijn brief aan Herman Wolf van 9 april 1923, waarin hij spreekt over het plezier ‘om weer eens een buiging te maken voor de schilderijen van Rembrandt.’ Zie Scheffer, a.w. blz.150.

UITNODIGING JOSEPH ROTH GENOOTSCHAP

 

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Onze collega’s van het Joseph Roth Genootschap vieren op 15 en 16 december aanstaande groots hun 10-jarig bestaan. Stefan Zweig heeft in het programma een prominente plek.

Graag verwijs ik voor het volledige programma naar onze site www.stefanzweig.nl onder het kopje Zweig Vandaag.

 Met hartelijke groet,

Dirk Jansen

10 Jaar Internationaal Joseph Roth Genootschap / Wenen

L.S.

Dit jaar vieren wij het tienjarig bestaan van ons genootschap.

Wij doen dat in Amsterdam op zaterdag 15 en zondag 16 december 2018 samen met ons Belgisch zustergenootschap.

U kunt daar met Uw partner bij zijn. Ook als U geen lid bent. Een mooie gelegenheid om met deze fascinerende schrijver kennis te maken of andere Roth-liefhebbers te ontmoeten.

Programma

Zaterdag 15 December 2018 van 17.30 – 21.30 uur

in het Lloyd Hotel in Amsterdam, Kamer 28 ‘Het Kantoor’.

Oostelijke Handelskade 34, te bereiken met tram 26 vanaf C.S. Amsterdam, Richting IJburg. Uitstappen Rietlandpark. Betaald parkeren is mogelijk bij het hotel. Voertaal Duits en Nederlands. Gespreksleiders: Heinz Lunzer en Madeleine Rietra.

17.30 Inloop met drankje.

18.00 Welkom

Buffet, ook vegetarisch/veganistisch.

Wij heffen het glas op Joseph Roth en ons 10 jarig bestaan.

Tijdens het eten krijgen we iets te horen over de geschiedenis van dit voormalige emigrantenhotel. Er worden teksten van Joseph Roth voorgedragen en verloot en er is een inleiding in de film van cineast Robert Bober, die aansluitend wordt vertoond:

20.00 – 21.30 Wien vor der Nacht (2016).

De Joods-Poolse overgrootvader van Robert Bober verlaat in 1904 zijn Poolse geboortedorp. Zijn emigratie naar Amerika mislukt, hij vestigt zich in Wenen. Bober probeert zijn levens- verhaal te reconstrueren aan de hand van het Joodse leven in het destijds Oostenrijkse Galicië en van biografieën van bekende Joodse schrijvers, die in die tijd ook in Wenen woonden, zoals Stefan Zweig, Peter Altenberg, Arthur Schnitzler en Joseph Roth.

Zondag 16 December 2018 van 14.00 – 18.00 uur

in het Goethe- Instituut Amsterdam, Herengracht 470.

Neem vanaf het C.S o.a. tram 12, richting Amstelstation, naar het Koningsplein. Voertaal: D/N. Gespreksleider: Madeleine Rietra.

Welkom

14.00 Leo Frijda: Joseph Roth en Stefan Zweig. Twee vrienden.

Nederlandstalige voordracht met dia’s.

14.45 Els Snick presenteert haar vertaling naar het Nederlands van de briefwisseling tussen Joseph Roth en Stefan Zweig, die als Nr. 300 van de serie Privé-Domein bij de Arbeiderspers verschijnt. 15.15 Pauze

15.30 Alexis Tautou: Die Bilder in Joseph Roths Journalistik und Romanen. Voordracht in het Duits.

16.15 Heinz Lunzer presenteert in het Duits een nieuw deel in de reeks van het Internationaal Joseph Roth Genootschap.

16.30 Borrel en boekentafel.

N.B. Heeft U belangstelling? Mail dan z.s.m. waaraan U wilt deelnemen aan madeleine.rietra@telfort.nl . Op beide locaties is beperkt plaats. Vooraf aanmelden is verplicht.

Kosten:

Voor de avond in het Lloyd Hotel, incl. buffet en consumpties, moeten wij een bijdrage vragen van 45,- Euro per persoon.

Over te maken naar IBAN: AT84 1200 0512 8004 6888

BIC: BKAUATWW Ten name van Internationale Joseph Roth Gesellschaft, Wien, Unicredit Bank Austria, Wien.

Vergeet U s.v.p. niet Uw naam en het doel “Roth in Amsterdam” te vermelden.

Het Goethe-Instituut vraagt een bijdrage in de kosten van 5,- Euro, te voldoen op dag zelf, bij de ingang.

Wij hopen U in groten getale te mogen begroeten.

Met hartelijke groet,

Heinz Lunzer, voorzitter & Madeleine Rietra, vice-voorzitter.

 

oer getijden op guernsey

 

                           

Beste Zweigvriendinnen en –vrienden,

In juni berichtte ik u over mijn indrukwekkende bezoek aan de Kanaaleilanden. Voor mij was er een verband tussen de vredelievende instelling van Stefan Zweig en de wonderlijke mengeling op de eilanden tussen een historie van geweld en hun kleurrijke bloemenuitstraling.

De eilanden blijven hardnekkig in mijn hoofd zitten. Vooral de getijdenkusten die telkens lijken te tonen dat de eb en vloed bewegingen zich al vele eeuwen op dezelfde wijze voltrekken. Het schouwspel uit oertijden herhaalt zich tot op de dag van vandaag.

 

 

 

OER GETIJDEN

Diep verscholen weet ik dat

ik het schouwspel eerder zag;

een herinnering, niet uit dit leven,

maar een dat eeuwen eerder lag.

 

Uit wijkend water rijzen donkere tanden

die zich verdichten tot gitzwarte wanden

met vlijmscherpe kartelranden.

Mystieke schoonheid in de glinstering van

zilver zeewaterlicht.

 

De half-droog gevallen bodem

bergt rijk leven:

mosselen wachten op het weerkerend water,

waaruit zij eten zeven,

wormen spuiten kratertjes

uit het natte zand,

het zeewier kleedt de klippen

in zwarte, glibberige jassen

en onder de waterspiegel van een

tijdelijk meertje

wuiven elegant zee-eigen grassen.

 

Straks dekt weer de zee

zijn onderwereld toe

en reinigt het van mensensporen.

Zorgzaam voedt hij alle leven

en herhaalt zich,

ritmisch, keer op keer,

onophoudelijk,

telkens weer.

 

Guernsey,

Juni 2018

Dirk Jansen

 

Noachs’ derde duif

Noachs derde duif op zoek naar een vredige plek.
Stefan Zweig en Romain Rolland.

 

In de Nieuwsbrief van het Stefan Zweig Genootschap Nederland van juni jl. stond Dirk Jansens Nederlandse vertaling van Zweigs De Legende van de derde duif. Noachs derde duif keert niet op de ark terug. Hij komt terecht in ónze wereld. Daar is overal oorlog, een zee van vuur en bloed overspoelt de aarde, zoals het water tijdens de zondvloed. Noachs duif zoekt tevergeefs naar een vredige plek.

Zweig schreef deze legende tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij verbleef in die jaren enige tijd in Zwitserland, waar hij nauw contact had met zijn vijftien jaar oudere geestverwant, de door hem bewonderde Franse schrijver Romain Rolland, overtuigd pacifist als hijzelf.

-0-

Zweig en Rolland hadden elkaar voor de oorlog leren kennen. Tijdens een verblijf in Italië kreeg Zweig bij toeval L’Aube onder ogen, het eerste deel van Rollands tiendelige roman-fleuve Jean-Christophe. Het boek fascineerde hem. ‘Hier was eindelijk’, schrijft hij in Die Welt von gestern, ‘het werk dat niet in dienst stond van een enkel Europees land, maar van alle landen en hun verbroedering, en van een bezielend geloof in de samenbindende taak van de kunst.’ Van zijn literaire Franse en Belgische vrienden, hoort hij dat Rolland behalve schrijver ook historicus en musicoloog is. Hij doet moeite zijn adres te bemachtigen en stuurt hem een van zijn boeken om met hem in contact te komen.

Zijn eerste bezoek aan de auteur van Jean-Christophe heeft Zweig in Die Welt von gestern nauwkeurig beschreven. Hij herkende direct in Rolland, schrijft hij, ‘de man die op het beslissende ogenblik het geweten van Europa zou zijn.’ Er ontstond een hechte vriendschap, die hij, naast die met Freud en Verhaeren, de ‘vruchtbaarste en op sommige momenten zelfs de meest bepalende van mijn leven’ noemde.

Als Zweig in het voorjaar van 1913 wat langer in Parijs is, nodigt hij enkele vrienden uit voor een déjeuner in de stad. Onder hen is Rainer Maria Rilke, die dan tijdelijk in Parijs woont en die hij in contact wil brengen met Rolland, wiens vriendschap, schrijft hij Rilke, ‘tot de grootste en zuiverste dingen in mijn leven behoort’. De Belgische dichter Emile Verhaeren en Léon Balzagette, een nu vrijwel vergeten Franse schrijver met wie Zweig eveneens bevriend is, heeft hij ook uitgenodigd. Het is een gedenkwaardige bijeenkomst, ‘verrukkelijk om deze mensen bij elkaar te hebben’, noteert de gastheer in zijn dagboek, ‘onvergetelijke uren’. Een door alle vijf disgenoten ondertekende briefkaart aan hun Duitse uitgever Anton Kippenberg, is een blijvende herinnering aan deze historische ontmoeting.

Later zal Rolland zich herinneren hoe Zweig hem destijds met Rilke in contact bracht. Hij prijst Zweigs ‘zeldzame instinct om het verborgene in kunstenaars te ontdekken.’ Enkele dagen na deze gedenkwaardige lunch in een Parijs’ restaurant bezoekt Zweig Rolland thuis, in diens bescheiden woning op de vijfde verdieping aan de Boulevard Montparnasse. De kleine kamer, waarvan de wanden tot aan de zoldering bedekt zijn met boeken, doet hem denken aan de cel van een monnik. De enige ‘versiering’ bestaat uit Beethovens dodenmasker en een portret van Richard Strauss, met wie Rolland goed bevriend is.

Aan Zweigs en Rollands gemeenschappelijke ideaal van een universeel en harmonieus Europa komt een wreed einde in de zomer van 1914. Zweig verblijft met vrienden in het Belgische badplaatsje De Haan bij Oostende als in Sarajevo het pistoolschot klinkt dat – zoals Zweig het in Die Welt von gestern zegt – ‘onze wereld als een holle aardenwerken pot in duizend stukken deed springen.’ Niet direct zijn deze vergaande gevolgen duidelijk. Integendeel. ‘Wat heeft die dode aartshertog in zijn sarcofaag met mijn leven te maken?’, vraagt Zweig zich aanvankelijk af. Dat Duitsland mobiliseert, zoals de krantenkoppen beweren en het onschuldige België zal binnenvallen, kan hij aanvankelijk niet geloven. Het lukt hem op tijd de trein naar Wenen te nemen; het blijkt de laatste te zijn. Al snel realiseert hij zich dat van contact met zijn Franse en Belgische vrienden voorlopig, misschien wel voorgoed, geen sprake meer kan zijn. Hun dromen van een verenigd Europa, van een gemeenschappelijke cultuur die Europese landsgrenzen overstijgt, lijkt uiteen te zijn gespat. Landsgrenzen zijn onoverkomelijke hindernissen geworden, vrienden vijanden.

Ook zijn vriendschap met Rolland lijkt hier niet tegen bestand te zijn. In het Berliner Tageblatt van 19 september 1914 neemt Zweig met zijn artikel An die Freunde im Fremdland, afscheid van zijn vrienden, die nu – hoezeer hij zich ook aan hen verplicht voelt – zijn vijanden zijn geworden. Rolland dient hem van repliek. ‘Ik blijf Europa beter trouw dan u, beste Stefan Zweig,’ schrijft hij hem. ‘Ik neem van géén van mijn vrienden afscheid!’ Kort daarna publiceert Rolland zijn beroemd geworden pamflet Au-dessus de la mêlée (‘Boven het krijgsgewoel’), een gloeiend pleidooi voor vrede en onafhankelijkheid, waarin hij zich tegen zowel Frans als Duits patriotisme afzet. Zweig zal het misschien beschaamd ter harte hebben genomen. Maar het heeft aan zijn bewondering voor zijn oudere vriend niet afgedaan, integendeel.

Romain Rolland

In oktober 1914 verschijnt in alle Duitse bladen een Aufruf an die Kulturwelt. Het is een manifest, ondertekend door 93 Duitse kunstenaars, schrijvers en wetenschappers, onder wie grootheden als Richard Dehmel, Gerhard Hauptmann, Max Liebermann, Max Planck, Max Reinhardt en Felix Weingartner. Het richt zich tot de dan nog neutrale staten met een vergeefse en onwaarachtige rechtvaardiging van de Duitse inval in België en de daar door de Duitsers gepleegde wandaden. De verantwoordelijkheid voor het uitbreken van de oorlog wordt de Duitsland omringende landen voor de voeten geworpen. Dit zogeheten Manifest der 93 zal Zweig, en zijn Franse vriend niet minder, een gruwel zijn geweest.

Zweig heeft zich in november als dienstplichtige moeten melden. In het Kriegsarchiv in de Weense Stiftskaserne wordt hij belast met de redactie van vaderlandslievende periodieken en propagandistische persberichten over de oorlogshandelingen. ‘Dat ik hier niet in wanhoop gestikt ben’, schrijft hij in mei 1915 aan Rilke, ‘heb ik enkel en alleen aan Rolland te danken. Diens brieven zijn voor mij de garantie dat de werkelijke wereld niet wordt bepaald door de meningen van het moment; de zuivere, op eenheid en verbondenheid gerichte krachten heb ik nooit sterker ervaren dan in deze tijd.’

Zweig in het Kriegsarchiv

Rolland bevindt zich dan inmiddels in Zwitserland. Hij is door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog overvallen in Vevey. Hij heeft besloten er te blijven om zijn krachten in dienst te stellen van het Internationale Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis te Genève. Hem wordt in 1915 de Nobelprijs voor literatuur toegekend als erkenning voor het indrukwekkende idealisme in zijn literaire werk en de liefde voor de waarheid waarmee hij in zijn biografieën diverse mensen heeft beschreven, zo luidt samengevat de motivering. Vooral Jean-Christophe, waarin de vriendschap tussen twee jonge mannen, een Duitser en een Fransman, centraal staat, wordt met de prijs geëerd. De vriendschap tussen de naar Beethoven gemodelleerde jonge Duitse componist Jean-Christophe en diens Franse vriend Olivier symboliseert de nauwe betrekking tussen de culturen van Frankrijk en Duitsland, die Rolland voor een harmonieus Europa onontbeerlijk acht. Het geld van de Nobelprijs stelt hij integraal ter beschikking aan het Rode Kruis ten behoeve van de krijgsgevangenen, Franse én Duitse.

Het feit dat Rolland in het neutrale Zwitserland verblijft maakt het mogelijk dat Zweig en hij hun correspondentie, die tot het begin van de Twee Wereldoorlog zal voortduren en meer dan 600 brieven omvat, in deze oorlogsjaren voortzetten. Dat zij voor Zweig van grote betekenis is geweest blijkt uit zijn in deze jaren trouw bijgehouden dagboek. Op 22 september 1914 noteert hij dat een ‘namenlos schöner Brief’ van Rolland hem over alle droefenis heen tilt. De brief helpt hem zich te verzoenen met het feit dat hun wederzijdse vriend Verhaeren van haat is vervuld tegen Duitsland, dat zijn vaderland zo wreed onder de voet heeft gelopen. Rolland toont wel enig begrip voor wat Zweig ziet als Verhaerens verraad aan hun gemeenschappelijke ideaal van een onpartijdige houding in een vreedzame wereld.

Een andere brief van Rolland (maart 1915) verwelkomt Zweig als ‘een regenboog bij verduisterde hemel.’ Rollands brieven zijn voor hem ‘ein lodernes Feuer der Freundschaft’, een vlammend vuur van vriendschap. Ook voor Rolland was deze correspondentie met zijn jongere penfriend van grote betekenis.

Vervuld van dezelfde idealen als waaraan Rolland uiting heeft gegeven in Jean-Chistophe, schrijft Zweig zijn toneelstuk Jeremias, dat met veel succes in Zwitserland wordt opgevoerd. Rolland herkende daarin, zoals hij aan Zweig schrijft, ‘de veelzijdige en edele Europese geest die onze tijd nodig heeft.’ Het stuk gaat over de profeet Jeremia, die als een oud-testamentische Kassandra de Joden de ondergang van Jerusalem voorspelt in hun oorlog tegen Nebukadnezar. Jerusalem valt, de overlevenden trekken weg, maar in de diaspora troost en begeleidt hen Jeremia. ‘Man kann ein Volk bezwingen, doch nie seinen Geist’,  luidt de laatste regel van het stuk. Het is de niet mis te verstane boodschap die Zweig hier de wereld voorhoudt. Bij het schrijven van deze ‘dramatische Dichtung’, zoals hij Jeremias noemt, heeft hij zich sterk door Rolland geïnspireerd gevoeld: ‘ik weet niet of ik het had kunnen voltooien zonder uw morele voorbeeld,’ schrijft hij hem.

Het duurt nog tot november 1917 voordat beide vrienden elkaar in Zwitserland weer in levende lijve ontmoeten. Een ontmoeting was immers alleen mogelijk op neutraal terrein, nu zij ‘vijanden’ zijn, en in elkaars landen niet meer worden toegelaten. Zweig heeft van de Oostenrijkse autoriteiten verlof gekregen om de première van Jeremias in Zwitserland bij te wonen. Hij neemt, samen met zijn aanstaande vrouw Friderike von Winternitz, zijn intrek in Zürich. Daar vindt in februari 1918 de première van Jeremias plaats. Maar allereerst maakt hij van zijn verblijf in Zwitserland gebruik om Rolland op te zoeken. Die woont in Hotel Byron in Villeneuve, aan het meer van Genève. Eind november logeren Stefan en Friderike enkele dagen bij hem. De beide gedreven pacifisten, voeren er dagelijks lange en diepgaande gesprekken, ‘iedere minuut met hem is voor mij onvergetelijk’, noteert Zweig. ‘Het morele geweten van Europa’, noemt hij zijn gastheer in zijn dagboek. Rolland, op zijn beurt, beschrijft in zijn Journal hoezeer Zweig in zijn ‘scrupuleuze onafhankelijkheid tot het uiterste gaat’.

Na Zweigs vertrek verzekert Rolland hem in een lange brief van ‘de broederlijke vriendschap’ die hij voor hem voelt. ‘Onze beproevingen hebben onze vriendschap gestaald’, schrijft hij. ‘U bent ‘humaan’ zoals weinigen.’ Zweig antwoordt twee dagen later in soortgelijke termen. ’U bent in deze periode voor mij de gids geweest; er is niemand onder de levenden wiens morele voorbeeld voor mij zo noodzakelijk en weldadig is geweest.’ Friderike deelt in die erkentelijkheid door haar roman Vögelchen, die in 1919 verschijnt, aan Rolland op te dragen, ‘dankbarst für viele Güte und Freundschaft’.

In maart 1919 keert Zweig, met Friderike en haar beide dochters, definitief naar Oostenrijk terug. Als zij bij Feldkirch de grens passeren, komt vanuit de tegengestelde richting de trein die keizer Karel, de laatste keizer van Oostenrijk, met zijn gezin naar Zwitserland brengt. ‘Hiermee was de bijna duizendjarige Habsburgse monarchie pas werkelijk ten einde’, schrijft Zweig in Die Welt von gestern. ‘Ik besefte dat het een ander Oostenrijk, een andere wereld was, waarin ik terugkeerde.’ Die andere wereld stemt hem vooralsnog niet optimistisch. Zijn brieven uit die tijd aan Rolland zijn ‘imprégnées du plus amer découragement’, ‘doordrenkt van de bitterste ontmoediging’, noteert Rolland in zijn Journal.

In Wenen houdt Stefan in april een voordracht over Rollands Déclaration de l’indépendance de l’esprit. Kort daarna verhuizen hij en Friderike, met wie hij in januari 1920 in het huwelijk treedt, naar het grote, verwaarloosde huis op de Kapuzinerberg in Salzburg, dat zij tijdens de oorlogsjaren hebben gekocht. Rolland zou het later ‘Villa Europa’ noemen, vanwege de vele beroemde gasten uit alle landen van Europa die Zweig er in de loop van de tijd zou ontvangen.

Stefan en Friderike Zweig

In 1921 publiceert Zweig een beknopte levensbeschrijving van zijn vriend, Romain Rolland. Der Mann und das Werk. Daarin bespreekt hij het tot dan toe verschenen maar toch al omvangrijke oeuvre van zijn held. Hij wijdt het boek aan ‘allen die trouw zijn gebleven aan ons heilige Europa.’ Ook Duitse vertalingen van zijn hand van Rollands werk zien in de volgende jaren het licht. Zijn novelle Episode am Genfersee (1922) is gebaseerd op een tragische gebeurtenis tijdens zijn verblijf in Zwitserland.

Uit hun correspondentie uit deze jaren spreekt hun beider zorg over de voor Duitsland fnuikende vredesvoorwaarden en het risico van een gewelddadige Duitse revanche. In 1923 woont Rolland de vergadering van de PEN-club bij in Londen. Hij rapporteert aan Zweig, dat op instigatie van de Belgen de Duitse delegatie, onder leiding van Gerhard Hauptmann, uit de vergadering is verwijderd. Hij is verbijsterd en verwijt de voorzitter, John Galsworthy, onvoldoende karakter te hebben getoond. De verkiezing van Hindenburg tot Rijkspresident, twee jaar later, is een teken aan de wand, ook van herlevend antisemitisme. ‘Politieke idioten zijn het!’, schrijft Zweig aan Rolland. ‘Waar moet het met Europa heen?’

De jaren twintig zijn Zweigs meest productieve jaren. Hij is wereldberoemd en houdt  in heel Europa lezingen over Europa en het culturele erfgoed van ons werelddeel. De grote Europese humanist Rolland blijft een lichtend voorbeeld voor hem. Voor het door Rolland opgestelde manifest Déclaration de l’indépendence de l’esprit werft Zweig ondertekenaars onder intellectuelen en kunstenaars uit diverse Europese landen. Naast Rolland en Zweig behoren uiteindelijk onder anderen Bertrand Russell, Uptain Sinclair, Frederik van Eeden, Henri Barbusse, Selma Lagherlöf en Albert Einstein tot de ondertekenaars.

Slechts éénmaal  heeft Rolland bij zijn Oostenrijkse vriend, in de ‘Villa Europa’, gelogeerd. Dat was in de zomer van 1923. In Engeland was Rolland ziek geworden, het voor juni geplande bezoek moest tot augustus worden uitgesteld. Het leek Friderike ‘een wonder’ dat deze oude, breekbare, halfzieke man de klimtocht op de steile weg naar het hooggelegen huis op de Kapuzinerberg kon volbrengen. Stefan had minutieus alle mogelijke voorbereidingen getroffen. Aan zijn gast stelde hij zijn eigen slaap- met aangrenzende werkkamer ter beschikking, aansluitend op de ‘salon’, de grote kamer waar de vleugel stond. ‘Nooit heb ik Beethoven mooier gehoord dan toen’, schrijft Zweig in Die Welt von gestern. De middagen waren gereserveerd voor bezoekers, zoals Arthur Schnitzler, Hermann Bahr en Erwin Rieger, van wie in 1928 de eerste Zweig-biografie zou verschijnen.
’s Avonds bezochten de Zweigs met hun gast concerten in de stad, ook van moderne muziek, waar Rolland overigens niet veel mee op had.

Het is jammer dat Zweig geen verslag heeft nagelaten – Rolland evenmin voor zover ik weet – van dit eenmalige bezoek, dat twaalf dagen duurde. Noch in zijn dagboek, noch in Die Welt von gestern of in een brief is er iets over te vinden. Van Friderike bestaat wel een dagboekaantekening. Daaruit blijkt dat zij met Rolland af en toe blikken van verstandhouding wisselde over wat zij noemt ’kleine männliche Torheiten’ van haar echtgenoot.

Het volgend voorjaar, in mei 1924, ontmoetten de twee vrienden elkaar weer, in Wenen, tijdens de Strauss-feesten ter gelegenheid van de zestigste verjaardag van de componist Richard Strauss. Rolland arriveert op zaterdag 10 mei te laat voor de opvoering van Der Rosenkavalier, maar het avondconcert die dag woont hij wel bij. Hij meldt zijn aankomst in de stad direct aan Strauss, die in zijn appartement aan de Mozartgasse verblijft. Het concert, met name het symfonische gedicht Ein Heldenleben, schrijft Rolland, heeft hem doen terugdenken aan de eerste keer dat hij dit werk hoorde, vijfentwintig jaar geleden. Het was voor hem toen de aanleiding geweest om Strauss in Berlijn op te zoeken, met wie hij sedertdien in vriendschap verbonden is gebleven.

Aan Friderike schrijft Zweig dat hij in Wenen veel tijd met Rolland doorbrengt. Al Strauss’ tot dan toe voltooide opera’s, met uitzondering van zijn eersteling Guntram, worden tijdens het festival opgevoerd. ‘Wir haben jeden Abend Loge in der Oper. Ich strausse kräftig mit!’, schrijft hij haar. Voor een lunch heeft Zweig enkele vrienden uitgenodigd om Rolland te ontmoeten. Rolland noteert in zijn Journal dat Zweig hem ‘et quelques amis viennois’ op dinsdag 13 mei een lunch aanbiedt in Hotel Meissl und Schaden aan de Neumarkt : ‘Déjeuner simple, très cordial. J’ai comme voisin A. Schnitzler.’ De dag daarop bezoeken Zweig en Rolland samen Sigmund Freud, die de beroemde Franse schrijver al lang had willen ontmoeten.

De beide vrienden zagen elkaar een jaar later alweer terug, in Leipzig, waar zij de Händel-Festspiele bezochten en Bach-cantates beluisterden in de Thomaskirche. Rolland deed Zweig bij die gelegenheid een net verschenen nieuwe uitgave cadeau van het eerste deel van zijn Jean-Christophe, geïllustreerd met houtsneden van hun gemeenschappelijke Belgische vriend, Frans Masereel. Van Leipzig reisden zij naar Weimar om er het Goethehuis en het Nietzschearchief te bezoeken. Zweigs band met Rolland was in deze jaren het sterkst. Zijn toneelstuk Le jeu de l’amour et de la mort, dat speelt in de tijd van de Franse revolutie, droeg Rolland op aan Stefan, ‘de trouwe ziel, patriot van Europa en gelovig belijder van de vriendschap, aan wie dit werk het te danken heeft dat het geschreven werd.’ In het voorwoord noemt hij Zweig zijn trouwste vriend en beste raadgever.

Ter gelegenheid van Rollands zestigste verjaardag, 29 januari 1926, neemt Zweig samen met George Duhamel en Maxim Gorky het initiatief voor een liber amicorum voor de jarige. In diverse Duitse steden houdt hij dat jaar lezingen over de grote humanist, in Berlijn op de dag zelf van diens verjaardag. ‘Mon cher ambassadeur dans tout le monde germanique,’ noemt Rolland hem dankbaar. Ook Nederland bezoekt Zweig. In maart 1929 spreekt hij in Den Haag en Utrecht over Die Europäische Idee in der Literatur.

In de dertiger jaren valt de schaduw van het nationaalsocialisme over Europa. Hitlers mislukte Bierkellerputsch in 1923 was al een teken aan de wand geweest. De aanhoudende recessie blaast de NSDAP wind in de zeilen. Bij de Rijksdagverkiezingen van oktober 1930 wordt zij de tweede partij van Duitsland en twee jaar later de grootste. Op 30 januari 1933 wordt Adolf Hitler Rijkskanselier. Stefan Zweig, die zich van partijschap en geweld steeds zo ver mogelijk verwijderd had gehouden, begint de moed op te geven. In Berlijn worden zijn boeken op de brandstapel gegooid, na de Anschluss in 1938, ook in zijn woonplaats Salzburg.

Rolland en Maxim Gorky

Geleidelijk aan ontstond enige, aanvankelijk bijna onmerkbare, verwijdering tussen de gezworen vrienden. Dat betrof met name hun houding ten opzichte van het communisme en de Sovjetunie in het bijzonder. In maart 1933, als hij in Zwitserland is voor een serie lezingen, zoekt Zweig zijn oude vriend, die dan inmiddels 67 jaar is, weer op. Hij verheugt zich op een weerzien, schrijft hij aan Friderike. Maar een bezoek in september 1935, twee en een half jaar later, is een uitgesproken teleurstelling. In Rollands sympathie voor de Sovjet-Unie (hij heeft er een reis naartoe gemaakt en weigert zijn stem te verheffen tegen de excessen van het Stalin-regime) kan Zweig niet meegaan. Rollands tweede echtgenote, zijn voormalige secretaresse Marie Kudatschewa, is een overtuigd communiste. Zij heeft grote invloed op haar man. Op haar aandringen is Rolland Russisch gaan leren. Met Zweig worden tijdens zijn bezoek de voorbereidingen besproken voor de feestelijkheden bij Rollands zeventigste verjaardag in januari 1936. Rollands zuster, die bij hem woont, en Zweig willen een representatief beeld geven van leven en werken van de Franse Nobelprijswinnaar. Maar Marie, ‘die stupide Kuh’, schrijft Zweig aan Friderike, wil er een ‘bolsjewistische apotheose’ van maken. Daarover ontstaat tussen de beide vrouwen ‘eine furchtbare Szene’, aldus Zweig. Geen wonder dat hij dit bezoek, dat hun laatste ontmoeting zou blijken te zijn, in zijn korte verslag aan Friderike ‘höchst unerfreulich’ noemt. Hij distantieert zich nu zelfs van de viering van Rollands zeventigste verjaardag.

‘Ik heb mij er al mentaal op ingesteld [uit Oostenrijk] te vertrekken’, had hij al op 10 mei 1933, de dag van de eerste boekverbranding in Berlijn, aan Rolland geschreven. ‘Inwendig heb ik afscheid genomen van mijn huis, mijn verzameling, mijn boeken…’ Vanuit Londen schrijft hij in juni 1937 aan Friderike, van wie hij inmiddels gescheiden leeft, in een lange weemoedige brief: ‘Langzamerhand vertrouw ik mijzelf niet meer, nu ik zie dat mijn oudste vrienden, zoals Roth en Rolland (vanwege politieke onenigheid) zich van mij vervreemden.’ ‘Incipit Hitler’, noemt hij het laatste hoofdstuk van Die Welt von gestern.

Op de avond voor zijn overhaaste vertrek uit Salzburg in februari 1934 schrijft hij een brief aan Rolland, waarin hij hem vertelt over de voortgang van zijn boek over Erasmus, dat bijna een autobiografie wordt, de anti-fanatieke Erasmus als een versluierd beeld van hemzelf. Als Zweig aan Rolland laat weten te overwegen zich definitief buiten Europa, bij voorkeur in Zuid-Amerika, te vestigen, antwoordt Rolland hem dat het op hun leeftijd te laat is om nog ergens anders wortel te schieten. ‘Zonder wortels blijft er van ons slechts een schaduw over’, meent hij.

Hun briefwisseling komt in april 1940 tot een einde. Rolland is in Bourgogne gaan wonen, in Vézelay, dicht bij zijn geboorteplaats. Op 7 april schrijft hij een brief aan Zweig. Als deze later die maand Parijs aandoet – waar hij een voordracht houdt over Das Wien von gestern – schrijft hij van daaruit terug. Het is hun laatste briefwisseling. Ook tot een ontmoeting komt het niet meer.

Via de Verenigde Staten komt Zweig uiteindelijk, met zijn tweede vrouw, Lotte Altmann, in Brazilië terecht. Daar maken zij samen op 22 februari 1942 een einde aan hun leven. Het bericht van hun gemeenschappelijke zelfmoord verspreidt zich razendsnel over de wereld. Rolland hoort het nieuws over de radio. ‘Mijn hart kromp ineen’, schrijft hij aan een gemeenschappelijke vriend. ‘Hij leek zo sterk te zijn, zo zeker van zijn bestaan, dat hij van alle gevaren meende te kunnen vrijwaren… Pauvre Stefan!

En Rolland zelf? In de paar jaren die hem nog restten werkte hij, teruggetrokken in Vézelay, gestaag verder aan zijn omvangrijke en veelzijdige oeuvre, in het bijzonder aan de boeken over zijn idool Beethoven. Zijn beroemd geworden Vie de Beethoven was al in 1903 verschenen. Hij voltooide nu zijn grote, vijfdelige Beethoven, Les grandes époques créatrices, waarvan het eerste deel, De l‘Héroïque à l’Apassionata, in 1928 was uitgekomen. Het complete werk werd na zijn dood uitgegeven, zoals ook Zweigs beroemdste werken, Schachnovelle en Die Welt von gestern, postuum verschenen.

‘Uit de ontmoeting van twee schrijvers uit verschillende landen is een wederzijdse vriendschap ontstaan, bezegeld door de beproevingen van een oorlog’, schrijft Robert Dumont in Stefan Zweig et la France, waaraan veel van de door mij gebruikte gegevens zijn ontleend. ‘De ernstige en afgemeten stem van de Fransman moge hun discours soms hebben gedomineerd, de door ontroerende en welwillende gevoeligheid geïnspireerde accenten van zijn correspondent hebben hun dialoog onvergetelijk gemaakt.’

Op 30 december 1944 overleed Romain Rolland in Vézelay, een maand voor zijn 79ste verjaardag.

PIET WACKIE EYSTEN

De legende van de derde duif

 

DE LEGENDE VAN DE DERDE DUIF (Die Legende der dritten Taube)

STEFAN ZWEIG

 

In het boek over de aanvang der tijden is het verhaal verteld van de eerste duif en van de tweede die de aartsvader Noach vanuit de ark uitzond toen de sluizen van de hemel zich sloten en de wateren zakten. Maar wie heeft over de reis en het lot van de derde duif verteld?

Op de top van de berg Ararat was het reddende schip gestrand, dat in zijn ruim al het van de zondvloed verschoonde leven borg, en toen de aartsvader vanuit de mast alleen maar water zag, oneindig veel water, toen zond hij een duif uit, de eerste duif, om te ontdekken of er ergens onder de wolkeloze hemel land te zien was. De eerste duif, zo wordt verteld, sloeg haar vleugels uit en vloog naar het oosten en naar het westen, maar er was niets dan water. Nergens vond zij rust op haar vlucht en haar vleugels begonnen erg vermoeid te raken. Daarop keerde zij terug naar de enige vaste plek op aarde, de ark, en fladderde om het vastliggende schip op de bergtop, totdat Noach zijn hand uitstrekte en haar weer in de ark binnenliet.

Hij wachtte zeven dagen waarin er geen regen viel en het water verder zakte, toen nam hij opnieuw een duif, de tweede en zond haar op verkenning. De duif vloog ’s morgens weg en toen zij tegen vespertijd terugkwam had zij als teken van leven van de bevrijde aarde een olijftak in haar snavel. Zo begreep Noach dat de toppen van de bomen al boven het water uitstaken en het onderzoek geslaagd was.

Na wederom zeven dagen stuurde hij opnieuw een duif, de derde, op onderzoek de wereld in. Zij vloog ’s morgens uit en keerde echter niet ’s avonds terug. Iedere dag wachtte Noach ongeduldig, maar ze kwam niet terug. Toen wist de aartsvader dat de aarde vrij was en het water gezonken. Van de duif, de derde,  heeft hij echter nooit meer iets vernomen en ook niemand anders heeft tot op de dag van vandaag haar legende gehoord.

Hier zijn echter het reisverhaal en de lotgevallen van de derde duif.

“s Morgens was zij uit het muffe ruim van het schip gevlogen, waar in het donker de opeengeperste dieren morrend van ongeduld zaten in een kluwen van hoeven en klauwen, woest brullend, blaffend, sissend en fluiten, ze was opgevlogen uit deze benauwenis de oneindige wijdte in, uit het donker het licht in. Met het uitslaan van haar vleugels in de heldere, door de regen zoet-gekruide lucht, golfde er ineens vrijheid  en de genade van eindeloosheid om haar heen. Diep beneden glinsterde het water, de bossen lichtten op als vochtig mos, uit de weilanden rees de vroege witte nevel en de geuren van planten stegen gistend op uit weiden. De strakblauwe hemel spiegelde een metaalachtige glans naar beneden, net boven de gekartelde bergruggen brak de rijzende zon in oneindige tinten morgenrood door, kleurde daardoor de zee bloedrood en deed de bloeiende aarde als heet bloed dampen. Het was goddelijk om dit ontwaken te aanschouwen en met dit zalige uitzicht wiegde de duif zich met vlakke streken over de purperen wereld, over landen en zeeën en werd al dromend zelf een zwevende droom. Als God zelf zag zij als eerste de bevrijde aarde, en haar beleving kende geen einde. Ze was allang Noach, de grijsaard van de ark en zijn opdracht om terug te keren, vergeten. Want de wereld was nu haar vaderland geworden en de hemel haar eigen huis.

Zo vloog de derde duif, de ontrouwe boodschapper van de aartsvader, over de lege wereld, verder, steeds verder, door de storm van haar geluk gedragen, door de wind van haar eigen zielenonrust  vloog zij verder, steeds verder, tot haar vleugels traag werden en haar gevederte van lood leek. De aarde trok haar met massieve kracht naar zich toe, haar zware vleugels wiekten steeds matter, tot zij de vochtige boomtoppen streelden en op de avond van de tweede dag daalde zij eindelijk neer in het hart van een woud dat nog naamloos was, zoals alles in de aanvang der tijden. Zij verschuilde zich in het kreupelhout en rustte uit van haar luchtreis. Zij dekte zich met rijshout toe, de wind wiegde haar in slaap, het was overdag koel onder het bladerdek en ’s nachts warm in haar woudwoning. Ze vergat al snel de winderige hemel en de lokroep van de vertes, de groene woning gaf haar geborgenheid en de tijd schreed ongemerkt voort.

Het was een woud in de ons bekende wereld waarin de verdwaalde duif huisvesting vond, maar er woonden nog geen mensen, en in deze eenzaamheid werd zijzelf geleidelijk een droom. Zij nestelde zich in het nachtgroene donker, de jaren trokken aan haar voorbij en de dood vergat haar, want alle dieren, alle soorten die nog de eerste wereld na de zondvloed hadden gezien, konden niet sterven, en geen jager kon hen iets doen. Onzichtbaar nestelen zij zich in de plooien van de aarde, net zo als de duif in het diepst van het woud. Af en toe kregen ze weliswaar vermoedens van menselijke aanwezigheid, er klonk een schot dat meerstemmig weerkaatste op de groene wanden, houthakkers sloegen tegen de stammen, zodat rondom de duisternis dreunde, het zacht gelach van verliefden, die ineengestrengeld verborgenheid zochten, kirde heimelijk in de struiken, en het gezang van kinderen die bessen zochten klonk ijl en ver. De verscholen duif, ingesponnen in loof en dromen, hoorde soms deze stemmen uit de wereld, maar ze luisterde er zonder angst naar en bleef verscholen in haar duisternis.

Op een dag begon de wereld ineens te dreunen. Dood en vernietiging hing boven haar; zoals eerst het water rolde nu het vuur over de wereld. Toen spande zij haar vleugels en schoot weg uit het ineenstortende woud om een veilige plek te zoeken: een vredige plek.

Zij vloog hoger en zweefde boven onze wereld om die vrede te vinden, maar waar ze ook heen vloog, overal waren lichtflitsen, het gedonder van de mensen, overal oorlog. Een zee van vuur en bloed overspoelde de aarde, zoals eens een zondvloed, en gehaast wiekte zij over onze landen om een vredige plek te vinden en dan op te stijgen naar de aartsvader om hem de beloofde olijftak te brengen. Maar ze kon het nergens vinden; de vloed van verderf steeg steeds hoger boven de mensheid, steeds verder vrat de brand zich in onze wereld in. Nog steeds had zij geen rust kunnen vinden en de mensheid geen vrede en zij mocht niet eerder terugkeren en rusten voordat dit was volbracht.”

Niemand heeft in onze tijd deze verdwaalde, mythische, naar vrede zoekende duif gezien, maar toch fladdert zij angstig en vermoeid boven onze hoofden. Soms, alleen ’s nachts, als men opschrikt uit de slaap hoort men hoog boven in het donker een jachtig geruis, een angstaanjagende vlucht, een radeloos vluchten. Op haar wieken zweven ook onze zwarte gedachten, in haar angst deinen al onze wensen en deze tussen hemel en aarde sidderend zwevende verdwaalde duif, de ontrouwe boodschapper van weleer, vertelt nu ons eigen noodlot aan de aartsvader van de mensheid. En weer wacht, net als duizenden jaren geleden, een wereld ongeduldig op de hand die wordt toegestoken en inziet dat het genoeg is met deze beproeving.

 

Gepubliceerd in december 1916 in Der Bildermann, Berlin

Vertaling Dirk Jansen

WHEN IT IS TOO LATE TO STOP FASCISM

When It’s Too Late to Stop Fascism, According to Stefan Zweig

By George Prochnik

February 6, 2017

Stefan Zweig in Ossining, New York, in 1941, seven years after he fled the ascendant Nazism of Europe.

PHOTOGRAPH BY ULLSTEIN BILD / GETTY

The Austrian émigré writer Stefan Zweig composed the first draft of his memoir, “The World of Yesterday,” in a feverish rapture during the summer of 1941, as headlines gave every indication that civilization was being swallowed in darkness. Zweig’s beloved France had fallen to the Nazis the previous year. The Blitz had reached a peak in May, with almost fifteen hundred Londoners dying in a single night. Operation Barbarossa, the colossal invasion of the Soviet Union by the Axis powers, in which nearly a million people would die, had launched in June. Hitler’s Einsatzgruppen, mobile killing squads, roared along just behind the Army, massacring Jews and other vilified groups—often with the help of local police and ordinary citizens.

Zweig himself had fled Austria preëmptively, in 1934. During the country’s brief, bloody civil war that February, when Engelbert Dollfuss, the country’s Clerico-Fascist Chancellor, had destroyed the Socialist opposition, Zweig’s Salzburg home had been searched for secret arms to supply the left-wing militias. Zweig at the time was regarded as one of Europe’s most prominent humanist-pacifists, and the absurd crudity of the police action so outraged him that he began packing his things that night. From Austria, Zweig and his second wife, Lotte, went to England, then to the New World, where New York City became his base, despite his aversion to its crowds and abrasive competitiveness. In June of 1941, longing for some respite from the needs of the exiles in Manhattan beseeching him for help with money, work, and connections, the couple rented a modest, rather grim bungalow in Ossining, New York, a mile uphill from Sing Sing Correctional Facility. There, Zweig set to furious work on his autobiography—laboring like “seven devils without a single walk,” as he put it. Some four hundred pages poured out of him in a matter of weeks. His productivity reflected his sense of urgency: the book was conceived as a kind of message to the future. It is a law of history, he wrote, “that contemporaries are denied a recognition of the early beginnings of the great movements which determine their times.” For the benefit of subsequent generations, who would be tasked with rebuilding society from the ruins, he was determined to trace how the Nazis’ reign of terror had become possible, and how he and so many others had been blind to its beginnings.

Zweig noted that he could not remember when he first heard Hitler’s name. It was an era of confusion, filled with ugly agitators. During the early years of Hitler’s rise, Zweig was at the height of his career, and a renowned champion of causes that sought to promote solidarity among European nations. He called for the founding of an international university with branches in all the major European capitals, with a rotating exchange program intended to expose young people to other communities, ethnicities, and religions. He was only too aware that the nationalistic passions expressed in the First World War had been compounded by new racist ideologies in the intervening years. The economic hardship and sense of humiliation that the German citizenry experienced as a consequence of the Versailles Treaty had created a pervasive resentment that could be enlisted to fuel any number of radical, bloodthirsty projects.

Zweig did take notice of the discipline and financial resources on display at the rallies of the National Socialists—their eerily synchronized drilling and spanking-new uniforms, and the remarkable fleets of automobiles, motorcycles, and trucks they paraded. Zweig often travelled across the German border to the little resort town of Berchtesgaden, where he saw “small but ever-growing squads of young fellows in riding boots and brown shirts, each with a loud-colored swastika on his sleeve.” These young men were clearly trained for attack, Zweig recalled. But after the crushing of Hitler’s attempted putsch, in 1923, Zweig seems hardly to have given the National Socialists another thought until the elections of 1930, when support for the Party exploded—from under a million votes two years earlier to more than six million. At that point, still oblivious to what this popular affirmation might portend, Zweig applauded the enthusiastic passion expressed in the elections. He blamed the stuffiness of the country’s old-fashioned democrats for the Nazi victory, calling the results at the time “a perhaps unwise but fundamentally sound and approvable revolt of youth against the slowness and irresolution of ‘high politics.’ ”

In his memoir, Zweig did not excuse himself or his intellectual peers for failing early on to reckon with Hitler’s significance. “The few among writers who had taken the trouble to read Hitler’s book, ridiculed the bombast of his stilted prose instead of occupying themselves with his program,” he wrote. They took him neither seriously nor literally. Even into the nineteen-thirties, “the big democratic newspapers, instead of warning their readers, reassured them day by day, that the movement . . . would inevitably collapse in no time.” Prideful of their own higher learning and cultivation, the intellectual classes could not absorb the idea that, thanks to “invisible wire-pullers”—the self-interested groups and individuals who believed they could manipulate the charismatic maverick for their own gain—this uneducated “beer-hall agitator” had already amassed vast support. After all, Germany was a state where the law rested on a firm foundation, where a majority in parliament was opposed to Hitler, and where every citizen believed that “his liberty and equal rights were secured by the solemnly affirmed constitution.”

Zweig recognized that propaganda had played a crucial role in eroding the conscience of the world. He described how, as the tide of propaganda rose during the First World War, saturating newspapers, magazines, and radio, the sensibilities of readers became deadened. Eventually, even well-meaning journalists and intellectuals became guilty of what he called “the ‘doping’ of excitement”—an artificial incitement of emotion that culminated, inevitably, in mass hatred and fear. Describing the healthy uproar that ensued after one artist’s eloquent outcry against the war in the autumn of 1914, Zweig observed that, at that point, “the word still had power. It had not yet been done to death by the organization of lies, by ‘propaganda.’ ” But Hitler “elevated lying to a matter of course,” Zweig wrote, just as he turned “anti-humanitarianism to law.” By 1939, he observed, “Not a single pronouncement by any writer had the slightest effect . . . no book, pamphlet, essay, or poem” could inspire the masses to resist Hitler’s push to war.

Propaganda both whipped up Hitler’s base and provided cover for his regime’s most brutal aggressions. It also allowed truth seeking to blur into wishful thinking, as Europeans’ yearning for a benign resolution to the global crisis trumped all rational skepticism. “Hitler merely had to utter the word ‘peace’ in a speech to arouse the newspapers to enthusiasm, to make them forget all his past deeds, and desist from asking why, after all, Germany was arming so madly,” Zweig wrote. Even as one heard rumors about the construction of special internment camps, and of secret chambers where innocent people were eliminated without trial, Zweig recounted, people refused to believe that the new reality could persist. “This could only be an eruption of an initial, senseless rage, one told oneself. That sort of thing could not last in the twentieth century.” In one of the most affecting scenes in his autobiography, Zweig describes seeing the first refugees from Germany climbing over the Salzburg mountains and fording the streams into Austria shortly after Hitler’s appointment to the Chancellorship. “Starved, shabby, agitated . . . they were the leaders in the panicked flight from inhumanity which was to spread over the whole earth. But even then I did not suspect when I looked at those fugitives that I ought to perceive in those pale faces, as in a mirror, my own life, and that we all, we all, we all would become victims of the lust for power of this one man.”

Zweig was miserable in the United States. Americans seemed indifferent to the suffering of émigrés; Europe, he said repeatedly, was committing suicide. He told one friend that he felt as if he were living a “posthumous” existence. In a desperate effort to renew his will to live, he travelled to Brazil in August of 1941, where, on previous visits, the country’s people had treated him as a superstar, and where the visible intermixing of the races had struck Zweig as the only way forward for humanity. In letters from the time he sounds chronically wistful, as if he has travelled back to before the world of yesterday. And yet, for all his fondness for the Brazilian people and appreciation of the country’s natural beauty, his loneliness grew more and more acute. Many of his closest friends were dead. The others were thousands of miles away. His dream of a borderless, tolerant Europe (always his true, spiritual homeland) had been destroyed. He wrote to the author Jules Romains, “My inner crisis consists in that I am not able to identify myself with the me of passport, the self of exile.” In February of 1942, together with Lotte, Zweig took an overdose of sleeping pills. In the formal suicide message he left behind, Zweig wrote that it seemed better to withdraw with dignity while he still could, having lived “a life in which intellectual labor meant the purest joy and personal freedom the highest good on earth.”