Stefan Zweig Genootschap Nederland Stefan Zweig Vandaag

EMILE VERHAEREN

Beste Zweig lezeressen en – lezers,

Stefan Zweig verzamelde vrienden om zich heen. Hij koesterde ze en ontving ze hartelijk in zijn villa halverwege de Kapuzinerberg in Salzburg. Zoals bij iedereen kan de aard van vriendschap met de ene vriend sterk verschillen met die van een andere. Zo werd zijn band met Duitse schrijver Carl Zuckmayer gevoed door het feit dat zij tijdlang streekgenoten waren, in de relatie met schrijvers als bijvoorbeeld George Rendl en Andreas Latzko speelde de financiële ondersteuning die Zweig hen bood een rol, hij vereerde Albert Schweitzer en Romain Rolland en knoopte daarom een relatie met hen aan, Richard Strauss waardeerde hem zeer als tekstschrijver en beschermde hem tijdlang tegen de nazi’s en hij had een zeer persoonlijke relatie met Joseph Roth, ondanks het feit dat Roth ook veel belang hechtte aan de financiële hulp van Zweig.

Stefan Zweig was een aimabel, vredelievend mens en had zelden ruzie met anderen. Toch werd zijn vriendschap met de schrijver/dichter Emile Verhaeren jarenlang onderbroken door een heftige ruzie. Dat maakt de vriendschap met Verhaeren tot een bijzondere.

Piet Wackie Eysten schreef een boeiend essay over de relatie tussen Stefan Zweig en Emile Verhaeren. Met veel genoegen drukken wij hieronder zijn verhaal af.

 

Dirk Jansen

 

 

 

EMIL VERHAEREN EN STEFAN ZWEIG IN EEN HOUTSNEDE VAN FRANS MASEREEL

 

 

 

 

 

 

Stefan Zweig en Emile Verhaeren
door Piet Wackie Eysten

 

Admirez-vous les uns les autres!
Emile Verhaeren
Stefan Zweig is een jongeman van twintig als hij in augustus 1902 de Franstalige Vlaamse  dichter Emile Verhaeren, dan 47 jaar oud, voor het eerst ontmoet. Op school al, het Wasa gymnasium in Wenen, had Zweig Verhaerens dichtbundel Les Flamandes gelezen en bewonderd. De positieve houding tegenover het leven, de actualiteit, de aanvaarding van de toekomst, schrijft hij in Die Welt von gestern, had hem geïnspireerd, de liefde voor de moderne wereld – ‘toute la vie est dans l’essor’ schreef Verhaeren – , die zo afstak tegen de romantische verheerlijking van het verleden. Met zijn een jaar eerder verschenen bundel Silberne Saiten had hij, nog geen twintig, in Wenen als dichter al naam gemaakt, zijn vertalingen van werk van Baudelaire en Verlaine waren al verschenen. Maar Verhaeren was in Oostenrijk en Duitsland nog totaal onbekend. Zweig had zich al wel aan vertalingen van enkele van diens gedichten gewaagd. Hij was pas zeventien toen hij in zijn enthousiasme en ontluikend zelfvertrouwen Verhaeren om toestemming vroeg zijn verzen in het Duits te mogen publiceren. De brief met het toestemmende antwoord, die uit Parijs kwam, heeft hij zijn leven lang bewaard.

In de zomer van 1902 reist Zweig naar België, ‘das kleine Land zwischen den Sprachen’. Hij wil proberen de door hem zo bewonderde dichter te ontmoeten. In Brussel treft hij hem niet. De beeldhouwer Charles van der Stappen vertelt hem dat Verhaeren maar zelden in Brussel is en liefst in Sint-Amands, zijn geboortedorp aan de Schelde, verblijft. Als hij met Van der Stappen en diens vrouw, die hem voor het middagmaal hebben uitgenodigd, zit te praten wordt er plotseling tegen het raam getikt, en – zo schrijft Zweig in zijn herinneringen Die Welt von gestern

‘luid klingelde de bel. ‘Le voilà!, zei mevrouw Van der Stappen en stond op, en daar kwam hij binnen, met gedecideerde, zware  stap: Verhaeren. Ik herkende meteen het mij van portretten allang bekende gezicht. Verhaeren kwam, zoals zo vaak, ook deze keer bij hen op bezoek, en toen ze hoorden dat ik hem overal tevergeefs had gezocht, hadden ze elkaar met een snelle blik duidelijk gemaakt dat ze daar niets van tegen mij zouden zeggen, maar mij met zijn komst zouden verrassen. En nu stond hij tegenover mij, lachend om de geslaagde streek waar ze hem van vertelden. Voor het eerst voelde ik de stevige greep van zijn gespierde hand, voor het eerst voelde ik zijn heldere, vriendelijke blik.’

Verhaeren is niet zomaar op bezoek, Van der Stappen werkt aan een portretbuste van de dichter, waar hij die middag de laatste hand aan wil leggen. De gastheer vraagt Zweig, als hij afscheid wil nemen, te blijven om tijdens de sessie in het atelier met Verhaeren, die anders zo moeilijk stil kan zitten, te converseren. In zijn Erinnerungen an Emile Verhaeren, die hij in 1916, kort na Verhaerens overlijden boekstaafde[1], beschrijft Zweig die eerste ontmoeting met zijn idool uitvoerig. Terwijl hij in het atelier met Verhaeren converseert, observeert hij ook Van der Stappen, die ‘met opgestroopte mouwen en spieren als van een slager’, het portret van zijn vriend voltooit. ‘Gedurende die eerste kennismaking leerde hij van de Fransschrijvende  Vlaming houden, zoals hij het zijn hele leven zou doen’, schrijft John Gheeraert.[2] Zweig moet denken aan Goethes uitspraak, dat je een kunstwerk pas werkelijk kent als je het hebt zien ontstaan. Ligt hier misschien de bron van de verzameling van met correcties volgekrabbelde manuscripten van beroemde kunstenaars, die hij in de loop van zijn leven zal vergaren?

Deze ontmoeting met de bewonderde dichter maakte op de 20-jarige Zweig grote indruk. ‘Het was de eerste grote dichter die ik in levende lijve ontmoette’, schrijft hij in zijn Erinnerungen an Emile Verhaeren. ‘Zelf was ik er nog lang niet zeker van of in mij een dichter stak, ‘ein Berufener des Wortes’, of alleen nog maar de hoop dat te worden.’

Emile Verhaeren is op 21 mei 1855 geboren in Sint-Amands, een dorp aan de Schelde in de zuidwesthoek van de gemeente Antwerpen. Thuis wordt Frans gesproken, zoals destijds gebruikelijk in de betere kringen. Met Nederlands heeft Emile alleen op de lagere school kennis gemaakt. Hij gaat aan de Katholieke Universiteit in Leuven rechten studeren, maar zijn literaire belangstelling is groter dan die voor het rechtsbedrijf. Hij begint weliswaar aan een advocatencarrière, op het kantoor van een zekere mr. Edmond Picard in Brussel, maar debuteert als dichter in 1883 met de bundel Les Flamandes, een lofzang op het Vlaamse platteland, geïnspireerd door de uitbundige taferelen uit de Vlaamse schilderkunst van de 16e en 17e eeuw. Hij treedt toe tot de redactie van het tijdschrift ‘L’Art moderne’, waarvan ook Mr. Picard lid is. De ene gedichtenbundel na de andere verschijnt van zijn hand, in grote oplagen. In 1886 verschijnt Les Moines, in een sfeer van religieuze mystiek, en tussen 1888 en 1891 de trilogie Les Soirs, Les Débâcles en Flambeaux noirs, in een duistere sfeer van zwaarmoedigheid. Het is een periode waarin Verhaeren een ernstige zenuwcrisis doormaakte.  ‘… naar huis gaan, met de vuisten mijn ogen dichtdrukken, lange tijd zo blijven zitten om dieper en dieper door te dringen in het donker van mijn pupillen…’, schrijft hij in 1889 over zijn ontreddering.[3]

In 1891 trouwt hij met Marthe Massin, een kunstenares uit Luik, waarna de sombere sfeer uit zijn werk verdwijnt. Zijn bundel Les heures claires (1896), een verzameling liefdesgedichten, draagt hij aan haar op. Hij publiceert in de jaren daarna wederom een trilogie, maar nu met sociaal engagement en nadruk op de kracht van de massabeweging en de opkomst van de moderne stad: Les campagnes hallucinées, Les villes tentaculaires en Les Aubes. Zijn gedicht Le Passeur d’eau (De veerman), onderdeel van zijn bundel Les villages illusoires, is beroemd geworden. Het gaat over een veerman op de Schelde die, ondanks het verlies van zijn riemen en andere tegenslagen bij het oversteken van de rivier, het strootje dat hij tussen zijn tanden houdt niet verliest. Het past in Verhaerens optimistische levensvisie. Aimez-vous les uns les autres, en Admirer c’est grandir, zijn typerende regels in zijn oeuvre.

In 1898 – het jaar waarin de dan 16-jarige Oostenrijkse scholier Stefan Zweig voor eerst zijn gedichten onder eigen naam publiceert – verwisselt Verhaeren de Belgische hoofdstad voor de Franse: hij gaat naar Parijs, maar vestigt zich al vrij snel in de voorstad Saint-Cloud. Steeds als Zweig later in Parijs is, probeert hij zijn vriend daar op te zoeken. Verhaeren heeft ook een buitenhuisje bij Caillou-qui-bique, een gehucht bij Angre in de Belgische provincie Henegouwen, dicht tegen de Franse grens, verscholen in een groene oase achter de Borinage, de sombere mijnstreek van België.[4] In dat afgelegen oord brengt Zweig vanaf 1904 ieder jaar de zomer door om samen met Verhaeren diens nieuwste gedichten te vertalen. In het voorjaar was het er voor Verhaeren, die aan hooikoorts leed, een fysieke kwelling, schrijft Zweig, ‘werken kon hij dan niet; het was voor hem de meest gehate periode van het jaar.’ Maar ’s zomers maken zij er lange wandelingen in de rustieke, bosrijke omgeving. In zijn Erinnerungen an Emile Verhaeren beschrijft Zweig zijn aankomst aan het stationnetje van Angreau. Vandaar is het een halfuurtje lopen door bos en hei. Zijn gastheer staat hem op te wachten, op klompen, gekleed in een flodderige broek en een arbeiderskiel, een knoestige wandelstok in de hand, het tenue waarin ook de Amerikaanse dichter Walt Whitman zich placht te hullen.

Zweig in Caillou-qui-bique

Evenals Zweig is Verhaeren een bewonderaar van de poëzie van Walt Whitman (1819-1892), de dichter van de beroemde bundel Leaves of grass (1855). Ook Whitmans werk, net als dat van Verhaeren, wordt gekenmerkt door de vitaliteit, de directheid die eruit spreekt. Hoezeer ook Verhaeren, evenals Whitman, zijn hart verpand had aan de moderne tijd, de ontwikkeling van moderne steden en de geavanceerde techniek en daar de poëtische aspecten van tot uitdrukking wist te brengen (vergelijkbaar met de poëzie van W.H. Auden in de twintigste eeuw) blijkt onder andere uit een anekdote die Zweig vertelt in Die Welt von gestern. Als Verhaeren in augustus 1905 hoort dat een van de nieuwste vindingen van de mensheid, de Zeppelin, bij Stuttgart is verongelukt, betekent dat bijna zoveel als een persoonlijke nederlaag voor hem. ‘Verhaeren had tranen in zijn ogen’, schrijft Zweig. ‘als (…) Europeaan, als mens van onze tijd, onderging hij de gemeenschappelijke triomf over de elementen evenzeer als de gemeenschappelijke beproeving.’

Zweig schrijft een korte monografie over zijn Belgische vriend, die hij ‘de troubadour van het moderne leven’, noemt. Het stuk verschijnt in 1910, tegelijk met twee banden met zijn vertalingen, Ausgewählte Gedichte en Drei Dramen, de toneelstukken Le Cloître, Philippe II en Hélène de Sparte. Twee jaar later geeft uitgeverij Insel Verlag, in 1901 opgericht door Anton Kippenberg, die jarenlang Zweigs uitgever zou blijven, in een eerste oplage van maar liefst 20.000 exemplaren, zijn bundel Hymnen an das Leben uit, de vertaling van Verhaerens Hymnes à la vie. Dit boek zou aan Zweigs leven, kort na verschijnen, op onverwachte wijze een beslissende wending geven.

Op een warme zomeravond in juli 1912 dineert Zweig in Wenen met een vriend in de tuin van restaurant Riedhof. Hij ziet dat een jonge vrouw aan het tafeltje naast hem een boek krijgt overhandigd. Hij herkent het: het is zijn eigen Hymnen an das Leben. Zijn glimlach van herkenning wordt stil beantwoord. Twee dagen later krijgt hij een brief, ondertekend met slechts de initialen F.M.v.W. en een postbusnummer[5] (een kleine tien jaar later zou hij zijn novelle Brief einer Unbekannten schrijven): ‘Gisteren zat u bij Riedhof naast mij toen een vriend mij uw Hymnen an das Leben gaf’. De briefschrijfster is Friderike von Winternitz, die niet veel later de vrouw in zijn leven zal worden. In haar herinneringen[6] memoreert Friderike deze eerste ontmoeting natuurlijk ook. ‘Hij was niet meer de bloedjonge bohemien van vroeger, schrijft zij, maar een verzorgde, good-looking man, kennelijk in staat een vrouw met een enkele blik te zeggen wat woorden overbodig maakt.’

Veel moeite geeft Zweig zich intussen om Verhaeren, wiens dichtbundels in het Frans soms oplagen halen van 50.000, in het Duitse taalgebied meer bekendheid te geven. Hij organiseert een lezingentournee voor Verhaeren, die van 28 februari tot 17 maart 1912 plaatsvindt. Zweig bespreekt de zalen, regelt de honoraria, de publiciteit en alle verdere praktische aangelegenheden. Zijn inspanningen en de diverse inmiddels in Duitsland en Oostenrijk verschenen vertalingen van zijn hand, werpen hun vruchten af. De eerste  voordrachtavond, in Hamburg, is een groot succes. Een publieke omhelzing van de Franstalige Belg Verhaeren en de  Duitse dichter Richard Dehmel verzinnebeeldt de verbroedering van de Franse en de Duitse dichtkunst. In Berlijn, München en Wenen is het niet anders. Ook daar oogsten Verhaerens lezing met de voor hem typerende titel La culture de l’enthousiasme en zijn voordracht van gedichten veel succes. Hij wordt op straat herkend, en zelfs gefotografeerd, schrijft hij aan zijn  vrouw Marte, en de keizer zou zeker zijn gekomen, heeft hij gehoord, ‘als hij niet in Cuxhaven was.’

Maar Zweig beseft dat hij na al zijn inspanningen voor het werk van zijn Belgische vriend nu toch ook vooral aan zichzelf en zijn eigen werk moet denken. Weliswaar heeft hij over gebrek aan succes niet te klagen. Zijn verhalenbundels, onder andere Die Liebe der Erika Ewald en Erstes Erlebnis zijn goed ontvangen, zijn toneelstuk Der verwandelte Komödiant heeft in mei 1912 zijn première beleefd, in oktober is zijn treurspel Das Haus am Meer in het Burgtheater in Wenen in première gegaan. Maar toch: ‘Ik loop tegen de dertig’, schrijft hij in november 1912 aan Verhaeren, ‘de leeftijd om werk te voltooien en niet langer te experimenteren.’

In het voorjaar van 1913 is Zweig weer in Parijs, waar hij behalve Rolland natuurlijk ook Verhaeren opzoekt. Hij wil er werken aan de vertaling van diens monografie over Rubens. Hij nodigt hen beiden, samen met Rainer Maria Rilke en Leon Bazalgettte, de vertaler van Walt Whitman, met wie hij eveneens bevriend is, uit voor een lunch in zijn hotel Beaujolais, gelegen aan de tuinen van Palais Royal. Zij sturen gezamenlijk een door alle vijf ondertekende briefkaart aan Friderike.

In de zomer van 1914 verblijft Zweig in De Haan, een kleine badplaats bij Oostende. Zijn koffer staat gepakt klaar om door te reizen naar Caillou-qui-bique voor zijn zomerse vertaalconclaaf met Verhaeren. Maar dan marcheren Duitse troepen België binnen en breekt de Wereldoorlog uit. Hals over kop weet Zweig de allerlaatste trein naar Wenen te halen om aan het oorlogsgeweld te ontkomen. Hij beschrijft die terugreis, Heimfahrt nach Österreich, in de Neue Freie Presse van 1 augustus. Enkele dagen later prijst hij in dezelfde krant, onder de kop Ein Wort von Deutschland, Oostenrijks ‘Schwertbruderschaft’ met Duitsland, ontstaan ‘aus freundlicher Nachbarschaft’, met de omineuze openingszin ‘Mit beiden Fäusten, nach rechts und links, muβ Deutschland jetzt zuschlagen’. Maar in zijn dagboek spreekt hij andere taal; is hij daar eerlijker? Op 10 augustus schrijft hij over zijn Belgische vrienden: ‘Zwischen mir und meinen Freunden ist da etwas auf Jahre hinaus zerstört, vielleicht auf immer.’ Wat Verhaeren betreft zouden die woorden van profetische betekenis blijken te zijn: Zweig zou hem niet meer terugzien.

Op 19 september 1914 verschijnt in het Berliner Tageblatt Zweigs beroemd geworden artikel An die Freunde im Fremdland, waarmee hij afscheid neemt van zijn vrienden, die nu immers, zo schrijft hij – hoezeer hij zich ook aan hen verplicht voelt – zijn vijanden zijn geworden. Romain Rolland, de diepgewortelde humanist en pacifist, is door het uitbreken van de oorlog overvallen in Zwitserland, waar hij zijn krachten in dienst stelt van het Internationale Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis in Genève. Het geldbedrag, verbonden aan de Nobelprijs

 

 

voor de Literatuur, die hij in 1915 ontvangt, schenkt hij aan die organisatie. ‘Ik blijf Europa beter trouw dan u, beste Stefan Zweig’, reageert hij, ‘ik neem van géén van mijn vrienden afscheid!’ Tot het oprichten van een Europees ‘moreel parlement’ tegen het nationalisme, onder aanvoering van Rolland, zoals Zweig heeft voorgesteld, met vertegenwoordigers van diverse Europese landen, zoals Gorki voor Rusland, Verhaeren voor België, Gerhart Hauptmann voor Duitsland, Hermann Bahr voor Oostenrijk, Frederik van Eeden voor Nederland, Shaw of Wells voor Engeland, komt het echter niet. Wel verschijnt in 1915 Rollands beroemde pamflet Au-dessus de la mêlée (‘Boven het krijgsgewoel’), een gloeiend pleidooi voor vrede en onafhankelijkheid, waarin hij zowel Frans als Duits patriotisme veroordeelt.

Maar hoe anders reageert hun Belgische vriend op de gebeurtenissen. Zweig is verbijsterd als hij hoort dat Verhaeren zich fel tegen de Duitse agressor heeft gekeerd. Zijn bewondering voor Duitsland is omgeslagen in haat, ‘de grootste vergissing van zijn leven’, schrijft Zweig in zijn Erinnerungen an Emile Verhaeren. De zo succesvolle tournee in dat land lijkt vergeten. ‘Een afschuwelijk bericht’, noemt Zweig het in zijn dagboek als hij hoort dat Verhaeren werkt aan een boek over het verscheurde België, La Belgique sanglante, een bundel oorlogsessays. De Duitsers worden daarin van gruwelijke misdaden beschuldigd, zoals onder andere het afsnijden van kindervoetjes! ‘Zulke ellendige leugens in een gedicht vastleggen: ik weet werkelijk niet of ik daar ooit met hem zal kunnen praten’, noteert hij op 9 november 1914 in zijn dagboek. Het jaar daarop verschijnt Verhaerens gedichtenbundel Les ailes rouges de la guerre: de ‘ailes’ zijn de met bloed bevlekte vleugels van de Duitse adelaar. Zweig is diep bedroefd, ‘een kleine catastrofe in mijn bestaan’, noemt hij Verhaerens ‘verraad’ van hun vriendschap. Diens anti-Duitse gedichten vindt hij ‘het domste en schandelijkste wat je je kunt voorstellen.’ In maart 1915 heeft hij ‘weer zo’n walgelijk pamflet van Verhaeren gelezen: ik ben vastbesloten definitief met hem te breken, ik kan me niet voorstellen ooit nog met hem te kunnen spreken.’

Verhaeren is het oorlogsgeweld ontvlucht naar Engeland. Hij houdt er voordrachten, waarbij de jonge Nederlandse journalist Jan Greshoff hem bijstaat. In The Observer verschijnt een gedicht van zijn hand met dezelfde titel als zijn boek, La Belgique sanglante. In maart is hij terug in België. Op uitnodiging van koning Albert I – Koning-Soldaat genoemd omdat hij bij het uitbreken van de oorlog zijn troepen niet in de steek heeft gelaten, maar in de loopgaven in West-Vlaanderen bij hen bleef – brengt hij enkele malen een bezoek aan het frontgebied aan de IJzer.

Het is een opluchting als Zweig in augustus 1916, na een tocht door Polen en het toenmalige Galicië (nu West-Oekraïne), in opdracht van de Neue Freie Presse, waar hij oog in oog is komen te staan met de verschrikkingen van de oorlog, bij thuiskomst in Wenen de groeten ontvangt van Verhaeren, hem overgebracht door Rolland. ‘Een teken van ontluikende bezinning’, noemt hij het in een brief aan zijn vriend Paul Zech, die hij via Verhaeren heeft leren kennen. Het lijkt erop dat hun verstandhouding zich zal herstellen.

Maar dat heeft niet zo mogen zijn. Drie maanden later ontvangt Zweig het bericht van  Verhaerens overlijden. Op 27 november is de 61-jarige dichter, door een ongelukkige stap op het perron in het station van Rouen, waar hij de trein naar Parijs wilde nemen, onder de wielen geraakt van de locomotief. Zweig vraagt Rolland zijn verdriet over het verlies van zijn ‘meest geliefde en vaderlijke vriend’ aan diens weduwe over te brengen. En aan Paul Zech schrijft hij op 6 december:

‘Es war ein Stück Leben von mir, dieser Mensch; alles, was gut ist in mir, danke ich ihm, er hat mich gelehrt, daβ man einfach sein müsse als Mensch, um groβ als Dichter zu sein; eine ähnliche Schlichtheit ging von ihm aus und eine Herzlichkeit ohne Ende.’

XXXXXXXX

[1] In 1917, direct na Verhaerens overlijden, in kleine oplage onder vrienden verspreid, pas twintig jaar later opgenomen in Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten.

[2] John Gheeraert, Stefan Zweig, Een Weense flaneur in Vlaanderen.

[3] Emile Verhaeren, Herberg De Goede Dood, vertaling Jan H. Mysjkin.

[4] Het huis werd, nota bene op de laatste dag van de oorlog, totaal verwoest, waarbij, zo schrijft Zweig in zijn Erinnerungen an Emile Verhaeren, het grootste deel van Verhaerens manuscripten en zijn correspondentie ‘door stupide granaten’ werden verwoest.

[5] Tien jaar later zou Zweigs novelle Brief einer Unbekannten verschijnen.

[6] Friderike Zweig, Stefan Zweig. Wie ich ihn erlebte.

EEN BOEK IS GEEN KROKET……

EEN BOEK IS GEEN KROKET DIE JE IN EEN AUTOMATIEK UIT DE MUUR TREKT

 

Michel Krielaars in de NRC van 23 april 2020

 

 

Tijdens een wandeling langs een paar Amsterdamse boekhandels merkte ik het verschil. Zij die hun papieren waar vanachter een loket verkochten, deden minder goede zaken dan zij die de poorten naar hun schatkamers open hielden. In de twee winkels waar de klanten langs het hele assortiment mochten dwalen, werd hoogstens 20 procent minder verkocht dan in gezondere tijden. Na het deprimerende nieuws dat bij veel boekhandels een omzetverlies van 80 tot 90 procent wordt geleden en binnen het komende half jaar bijna de helft van de fysieke boekhandels zal verdwijnen, gaf dat me een sprankje hoop. Want waar zou ik zijn zonder een wekelijks bezoek aan de boekhandel, waar ik kan rondsnuffelen om nieuwe ontdekkingen te doen. Een boek is tenslotte geen kroket die je in een automatiek uit de muur trekt, maar een hoofdgerecht dat je eerst op de menukaart bestudeert voordat je het bestelt.

De enige die profiteert van de coronacrisis is bol.com, dat zijn omzet met 40 procent zag stijgen. En door dat nieuws verdampte mijn hoop meteen. Als het erop aan komt kiezen boekenkopers blijkbaar toch voor het instant gemak van de kroket en doen ze geen moeite om bij een boekhandel een bestelling te plaatsen die na een paar dagen wordt geleverd.

In een van die geopende boekhandels stuitte ik op Stefan Zweigs Fantastische nacht en andere verhalen. Ik begon erin te bladeren en begon aan het verhaal ‘Boekenmendel’, dat over een wereldvreemde boekhandelaar gaat, die in een koffiehuis kantoor houdt en een wandelende bibliotheek is.

Even waande ik me in het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog, zo genoot ik van het elegante proza van Zweig. Mijn leesgenot werd onderbroken toen een klant aan de directeur vroeg: „Hebt u ook De wereld van gisteren van Zweig?” „Het is op”, antwoordde de boekhandelaar, kijkend in zijn computer. „Niet zo vreemd”, zei de klant. „Ik heb het de afgelopen tijd al tien keer cadeau gedaan.”

Op dat moment zag ik De wereld van gisteren naast Fantastische nacht liggen. Ik zei het tegen de boekhandelaar, die op de valreep zijn klant gelukkig kon maken. „Toch weer negen euro verdiend”, zei hij. Ondanks die winst werd het mij toch droef te moede. Want ineens besefte ik dat veel mensen vooral boeken kopen om die aan anderen cadeau te doen en dat niemand voorlopig nog zijn verjaardag kan vieren.

Mijn volgende stop was boekhandel Schimmelpennink, die op 1 mei zijn deuren sluit. Daar was het ongekend druk. Waar de klanten hun gezicht lang niet hadden laten zien, stonden ze ineens te dringen voor de opheffingsuitverkoop. Alsof die 20 procent korting een zaak van overleven was. „Ik zit er niet mee”, zei de boekhandelaar. „Aan die klanten dank ik de vijfentwintig gelukkigste jaren van mijn leven.”

Een kilometer verderop belandde ik bij boekhandel Zwart Op Wit. Ook die bleek geen grote verliezen te lijden, omdat de vaste klanten niet naar bol.com gaan, maar hun buurtwinkel trouw blijven. Wel wordt Zwart Op Wit bedreigd door een forse huurverhoging. En daardoor zou er wel eens opnieuw een goede boekhandel kunnen verdwijnen.

 

STEFAN ZWEIG EN FRANS MASEREEL

Definitieve tekst (26-3-20)

AUTEUR: PIET WACKIE EYSTEN

Stefan Zweig en Frans Masereel

Alleen Masereel laait als een – eenzaam – houtvuur boven op een berg. Hem alleen zou ik willen zien, haast elke dag – zonder dat we een woord met elkaar zouden hoeven spreken. In hem voel ik het innerlijke vuur branden waarvan de anderen niet meer dan vonken zijn.

Romain Rolland aan Stefan Zweig, 1924

 

In het laatst verschenen Zweigheft van het Stefan Zweig Centrum Salzburg (nr. 22) staan twee tot nu toe ongepubliceerde brieven afgedrukt, een van Stefan Zweig, die zijn vriend Frans Masereel feliciteert met diens vijftigste verjaardag, en Maseleers reactie. Zweig is dan 57 jaar oud en woont op dat moment in Bath in Engeland. Masereel, geboortig uit Blankenberge aan de Belgische kust, antwoordt hem vanuit Parijs. De vrolijke toon van die korte briefwisseling getuigt van een vriendschappelijke en vertrouwelijke verstandhouding tussen hen.
Het is misschien aardig eens wat langer bij die vriendschap stil te staan.

 

Zweig en Masereel hebben elkaar in het najaar van 1917 in Genève voor het eerst ontmoet.  Zweig is dan 37, Masereel 29 jaar oud. Zweig beseft direct dat die ontmoeting belangrijk voor hem is. Volgens zijn Franse biograaf Serge Niémetz vormde deze ontmoeting het begin van een ‘amitié indéfectible’. Zweig heeft de kennismaking met Masereel in zijn dagboek dan ook nauwkeurig geboekstaafd. Hij bevindt zich op dat moment, met Friderike von Winternitz, met wie hij kort nadien in het huwelijk zal treden, in Zwitserland. Ook op haar moet Masereel indruk hebben gemaakt, want zij omschrijft hem in haar herinneringen Spiegelungen des Lebens, die in 1964 zijn verschenen, als ‘ein Prachtstück an Männlichkeit’. Het Stadttheater van Zürich heeft Zweig uitgenodigd om de première van zijn anti-oorlogsdrama Jeremias bij te wonen. Van het Kriegsarchiv in Wenen, waar hij als dienstplichtige te werk is gesteld, heeft hij daarvoor enkele weken verlof weten te krijgen. Uiteindelijk zouden Friderike en hij pas in maart 1919 naar Oostenrijk terugkeren.

Eind november reizen zij van Zürich naar Villeneuve aan het Meer van Genève, om daar Romain Rolland te bezoeken, die Stefan in de voorafgaande jaren in Parijs heeft leren kennen. Hij bewondert de wereldberoemde schrijver en pacifist, in wie hij een geestverwant ziet, ‘het morele geweten van Europa’, zal hij hem later noemen. Nog diezelfde avond woont Zweig in Genève een lezing bij van Henri Guilbeaux, één van de jonge intellectuele geestverwanten en volgelingen van Rolland, vurige, Franse, Belgische zo goed als Duitse en andere anti-oorlog idealisten, van wie Zweig in zijn Die Welt von gestern een treffende beschrijving geeft:

Omdat we aan hetzelfde front stonden, in dezelfde geestelijke loopgraaf tegenover dezelfde vijand, ontstond er spontaan een soort hartstochtelijke vriendschap tussen ons; na een etmaal waren we zo vertrouwd met elkaar alsof we elkaar al jaren kenden. (…) We wisten dat we onszelf door deze openlijke demonstratie van vriendschap in het eigen land in gevaar brachten; maar juist dat risico bracht onze vermetelheid tot bijna extatische hoogten.

Onder Guilbeaux’s gehoor is ook de Belgische graficus en houtsnijder Frans Masereel, ‘een forse, baardige, zachtmoedige man met een ernstige, zuivere blik’, schrijft Zweig in zijn dagboek, ‘hij beviel me onmiddellijk.’ Vijfentwintig jaar later schrijft hij in Die Welt von gestern over zijn vriendschap met Masereel: ‘Nooit heb ik in mijn latere jaren meer zo’n bevlogen vriendschap ervaren als tijdens die jaren in Genève, en die nauwe band is door alle latere tijden in stand gebleven.’

Masereel geeft als kind al blijk van uitzonderlijk tekentalent. Als het gezin naar Gent verhuist, gaat hij daar een tekenopleiding volgen aan de Academie voor Schone Kunsten. In 1909, hij is dan 20 jaar, bezoekt hij voor het eerst Parijs, waar hij zich snel thuis voelt. Zijn tekeningen trekken de aandacht en worden gepubliceerd in onder andere La Vie Illustrée. In juli 1914 brengt hij de zomer door aan de kust van Bretagne. Het is dezelfde zomer waarin ook Stefan Zweig enkele kilometers noordelijker, in Oostende, de krantenkoppen leest over de dreigende oorlog, waarop Zweig aanvankelijk zo laconiek reageert. Maar het blijkt ernst te zijn. De Duitsers vallen België binnen, Zweig redt het vege lijf door nog net de laatste trein naar Wenen te halen. Masereel keert terug naar België, maar vlucht begin oktober naar Parijs.

Hij maakt met zijn in tijdschriften gepubliceerde tekeningen al snel naam als illustrator. Via Henri Guilbeaux, die hij uit Parijs kent, vindt hij in Genève werk als vertaler bij het Bureau voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis, waar ook hij Romain Rolland leert kennen. Hij wordt illustrator van het pacifistische blad Les Tablettes, waarin zijn strijdbare anti-oorlogstekeningen en -houtsneden verschijnen, zoals bijvoorbeeld de prent Assez!!. Masereels houtsneden noemt Zweig ‘onvergetelijke zwart-witprenten tegen de verschrikkingen van de oorlog, die wat kracht en woede betreft niet achterblijven bij Goya’s Desastros de la guerra.

Daags na hun kennismaking brengt Zweig de middag met Masereel door, een echte ‘Kameradennachmittag mit Masereel, die alte gute Atmosphäre’, vertrouwt hij zijn dagboek toe. Een paar dagen later zoekt hij Masereel, die met zijn vrouw en haar dochtertje uit een eerder huwelijk op een zolderverdieping in de stad woont, thuis op. Van het werk van zijn nieuwe vriend is hij zeer onder de indruk. Hij beschrijft hem als ‘een grote, stille man, de bril op het voorhoofd geschoven, van wie een stille kracht uitgaat als van weinig anderen’. Met name de grote reeks houtsneden met de titel Les villes maakt diepe indruk op hem. Het zijn scherpe observaties van huizen, straten, bruggen, fabrieken, winkelstraten, verkeerspleinen, spoorwegovergangen, etc., alles in zwart-wit.

Een jaar later logeert Masereel, om te herstellen van de Spaanse griep die in West-Europa danig heeft huisgehouden, een week bij Zweig in Rüschlikon, een dorpje bij Zürich, waar die zich heeft teruggetrokken om rustig te kunnen werken. Stefan is opnieuw betoverd door zijn gast. Hij trekt zich als het ware aan hem op, noemt hem in zijn dagboek ‘ein Trost in diesen Tagen; man kann nicht anders als ihn lieben.’ Aan Rolland schrijft hij: ‘Ik heb ik in weinig mensen zoveel vertrouwen als in hem.’ Voor Zweigs novelle Der Zwang maakt Masereel een serie houtsneden. In dat verhaal, dat met Masereels illustraties in 1920 verschijnt, schildert Zweig in de persoon van de kunstschilder Ferdinand de vernietigende werking van de oorlog op de individuele vrijheid van de mens, de betrekkelijkheid van de vrije wil. De hoofdpersonen, Ferdinand en zijn vouw Paula, zijn nauwelijks verhulde portretten van Stefan en Friderike. In zijn houtsneden heeft Masereel de huiveringwekkende sfeer van het tragische verhaal treffend weergegeven. De Nederlandse vertaling, die in 1923 verschijnt bij Uitgeverij Prometheus in Den Haag, vestigt Masereels naam als illustrator ook in ons land.

Masereel, daartoe geïnspireerd door Rolland, begint in maart 1919 aan een groter werk, dat hij, naar het voorbeeld van de getijdenboeken, zoals die in de Middeleeuwen bestonden, Mon livre d’heures noemt. Het bestaat uit een serie houtsneden die episodes uit zijn eigen leven in beeld brengen, een autobiografisch beeldboek. Het wordt tot zijn gaafste en krachtigste werken gerekend en oogst, zoals ook zijn andere ‘blokboeken’, eveneens ‘romans in beelden’, internationaal succes. Als Zweig, inmiddels teruggekeerd naar Salzburg, daar een exemplaar van Mon livre d’heures ontvangt, is hij opgetogen. ‘Je kunt je mijn geluk toen ik je boek ontving niet voorstellen’, schrijft hij Masereel, ‘bijna alsof jijzelf ons huis was binnengestapt. In zijn verdriet, zijn overmoed en zijn ernst heeft het mij diep getroffen.’

Ook later gaat Zweig soms nog gedetailleerd in op het werk van zijn vriend. In een van zijn brieven aan hem bekent hij soms het gevoel te hebben gehad dat Frans zich wel eens heeft laten meeslepen in de ‘internationale theoretische experimenten van het zieltogende expressionisme’. Maar in zijn laatste houtsneden, Souvenirs de mon pays, een reeks prenten over het Vlaamse landleven, heeft hij dat op een gelukkige manier weten op te lossen, vindt Stefan, ‘waarmee je aansluiting vindt bij de oudste en beste Vlaamse tradities.’

Eind april 1922 logeren de Masereels enkele dagen in het grote huis op de Kapuzinerberg in Salzburg, waar Stefan en Friderike Zweig dan inmiddels wonen. Zweig draagt zijn bundel Amok. Novellen einer Leidenschaft, die dat jaar verschijnt, aan Masereel op. Voorin laat hij de opdracht afdrukken: ‘Frans Masereel, dem Künstler, dem brüderlichen Freunde’. Aan leven en werk van deze ‘broederlijke vriend’ wijdt hij het jaar daarop een biografisch essay, Frans Masereel. Der Mann und Bildner[1]. ‘Wanneer alles te gronde zou gaan, alle boeken, monumenten, foto’s en verslagen en alleen de houtsneden die Masereel gedurende tien jaren heeft geschapen zouden gespaard blijven, dan zou alleen al daaruit onze hele hedendaagse wereld gereconstrueerd kunnen worden’, schrijft Zweig in dit essay. Het wordt, verlucht met 83 houtsneden van Masereel zelf en een inleidende tekst van Arthur Holitscher, een Hongaarse collega van Zweig bij de Neue Freie Presse, uitgegeven in een prachtband.

Tijdens een wat langer verblijf van Zweig in de Franse hoofdstad in de zomer van 1924 schildert Masereel, – die behalve houtsnijder, graficus, tekenaar, beeldhouwer, ja zelfs ontwerper van theaterdecors, ook portretschilder was – Stefans portret. Zweig is er zeer mee ingenomen, ‘gedurfd onmodern en geniaal in de gelijkenis’, noemt hij het in de brief aan Friderike waarmee hij het haar cadeau doet. Maar de begunstigde denkt daar helaas heel anders over: ‘Leider gefällt es mir gar nicht’, laat zij haar man weten, ‘hij heeft een bijziende, anemische dandy van je gemaakt!’[2] En inderdaad, de houtsnede die Masereel enkele jaren later maakt voor de Russische uitgave van Zweigs werk, een zwart-wit portret van Zweig, is goed gelijkend en zeker zo expressief. Het is wonderlijk hoe een dergelijk resultaat te verkrijgen is met gutsen en messen in weerbarstige houtblokken.

Beide vrienden hebben niet alleen hun enorme productie gemeen – evenals Zweig werkt ook Masereel dikwijls aan diverse projecten tegelijk -, maar zij ervaren de druk ervan ook als een last. ‘Je turbine comme un nègre, je n’ai pas une minute à perdre’, schrijft Masereel in september 1925 aan Zweig, als hij tegelijk aan de illustraties voor Rollands roman Jean-Christoph en aan de houtsneden voor een nieuwe uitgave van Charles De Costers Tyl Uilenspiegel werkt. En Zweig, omstreeks diezelfde tijd:

Ik heb af en toe genoeg van de literatuur; nog een boek en nog een en nog één, en het leven gaat voorbij… Als je één keer hebt bewezen dat je goede boeken kunt schrijven, valt de gelukkigmakende ervaring weg en wordt het allemaal handwerk… In de grond van mijn ziel heb ik zin om de schrijverij te laten varen en te gaan reizen…. Jij bent een van de weinigen die mij begrijpen… Wat zou je ervan denken wanneer we samen als twee jonge jongens voor vier of zes weken naar Spanje zouden reizen? Je hoeft maar één woord te spreken, en ik kom in de lente.

Het is er niet van gekomen. Hoewel Masereel internationaal naam maakt – overal in Europa, tot zelfs in Brazilië, neemt hij deel aan tentoonstellingen, hij illustreert boeken van onder anderen Thomas Mann, Victor Hugo, Tolstoi en Oscar Wilde – toch voelt hij zich onzeker en geïsoleerd in zijn werk. Als hij de illustraties voor de eerste twee delen van Rollands vijfdelige roman-fleuve Jean-Christophe af heeft en aan de houtsneden voor het derde deel begint, schrijft hij aan Zweig ’Au troisième maintenant, quel travail!’

Vooruitlopend op de herdenking van Tolstoi’s 100ste geboortejaar verschijnen in 1927 in Leningrad de eerste twee delen[3] van Zweigs verzameld werk in het Russisch, met een inleiding door Maxim Gorki en een portret van de auteur door Masereel. In september van het jaar daarop reist Zweig naar Moskou. Hij is uitgenodigd om daar het eeuwfeest van Tolstoi’s 100ste geboortejaar bij te wonen. Hij is diep onder de indruk van wat hij er ziet. Aan Friderike schrijft hij over zijn overladen programma; hij moet, onder andere, onvoorbereid een rede houden over Tolstoi in het buitenland. ‘De veertien dagen die ik in Sovjet-Rusland doorbracht gingen voorbij in een voortdurende hoogspanning,’ schrijft hij later in zijn herinneringen. En aan Friderike: ‘Alles rasend interessant. Ich bin glücklich alles gesehen zu haben, es ist ein Eindruck für das ganze Leben.’ Zijn enthousiasme voor Rusland probeert hij ook op Masereel over te brengen. ’Ex oriente lux, alleen uit Rusland kan de vernieuwing voor dit bouwvallige Europa komen’, schrijft hij hem, en hij stelt voor samen twee maanden in Rusland door te brengen en gezamenlijk, tekst en tekening, een boek te maken.  Maar dit plan wordt niet  verwezenlijkt. Wel vindt in augustus 1930 op initiatief van Zweig in het Künstlerhaus in Salzburg een ‘Sonderausstellung Frans Masereel’ plaats, waarvan Friderike de voorbereiding op zich genomen had.

Maar onvermijdelijk begint de slagschaduw van het nationaalsocialisme ook over hun vriendschap en correspondentie te vallen. In januari 1933 komt Hitler aan de macht. Luttele maanden later, op 10 mei, vinden de eerste boekverbrandingen plaats in Berlijn. Zweig schrijft op 15 april vanuit Salzburg aan Masereel:

Elke vorm van gerechtigheid en vrijheid van beweging is in Duitsland opgeheven en het zal niet lang meer duren voor we in Oostenrijk hetzelfde lot ondergaan. Wat ik dan ga doen weet ik nog niet, ik voel er absoluut niets voor emigrant te worden en dat zal ik alleen doen in geval van uiterste nood, want ik weet dat elke vorm van emigratie gevaarlijk is, het maakt degenen die achterblijven tot gijzelaar en je bent er de oorzaak van dat hun het leven moeilijk wordt gemaakt.

Het loopt anders. In februari 1934 heeft Zweig, na een brutale huiszoeking door de politie, hals over kop Salzburg verlaten en zich voorlopig in Londen gevestigd. En Masereel, die de afgelopen jaren in diverse Duitse steden tal van exposities heeft gehad, wordt als ‘cultuurbolsjevist’ en ‘pazifistischer Bildagitator in jüdisch-marxistischem Dienste’, het leven onmogelijk gemaakt. Op grond van de verordening ‘zum Schutze des Deutschen Volkes’ worden zijn boeken in beslag genomen wegens ‘Gefährdung von Sitte und Anstand’. Eind november 1935 logeert hij een week bij Zweig in Londen. Die weet door gebruikmaking van zijn Londense relaties een tentoonstelling voor Masereel te organiseren, zijn eerste eenmansexpositie in de Britse hoofdstad.

In 1938 werkt Masereel, zoals vaker, aan meer dan één opdracht tegelijk: illustraties voor Shakespeares Julius Caesar en een Engelse uitgave van Erasmus’ Lof der zotheid (The Praise of Folly). De gesneden blokken voor deze uitgave stuurt Masereel begin 1940 naar de drukkerij van Joh. Enschede in Haarlem, maar dat contact gaat verloren door de Duitse inval in Nederland op 10 mei van dat jaar. Aan Masereel bericht Zweig dat hij, na zijn scheiding van Friderike, in Engeland is getrouwd met Lotte Altmann, zijn secretaresse en dat hij verhuisd is naar Bath. Daar heeft hij een klein huis, ‘maar met een grote tuin en in de voornaamste kamer een mooi schilderij van Masereel’, schrijft hij hem. Eén muur heeft hij wit gelaten, opdat Frans er een fresco op zal kunnen schilderen als hij op bezoek komt.

Op 26 april 1940 houdt Zweig in Parijs, in een stampvolle zaal van het Théâtre de Marigny, zijn lezing Das Wien von Gestern. Het zou de laatste keer zijn dat de beide vrienden elkaar zien. De zaal is stampvol, Zweig doet er in wat onbeholpen Engels verslag van aan Lotte:

The lecture passed gloriously, the enormous theatre was full till the top and one had to send 400 people away – so they want to have me a second time and in the Radio I can speak now when and whatever I like.

De tweede helft van 1940 maken Stefan en Lotte een uitgebreide reis door Zuid-Amerika, waarvan zij in december in New York terugkeren. Masereel aarzelt of hij West-Europa ook zal (moeten) ontvluchten. Hij tracht een visum te krijgen voor de Verenigde Staten, maar als dat uitblijft lukt het Zweig een visum voor Colombia voor hem te krijgen. Maar Masereel volhardt in zijn aarzelingen en maakt er geen gebruik van. Aan Friderike schrijft Zweig vanuit Petropolis in Brazilië, waar hij in september 1941 met Lotte is gaan wonen, dat Masereel hem heeft laten weten dat hij liever naar Brazilië dan naar Colombia zou willen, ‘maar ik hoop dat hij niet lang meer aarzelt, want in Frankrijk zullen ze hem het leven moeilijk maken.’

Op 20 november 1941, kort voor zijn zelfgekozen dood in februari 1942, noemt Zweig, in een brief aan Friderike, Masereels naam voor het laatst. ‘De vrienden, verzucht hij, waar zijn ze – onbereikbaar zoals Rolland, Masereel, onder de grond zoals Roth[4] en Rieger.’[5]

Masereel is door het nieuws van Zweigs dood diep getroffen. Hij begrijpt niet hoe een ‘Lebenskünstler’ zoals Zweig, hiertoe heeft kunnen komen. ‘Que Dieu et le diable nous préservent du désespoir!’, schijft hij aan een vriend.

Als Zweig overlijdt is Masereel 53 jaar. Hij woont dan sinds enkele jaren niet meer in Parijs, maar in een klein plaatsje op het platteland in Zuidwest Frankrijk. Vanaf 1949 verblijft hij in Avignon en Nice en is dan tevens leraar aan een academie voor beeldende kunst in Saarbrücken. Zijn internationale roem stijgt, hij wint prijzen en wordt verkozen tot lid van de Koninklijke Akademie voor Wetenschappen, Literatuur en Schone Kunsten van België. Hij exposeert in diverse landen en wordt doctor honoris causa aan de Humboldt universiteit in Oost-Berlijn. Zijn geboorteplaats Blankenberge eert hem met een ereburgerschap. Hij overlijdt op 3 januari 1972 te Avignon.

 

 

[1] In 1937 opgenomen in de bundel Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten.

[2] Het portret is verdwenen, waarschijnlijk vernietigd door de nazi’s.

[3] Het zouden er tien worden.

[4] Joseph Roth, 1894-1939

[5] Erwin Rieger, 1889-1940

MEDICIJN TEGEN SOMBERHEID

 

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP                                                        NEDERLAND

 23 maart 2020

                                                         

  Beste Zweig lezeressen en –lezers,

Ik weet niet hoe het jullie vergaat, maar er wordt in deze weken een aanslag gedaan op mijn opgewektheid.

Melancholie ligt op de loer. Als ik op internet rondsurf is het net alsof mijn collega-surfers dit hebben bemerkt en hun best doen om met grappige verhaaltjes, komische cartoons en vrolijke filmpjes mijn dreigende somberheid te helpen bestrijden. Maar hun pogingen hebben op mij niet de gewenste werking.

Iets anders heeft op mij wel een bemoedigend effect. Als lezer van Stefan Zweig heb ik natuurlijk zijn verhaal “Angst” gelezen. Daarin lees je, dat het gevoel angst vele vormen kent. En bovendien dat angst  beïnvloedbaar wordt als je het woorden geeft. Het wordt minder ongrijpbaar.

Als het zo is dat een gevoel (dus ook somberheid) beter te beheersen is als je het woorden geeft dan is het de moeite waard te zoeken naar die woorden. Ik vond ze in het gedicht “The Rainy Day” en ontdekte dat het bij mij werkt. Wel op voorwaarde dat er in het gedicht naast melancholie ook sprake is van hoop en een bemoedigend perspectief.

 

Henry Wadsworth Longfellow schreef dit gedicht. Hij leefde in de 19de eeuw. Om jullie de gelegenheid te geven te kijken of het bij jullie ook werkt, druk ik het gedicht hierbij af en voeg mijn vertaling in het Nederlands toe.

 

Ik wens jullie allen een goede gezondheid.

 

Dirk Jansen

 

 

 

 The Rainy Day

 

The day is cold and dark and dreary;

It rains and the wind is never weary;

The vine still clings to the mouldering wall,

But at every gust the dead leaves fall,

And the day is dark and dreary.

 

My life is cold and dark and dreary,

It rains and the wind is never weary;

My thoughts still cling to the mouldering past,

But the hope of youth fall thick in th blast,

And the days are dark and dreary.

 

Be still, sad heart! And seize repining,

Behind the clouds the sun is shining;

Thy fate is the common fate of all,

Into each life some rain must fall,

Some days must be dark and dreary.

 

 

 

                                                               

DE DRUILERIGE DAG

De dag is kil en grijs en troosteloos;

Het regent en de wind is rusteloos;

De klimop kruipt in een vermolmde muur,

Maar verliest haar blaadjes, uur na uur,

En de dag is kil en troosteloos.

 

Mijn leven is kil en grijs en troosteloos;

Het regent en de wind waait rusteloos;

Mijn geest wordt zienderogen traag,

En hoop op pril verdampt gestaag,

En de dagen zijn kil en troosteloos.

 

Houd op, droef hart en stop met klagen,

Van achter de wolken komt de zon opdagen;

Jouw lot kom je in elk leven tegen,

In ieder leven valt wat regen,

Dagen zijn soms kil en troosteloos.

 

VERTALING: DIRK JANSEN

 

TWEEDE DEEL ZWEIG EN BEETHOVEN

                                  

                STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP  NEDERLAND

                                             JANUARI 2020

 

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Zoals beloofd in onze nieuwsbrief van 7 december 2019 sturen wij u graag het tweede deel toe van het verhaal dat Piet Wackie Eysten schreef over de relatie tussen Stefan Zweig en Ludwig van Beethoven. Om onze nieuwe lezers niet teleur te stellen hebben we hierbij ook het eerste deel van zijn verhaal opgenomen, zodat het essay in zijn geheel in deze nieuwsbrief te volgen is.

In 2020 wordt het 250ste geboortejaar van Beethoven in Bonn gevierd. Het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft heeft daarom op 16 en 17 april 2020 in Bonn een Tagung georganiseerd. Reserveert u deze data alvast; binnenkort zullen wij u het programma toezenden.

Met hartelijke groet,

Dirk Jansen

 

Zweig en Beethoven

In april 1904 voltooit Zweig, hij is dan 22 jaar, zijn studie aan de Universiteit van Wenen met een dissertatie over Die Philosophie des Hippolyte Taine. In de inleiding tot dat proefschrift valt in zijn oeuvre voor het eerst de naam Beethoven. Hij betreurt, schrijft hij, het huidige ontbreken van creatieve scheppingskracht, grote geesten als weleer lijken er niet meer te zijn, ‘Napoleon, Goethe, Beethoven und Byron sind gestorben’. Ligt hier de kiem van de hartstocht waarmee hij zijn leven lang zo’n hartstochtelijk verzamelaar is gebleven van handschriften van grote geleerden en beroemde kunstenaars? Probeert hij daarmee de scheppende mens, het genie nader te komen, hem als het ware aan het werk te zien? Een bladzijde van Balzac met ontelbare correcties, een lied van Schubert met doorhalingen, een tekening van Dürer, ‘een eerste notitie van Beethoven, met zijn wilde, ongeduldige krassen, zijn woeste wirwar van begonnen en verworpen motieven, met daarin de tot een paar potloodstrepen gecomprimeerde scheppingsdrift van zijn demonisch geladen wezen’, zoals hij in zijn herinneringen Die Welt von gestern schrijft, het zijn voor hem even zovele mogelijkheden om oog in oog te staan met de scheppende kunstenaar, het ontstaan van een kunstwerk mee te beleven.

Als gymnasiast was hij al begonnen met het verzamelen van handschriften. Karl-Emil Franzos, uitgever van het in Berlijn verschijnende blad Deutsche Dichtung, waarin spoedig Stefans eerste gedichten zouden verschijnen, was een vermaard autografenverzamelaar. Met hem voert Zweig reeds als tiener een levendige correspondentie over hun gedeelte passie. In een brief van 18 februari 1898 – Zweig is dan net 16 jaar – biedt hij Franzos enkele stukken aan uit zijn eigen, nog bescheiden verzameling, onder andere een lange brief van Wieland, een door Goethe eigenhandig ondertekende brief en ‘ein unterschriebenes eigenhänd. Billet von Beethoven, sehr drastischen Inhalts’, voegt hij eraan toe. Het is hem menens. In 1914 verschijnt in de Weense Bibliophilenkalender een opstel van zijn hand met de veelzeggende titel Die Autographensammlung als Kunstwerk.

Zijn passie voor het verzamelen van handschriften blijkt hij te delen met de Franse schrijver, musicoloog en Beethovenbiograaf Romain Rolland, die hij voor het eerst ontmoet in 1913. In Die Welt von gestern beschrijft hij uitvoerig zijn eerste bezoek aan Rolland in Parijs, in april van dat jaar. Hij verbaast zich over Rollands kleine studeerkamer, ‘waar de boeken tot aan het plafond opgestapeld stonden’, en voegt daar in zijn dagboek aan toe: ‘Als wandversiering niets anders dan het dodenmasker van Beethoven en een portret van Richard Strauss’ [met wie Rolland goed bevriend was, pwe]. De hoofdpersoon in Rollands grote romancyclus Jean Christophe is een geniale jonge Duitse musicus, waarvoor Beethoven model heeft gestaan.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog, als Zweig geruime tijd in Zwitserland verblijft, waar Rolland werkzaam is voor het Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis, ontmoeten zij elkaar regelmatig. Tijdens zijn verblijf in Zwitserland in die oorlogsjaren is Zweig uiterst somber over het verloop van de oorlogshandelingen. Maar er zijn ook lichtere momenten. Op 26 oktober 1915 heeft hij een concert van het beroemde Rosé-kwartet bijgewoond. Zij hebben Beethoven gespeeld. ‘Ich lebe noch heute davon,’ noteert hij de volgende dag in zijn dagboek. Beethovens muziek ‘spoelde het vuil, de zwarte neerslag van de gebeurtenissen, van mij af.’

In maart 1927 wonen Zweig en Rolland samen in Wenen de concerten en feestelijkheden bij ter gelegenheid van het honderdste sterfjaar van hun gemeenschappelijke held. In de Weense krant Neue Freie Presse publiceert Rolland een ‘hommage’ aan Beethoven.

Rolland is een van de weinigen onder Zweigs vrienden die werkelijk belangstelling toonden voor diens verzameling handschriften. Eind december 1927 schrijft Zweig hem opgetogen over de aanwinsten die hij zich heeft kunnen veroorloven uit de opbrengsten van zijn toneelstuk Volpone, een bewerking van het gelijknamige stuk van de zeventiende-eeuwse Engelse toneelschrijver Ben Jonson. De première in het Wiener Burgtheater is een immens succes geweest, het stuk trekt in Oostenrijk en daarbuiten volle zalen. ‘Ik moet u bekennen, schrijft Zweig, dat ik alles wat die brave Volpone mij het afgelopen jaar heeft opgeleverd heb uitgegeven aan handschriften’. Een bijzondere aanwinst, die hij zich onmiddellijk na de première al had kunnen veroorloven, was het handschrift van Joseph Haydns Variaties op Gott erhalte Franz den Kaiser. Maar in de daarop volgende maanden heeft hij op veilingen een ware schat aan kostbare handschriften weten te bemachtigen. Onder andere van Bach (een volledige cantate, 16 bladzijden), Chopin, Cimarosa, Brahms (Zigeunerlieder, 22 bladzijden),  Mozart (een mars en tien duetten), Schubert, Scarlatti etc. Ook literaire aanwinsten zijn daarbij, zoals 32 bladzijden van Montesquieus eerste ontwerp voor De l’esprit des lois, een redevoering van Robespierre, twee gedichten uit Les fleurs du mal van Baudelaire, een tekening (‘eine wundervolle’, schrijft Zweig) van Goethe, etc. ‘Bij uw volgende bezoek zult u de Kapuzinerberg (Zweigs grote woonhuis in Salzburg) in een museum veranderd vinden.’

Het topstuk van dat ‘museum’ verwerft Zweig een jaar later. In juni 1929 koopt hij, rechtstreeks van de eigenaren, de familie Von Breuning, die tot Beethovens vriendenkring had behoord, Beethovens schrijftafel. (ZIE FOTO)

Stephan von Breuning was een jeugdvriend van Beethoven uit Bonn, met wie hij ook in Wenen tot zijn dood bevriend  bleef, hij droeg het Vioolconcert aan hem op. ‘Die schrijftafel is in 1827, na Beethovens dood, met diens gehele nalatenschap op een veiling door Breuning gekocht en sindsdien ononderbroken in het bezit van de familie gebleven’, schrijft Zweig aan een collega-verzamelaar. ‘Het was Beethovens enige goede meubelstuk, zegt men, zijn beroemde brief aan de Unsterbliche Geliebte is erin aangetroffen.’ Hij heeft het meubel relatief goedkoop kunnen verwerven, schrijft hij, ‘omdat het Oostenrijk niet mocht verlaten, er waren dus geen buitenlandse gegadigden. Bovendien wilde de familie dat de verkoop zo geruisloos mogelijk zou verlopen. Zodoende was, behalve ikzelf, alleen de gemeente Wenen geïnteresseerd, maar die was ‘so furchtbar langweilig’, dat ik het relatief goedkoop heb kunnen aanschaffen. Wij zullen het met grote vreugde in ons huis ‘museaal’ opstellen en goed bewaken.’ Hij voelt zich geen ‘eigenaar’, schrijft hij aan Rolland, maar slechts ‘Verwalter’, beheerder, om deze kostbaarheden uiteindelijk in een museum onder te brengen.

Het blijft niet bij de schrijftafel. Van de familie Von Breuning koopt Zweig ook nog de viool die Beethoven als kind zou hebben bespeeld, een opklapbaar lessenaartje, waarop Beethoven nog in bed zijn laatste composities en brieven heeft geschreven, een geldkistje en een kompas, wat je niet direct in Beethovens nalatenschap zou verwachten. Al deze voorwerpen werden uitgestald op de beroemde schrijftafel in de grote zaal van het huis op de Kapuzinerberg. ‘Daar stond’, herinnert Zweig zich in Die Welt von gestern, ‘de schrijftafel van Beethoven en zijn kleine geldkistje, waaruit hij nog toen hij al bedlegerig was met een door de dood beroerde, bevende hand de kleine bedragen voor het dienstmeisje had gehaald, een bladzijde uit zijn huishoudboek en een lok van zijn al grijze haar.’

ZWEIG EN BEETHOVEN  DEEL II

Na zijn overhaaste vertrek uit Salzburg in februari 1934 wegens een brutale huiszoeking door de politie naar beweerdelijk verborgen wapens, vestigt Zweig zich aanvankelijk in Londen. Nog éénmaal, in augustus van dat jaar, komt Zweig terug in zijn oude huis. Op 25 augustus 1934 zijn Arturo Toscanini en Bruno Walter, beiden in Salzburg aanwezig vanwege de Festspiele, daar zijn gasten. Friderikes dochter Suze maakt van het beroemde drietal een beroemd geworden foto.

Zweig met zijn beide gasten Arturo Toscanini en Bruno Walter

Friderike staat nu voor de taak zich te ontfermen over de ontruiming en de verkoop van het grote huis, waartoe Stefan, tegen de zin van zijn vrouw, heeft besloten. De verstandhouding tussen de beide echtelieden is zeer gespannen. In Londen heeft Zweig een secretaresse in dienst genomen, Lotte Altmann genaamd.  Zij zal enkele jaren later zijn tweede echtgenote worden.

In Londen heeft hij een ruim appartement gehuurd in Hallam Street. Hij geeft per brief instructies over zijn verhuizing aan Friderike. Hij wil zo weinig mogelijk naar Engeland meenemen, ‘ik ben nergens aan gehecht, ik wil alleen mijn hoofd maar vrij maken’, schrijft hij haar, ‘hoe meer je kan verkopen, hoe beter het is.’ Het bureau van Beethoven, die hij in een brief bedekt aanduidt als ‘een’ schrijftafel, van ‘mijn muzikale vriend’, is zonder twijfel het kostbaarste meubel in de inboedel. Het lijkt of hij niet goed weet wat hij ermee moet doen. ‘Over Beethovens schrijftafel zal ik snel een beslissing nemen’, schrijft hij op 17 april 1937 aan zijn vrouw. ‘Ik verkoop hem in geen geval en neem hem ook niet mee hier naartoe.’ Waarom deze voorzichtige omschrijving? Is hij bang dat het nog steeds niet geoorloofd is dit bijzondere meubel, mogelijk als Oostenrijks nationaal kunstbezit, naar het buitenland te brengen? Voorlopig wordt het kostbare meubel, met de andere Beethoven-reliquien in Wenen ondergebracht, bij zijn broer Alfred en een notaris. Met hulp van Alfred, die er misschien zakelijke of andere contacten had, is het bureau in de loop van 1937 alsnog in Engeland terecht gekomen.

In de zomer van 1939 verhuist Zweig naar een kleine villa in Bath. Op dinsdag 19 september  brengt hij het grootste deel van de dag door in angstige afwachting van de komst van de verhuiswagens, ‘waiting for the vans’, noteert hij in zijn dagboek, dat hij vanaf september 1939 in het Engels voerde. Als die zo lang uitblijven is hij ‘quite convinced that something terrible must have happened with my furniture (poor Beethoven)’. Maar het valt mee, ‘the two vans arrive. We unpack all.’ Thuisgekomen hoort hij in de radio een ‘disgusting speech of Hitler, full of lies, the worst of all his speeches. To think, that this liar is the master of the world…’ Het zal voor Zweig spoedig the world of yesterday zijn.

Zijn handschriftenverzameling, die letterlijk duizenden manuscripten, autografen, brieven, gedichten, tekeningen en composities van beroemheden bevatte – Zweig gold als een internationaal vermaarde verzamelaar – was in 1937 voor het grootste deel in Wenen onder de hamer gekomen. Dit was Zweig op een boze brief van zijn vriend Rolland komen te staan, met wie de verhoudingen toch al enigszins waren verkild. Rolland was gepikeerd dat Zweig hem er niet tevoren van had verwittigd dat hij zijn collectie van de hand wilde doen; hij wíst toch dat Rolland vooral in Beethoven-stukken geïnteresseerd zou zijn geweest? ‘Ik kan niet begrijpen dat u ze liever in vreemde handen ziet komen, die daar niet veel mee zullen weten aan te vangen, dan ze eerst aan mij te tonen’, schreef hij op 1 maart 1938 aan zijn oude vriend.

In de catalogus voor de veiling in Wenen lijkt Zweig verantwoording af te leggen voor zijn verzameldrift. Of is het een geloofsbelijdenis? Hij schrijft:

“Wat ik zocht waren schetsen of ontwerpen voor gedichten of composities, omdat mij, meer dan iets anders, zowel uit biografisch als psychologisch opzicht, het mysterie van het ontstaan van een kunstwerk bezighield. De mysterieuze seconde waarin een versregel, een melodie vanuit het onkenbare op papier wordt vastgelegd en daardoor tastbaar wordt, waar is zij beter waar te nemen dan in de doorwrochte of in volledige overgave ontstane oervorm? Het ging er voor mij als verzamelaar vanaf het begin om de kunstenaar te kunnen bespieden tijdens zijn scheppingsproces en kunstwerken die allang als voltooide meesterwerken zijn opgenomen in de gevestigde wereldwijde kunstcanon opnieuw in de fase van wording en ontstaan zichtbaar te maken.”

 

In Londen verwierf Zweig ondanks alles opnieuw enkele collectors’ items. Hij kocht er onder andere handschriften van Händel en een topstuk als Schuberts manuscript van An die Musik. Ook voor zijn verzameling Beethoven-reliquien heeft hij nog interessante stukken kunnen aankopen, onder andere de tekening van Beethoven op zijn doodsbed door Danhauser.

De beide meer bekende tekeningen door Teltscher bezat hij al. ‘Nu heb ik met de schrijftafel een soort museum bij elkaar, dat geen mens ter wereld mij na kan doen,’ schrijft hij nog op 27 juli 1939 aan een vriend. In de British Library in Londen bevindt zich een getypte lijst, waarschijnlijk uit 1939/1940, met het opschrift Lebensreliquien Beethovens, met Zweigs handgeschreven toelichtingen en aanvullingen. Hoogstwaarschijnlijk heeft hij omstreeks die tijd het voornemen opgevat iets over Beethoven te publiceren. Een  nieuwe Sternstunde misschien?

Wij zullen het waarschijnlijk nooit weten. Wij kunnen alleen vaststellen dat Zweig, niet minder dan zijn vriend Rolland, behalve verzamelaar, ook een groot bewonderaar èn een kritisch luisteraar van Beethoven is geweest. Na een concert in november 1931 met Bruno Walter, waar na een vroege symfonie van Haydn de Eroica werd gespeeld, roemde hij in zijn dagboek weliswaar Haydns ‘selige unschuldige Heiterkeit’, maar hij vervolgt: ‘Erst mit Beethoven ist der Mensch da. Haydn die Unschuld, Beethoven das Wissen um die Schuld.’

 

Piet Wackie Eysten

ZWEIG EN BEETHOVEN

Beste Zweig vriendinnen en –vrienden,

Stefan Zweig heeft in zijn werkzaam leven veel belangstelling gehad voor muziek: contacten met de grote dirigenten en componisten uit zijn tijd, verwoed verzamelaar van muziekmanuscripten en zijn langdurig verblijf in de Festspiele-stad Salzburg was hierbij zeker behulpzaam. Het werk van Ludwig van Beethoven had zijn bijzondere belangstelling.

Volgend jaar wordt het 250ste verjaardag van Beethoven herdacht met groots opgezette festiviteiten in onder meer Bonn, de geboortestad van Beethoven. Een van de organisatoren in Bonn is onze Stefan Zweig vriend Joachim Brügge van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft in Salzburg. Het programma in Bonn zal op 17 en 18 april 2020 plaatsvinden. Wij houden u op de hoogte van het programma.

Om u alvast te introduceren in het Beethovenjaar 2020 heeft de u intussen bekende schrijver over Zweig en zijn werk Piet Wackie Eysten een verhaal geschreven over de relatie tussen Ludwig Van Beethoven en Stefan Zweig. Met groot genoegen drukken wij hieronder het eerste deel af en u kunt het tweede deel begin 2020 tegemoet zien.

Wij wensen u prettige feestdagen, een goede jaarwisseling en veel leesplezier.

Dirk Jansen

 

 Zweig en Beethoven
I

Als gymnasiast was hij al begonnen met het verzamelen van handschriften. Karl-Emil Franzos, uitgever van het in Berlijn verschijnende blad Deutsche Dichtung, waarin spoedig Stefans eerste gedichten zouden verschijnen, was een vermaard autografenverzamelaar. Met hem voert Zweig reeds als tiener een levendige correspondentie over hun gedeelte passie. In een brief van 18 februari 1898 – Zweig is dan net 16 jaar – biedt hij Franzos enkele stukken aan uit zijn eigen, nog bescheiden verzameling, onder andere een lange brief van Wieland, een door Goethe eigenhandig ondertekende brief en ‘ein unterschriebenes eigenhänd. Billet von Beethoven, sehr drastischen Inhalts’, voegt hij eraan toe. Het is hem menens. In 1914 verschijnt in de Weense Bibliophilenkalender een opstel van zijn hand met de veelzeggende titel Die Autographensammlung als Kunstwerk.
In april 1904 voltooit Zweig, hij is dan 22 jaar, zijn studie aan de Universiteit van Wenen met een dissertatie over Die Philosophie des Hippolyte Taine. In de inleiding tot dat proefschrift valt in zijn oeuvre voor het eerst de naam Beethoven. Hij betreurt, schrijft hij, het huidige ontbreken van creatieve scheppingskracht, grote geesten als weleer lijken er niet meer te zijn, ‘Napoleon, Goethe, Beethoven und Byron sind gestorben’. Ligt hier de kiem van de hartstocht waarmee hij zijn leven lang zo’n hartstochtelijk verzamelaar is gebleven van handschriften van grote geleerden en beroemde kunstenaars? Probeert hij daarmee de scheppende mens, het genie nader te komen, hem als het ware aan het werk te zien? Een bladzijde van Balzac met ontelbare correcties, een lied van Schubert met doorhalingen, een tekening van Dürer, ‘een eerste notitie van Beethoven, met zijn wilde, ongeduldige krassen, zijn woeste wirwar van begonnen en verworpen motieven, met daarin de tot een paar potloodstrepen gecomprimeerde scheppingsdrift van zijn demonisch geladen wezen’, zoals hij in zijn herinneringen Die Welt von gestern schrijft, het zijn voor hem even zovele mogelijkheden om oog in oog te staan met de scheppende kunstenaar, het ontstaan van een kunstwerk mee te beleven.

Zijn passie voor het verzamelen van handschriften blijkt hij te delen met de Franse schrijver, musicoloog en Beethovenbiograaf Romain Rolland, die hij voor het eerst ontmoet in 1913. In Die Welt von gestern beschrijft hij uitvoerig zijn eerste bezoek aan Rolland in Parijs, in april van dat jaar. Hij verbaast zich over Rollands kleine studeerkamer, ‘waar de boeken tot aan het plafond opgestapeld stonden’, en voegt daar in zijn dagboek aan toe: ‘Als wandversiering niets anders dan het dodenmasker van Beethoven en een portret van Richard Strauss’ [met wie Rolland goed bevriend was, pwe]. De hoofdpersoon in Rollands grote romancyclus Jean Christophe is een geniale jonge Duitse musicus, waarvoor Beethoven model heeft gestaan.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog, als Zweig geruime tijd in Zwitserland verblijft, waar Rolland werkzaam is voor het Agentschap voor Krijgsgevangenen van het Rode Kruis, ontmoeten zij elkaar regelmatig. Tijdens zijn verblijf in Zwitserland in die oorlogsjaren is Zweig uiterst somber over het verloop van de oorlogshandelingen. Maar er zijn ook lichtere momenten. Op 26 oktober 1915 heeft hij een concert van het beroemde Rosé-kwartet bijgewoond. Zij hebben Beethoven gespeeld. ‘Ich lebe noch heute davon,’ noteert hij de volgende dag in zijn dagboek. Beethovens muziek ‘spoelde het vuil, de zwarte neerslag van de gebeurtenissen, van mij af.’

In maart 1927 wonen Zweig en Rolland samen in Wenen de concerten en feestelijkheden bij ter gelegenheid van het honderdste sterfjaar van hun gemeenschappelijke held. In de Weense krant Neue Freie Presse publiceert Rolland een ‘hommage’ aan Beethoven.

Rolland is een van de weinigen onder Zweigs vrienden die werkelijk belangstelling toonden voor diens verzameling handschriften. Eind december 1927 schrijft Zweig hem opgetogen over de aanwinsten die hij zich heeft kunnen veroorloven uit de opbrengsten van zijn toneelstuk Volpone, een bewerking van het gelijknamige stuk van de zeventiende-eeuwse Engelse toneelschrijver Ben Jonson. De première in het Wiener Burgtheater is een immens succes geweest, het stuk trekt in Oostenrijk en daarbuiten volle zalen. ‘Ik moet u bekennen, schrijft Zweig, dat ik alles wat die brave Volpone mij het afgelopen jaar heeft opgeleverd heb uitgegeven aan handschriften’. Een bijzondere aanwinst, die hij zich onmiddellijk na de première al had kunnen veroorloven, was het handschrift van Joseph Haydns Variaties op Gott erhalte Franz den Kaiser. Maar in de daarop volgende maanden heeft hij op veilingen een ware schat aan kostbare handschriften weten te bemachtigen. Onder andere van Bach (een volledige cantate, 16 bladzijden), Chopin, Cimarosa, Brahms (Zigeunerlieder, 22 bladzijden),  Mozart (een mars en tien duetten), Schubert, Scarlatti etc. Ook literaire aanwinsten zijn daarbij, zoals 32 bladzijden van Montesquieus eerste ontwerp voor De l’esprit des lois, een redevoering van Robespierre, twee gedichten uit Les fleurs du mal van Baudelaire, een tekening (‘eine wundervolle’, schrijft Zweig) van Goethe, etc. ‘Bij uw volgende bezoek zult u de Kapuzinerberg (Zweigs grote woonhuis in Salzburg) in een museum veranderd vinden.’

Het topstuk van dat ‘museum’ verwerft Zweig een jaar later. In juni 1929 koopt hij, rechtstreeks van de eigenaren, de familie Von Breuning, die tot Beethovens vriendenkring had behoord, Beethovens schrijftafel.

 

Beethovens schrijftafel,
in de ‘grote zaal’ op de Kapuzinerberg

 

Stephan von Breuning was een jeugdvriend van Beethoven uit Bonn, met wie hij ook in Wenen tot zijn dood bevriend  bleef, hij droeg het Vioolconcert aan hem op. ‘Die schrijftafel is in 1827, na Beethovens dood, met diens gehele nalatenschap op een veiling door Breuning gekocht en sindsdien ononderbroken in het bezit van de familie gebleven’, schrijft Zweig aan een collega-verzamelaar. ‘Het was Beethovens enige goede meubelstuk, zegt men, zijn beroemde brief aan de Unsterbliche Geliebte is erin aangetroffen.’ Hij heeft het meubel relatief goedkoop kunnen verwerven, schrijft hij, ‘omdat het Oostenrijk niet mocht verlaten, er waren dus geen buitenlandse gegadigden. Bovendien wilde de familie dat de verkoop zo geruisloos mogelijk zou verlopen. Zodoende was, behalve ikzelf, alleen de gemeente Wenen geïnteresseerd, maar die was ‘so furchtbar langweilig’, dat ik het relatief goedkoop heb kunnen aanschaffen. Wij zullen het met grote vreugde in ons huis ‘museaal’ opstellen en goed bewaken.’ Hij voelt zich geen ‘eigenaar’, schrijft hij aan Rolland, maar slechts ‘Verwalter’, beheerder, om deze kostbaarheden uiteindelijk in een museum onder te brengen.

Het blijft niet bij de schrijftafel. Van de familie Von Breuning koopt Zweig ook nog de viool die Beethoven als kind zou hebben bespeeld, een opklapbaar lessenaartje, waarop Beethoven nog in bed zijn laatste composities en brieven heeft geschreven, een geldkistje en een kompas, wat je niet direct in Beethovens nalatenschap zou verwachten. Al deze voorwerpen werden uitgestald op de beroemde schrijftafel in de grote zaal van het huis op de Kapuzinerberg. ‘Daar stond’, herinnert Zweig zich in Die Welt von gestern, ‘de schrijftafel van Beethoven en zijn kleine geldkistje, waaruit hij nog toen hij al bedlegerig was met een door de dood beroerde, bevende hand de kleine bedragen voor het dienstmeisje had gehaald, een bladzijde uit zijn huishoudboek en een lok van zijn al grijze haar.’

 

Piet Wackie Eysten

NIEUWS UIT SALZBURG

 

 

                                    NIEUWS UIT SALZBURG

Een bezoek aan Salzburg levert altijd weer grote of kleine indrukken op die ik graag met u deel:

 

OVERLAST VAN TOERISME 

Net als in Venetië, Amsterdam en andere toeristische trekpleisters leveren de stromen aan bezoekers welkome inkomsten op, maar de overlast voor de bewoners is groot en roept  weerstanden op. Bijna dagelijks staat de plaatselijke pers vol van politieke strijd rond dit thema. In de Salzburger Nachrichten vond ik een cartoon (zie foto) dat iets van de aversie laat zien. Het plaatje toont de Getreidestrasse, de middeleeuwse hoofdstraat van Salzburg.

 

DE BURGEMEESTER

Toen in 2007 het Stefan Zweig Genootschap Nederland werd opgericht vierden we dit in de Amsterdamse Bibliotheek met een voorstelling en een tentoonstelling. De beide burgemeesters van de betrokken steden, de heer Job Cohen van Amsterdam en de heer Heinz Schaden van Salzburg, kwamen de tentoonstelling openen.  Wij zijn de beide burgemeesters nog steeds dankbaar voor de mooie start die zij ons Genootschap gaven. Tot mijn verbazing verscheen deze zomer het bericht in de Oostenrijkse pers dat de heer Schaden is veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf (waarvan twee voorwaardelijk) voor “Untreue” (kwade trouw, misbruik van aan jou toevertrouwd geld) wegens het als burgemeester bevoordelen van de financiën van zijn politieke partij.

 

HET HUIS VAN STEFAN ZWEIG

 

Stefan Zweig heeft een groot deel van zijn werkzaam leven in Salzburg op de Kapuziner Berg gewoond. In een soort landhuis tegen de helling van de heuvel gebouwd, uitkijkend over de stad en met zicht op Berchtesgaden. Dit Paschinger Schlössl  werd in de 17de eeuw gebouwd en vele malen verbouwd. Toen Zweig er begin 20ste eeuw ging wonen verbouwde hij het opnieuw. In het Salzburger Museum staat al jaren een prachtig in het rond  geschilderd panorama van de stad en omgeving. Gemaakt in het begin van de negentiende eeuw. Toen ik goed keek ontdekte ik de afbeelding van dit huis (zie foto).  Toen nog eigendom van het naastgelegen klooster.

 

EEN GOUDEN STEM IN SCHLOSS FROHNBURG

 

In de nabije omgeving van Salzburg, op weg naar de tuinen van Hellbrunn, ligt het Schloss Frohnburg (zie foto).  Dit statige landhuis wordt regelmatig gebruikt om talenten van de Musikuniversität podiumervaring te geven.

Wij bezochten een concert waarin liederen van onder meer Richard Strauss en Schubert werden gezongen. Natuurlijk kunnen wij ons vergissen, maar de stem van de sopraan Simone Waldhart (zie foto)is veelbelovend. Op YouTube kunt u haar horen zingen (googlen op haar naam). Ze blijft vast niet onopgemerkt in de toch zeer competitieve muziekwereld en niet alleen door haar jurk.

Dirk Jansen

 

STEFAN ZWEIG IN HAMBURG

 

NIEUWSBRIEF STEFAN ZWEIG GENOOTSCHAP                                                        NEDERLAND

October 2019 (2)

 

 

 

STEFAN ZWEIG TAGUNG IN HAMBURG

 

Beste Stefan Zweig vriendinnen en –vrienden,

Ik vertelde u in eerdere nieuwsbrieven over het interessant ogende programma van het Internationale Stefan Zweig Gesellschaft in Hamburg. Wij gingen er twee weken geleden heen en wij konden meemaken dat het programma inderdaad  veelzijdig en zeer de moeite waard was.

Grensgangers spelen een belangrijke rol in het programma. Zij kiezen in hun leven en/of hun kunst niet voor één perspectief, maar gebruiken er vele. Zoals het gebruik van meerdere kunst genres in hun werken, het wonen in meerdere omgevingen, tijdens het leven bewust met de dood als grensoverschrijding bezig zijn, het spreken van meerdere talen, het bemiddelen tussen verschillende culturen etc. etc. Stefan Zweig is een mens en een kunstenaar die met meerdere waarheden leefde en werkte. Ein Grenzgänger.

Het zou te ver voeren om u volledig verslag te doen, maar graag tip ik mijn vier hoogtepunten van het vierdaagse programma aan:

  1. Hamburg leeft en bruist. Als een getogen Rotterdammer zie ik veel overeenkomsten van deze Elbe-stad met de Maas-stad. De haven speelt een grote rol in het stadsleven, al moet ik toegeven dat de Hamburgse haven meer in de stad zelf ligt dan de haven van Rotterdam. De grotendeels verbouwde pakhuizen liggen imposant in en aan het water en terecht noemt Hamburg zich dan ook Speicherstadt. De durf en ondernemingsgeest van de stad weerspiegelen zich in de architectonisch zeer bijzondere Elbphilharmonie. Kosten noch moeite werden gespaard. Het gebouw werd wel tien keer duurder dan begroot. Voor de rest: ga het zelf zien, Hamburg is erg de moeite van de reis waard.
  2. In het naburige dorpje Blankenese ligt het huis van de beroemde dichter Richard Dehmel. Hij was een tijdgenoot en vriend van Stefan Zweig. De briefwisseling tussen beiden geeft een mooi tijdsbeeld. Zijn huis is als museum bewaard gebleven.

                                                      Ein Freiheitslied

Es ist nun einmal so,
seit wir geboren sind;
die Blumen blühen wild und bunt,
wir aber mauern Wände
gegen den Wind.
Es wird wohl einmal sein,
wenn wir gestorben sind;
dann blühen die Blumen noch immer so,
und über unsre Mauern
lacht der Wind.

 

 

  1. Een landhuis van de familie Reemtsma ligt schitterend aan de Elbe. Het huis, in de ’30 jaren gebouwd in de stijl van de nieuwe zakelijkheid getuigt van de enorme rijkdom van deze familie, verkregen in de tabaksindustrie. Het huis, de inrichting en de Hermann Reemstma Stiftung voor wetenschappelijk onderzoek op vele gebieden van cultuur, die er gehuisvest is, roepen bewondering op. Daarnaast is het juist om te vermelden dat de familie in de jaren dertig nauw heeft samengewerkt met de toenmalige nazi-machthebbers. Met hun huidige, veelvoudige sociale- en culturele activiteiten spelen zij op deze gebieden hun rol in de Duitse pogingen tot “wiedergutmachung”.  Ondanks de hoge kwaliteit van de ontvangst en de voorstelling blijven het joods zijn van onze hoofdpersoon Stefan Zweig en de historie van de familie Reemtsma op de achtergrond ongemakkelijk aanwezig. In de avondvoorstelling werden de historische en huidige banden tussen de stad Hamburg en Stefan Zweig en zijn tijdgenoten verteld en verbeeld. Mechthild Groszmann, de in Duitsland bekende toneelspeelster, speelde met haar welluidende basstem een zeer kleurrijke rol in de voorstelling.
  2. Het verhaal van Bernd Oei over Stefan Zweig en de Europese droom gehouden in de Mendelsohn zaal van de Hochschule voor Muziek en Theater was, zonder iets af te willen doen aan de kwaliteit van de andere programma onderdelen, voor mij het hoogtepunt van de Tagung. Hij hield een fascinerend betoog, waarin hij uiteen zette dat het werk van Stefan Zweig lagen behelst die zelden of nooit worden herkend. In zijn verhalen en romans worden wezenlijke, existentiële vragen aan de orde gesteld die veel verder reiken dan alleen een pakkende verhaal en een elegante woordkeuze. In zijn boek “Der Grenzgänger” werkt Oei dit uitgangspunt aan de hand van een beschouwing van veel van Zweigs’ werken uit. Dit onderwerp vind ik zo fascinerend dat ik graag in een volgende nieuwsbrief hierop verder in

 

Als u nu zou denken ”Wat jammer dat ik deze Tagung heb gemist”, dan heb ik goed nieuws voor u: op 17 en 18 april 2020 speelt de volgende Tagung zich af in Bonn. Een combinatie van Stefan Zweig en de feestelijkheden rond Ludwig van Beethoven.

Dirk Jansen

 

 

MET ZWEIG NAAR ARTIS

David met het hoofd van Goliath voor Saul
Rembrandt van Rijn

David speelt harp voor Saul

Met Stefan Zweig naar Artis.

“Reise soll Verschwendung sein, Hingabe der Ordnung an den Zufall, des Täglichen an das Auβerordentliche.”

(Uit Reisen und Gereistwerden, 1915)    

 

In de Nieuwsbrief van september 2018 schreef ik over Stefan Zweigs bezoek aan ons land in maart 1929, hij verbleef toen enkele dagen in Den Haag. Daar hield hij in Pulchri Studio zijn rede Die Europäische Idee in der Literatur, die hij een dag eerder ook in Utrecht had gehouden. Voor zover ik wist was dit – afgezien van een mogelijk vluchtig bezoek als jonge man begin vorige eeuw op doorreis van Engeland naar het continent – de enige keer dat hij ons land bezocht. In zijn eigen herinneringen, Die Welt von gestern, noch in biografieën of andere secundaire literatuur, had ik aanwijzingen gevonden voor een later bezoek aan ons land. Toch hield ik zekerheidshalve een slag om de arm, je kon immers nooit weten. En er was inderdaad enige reden tot voorzichtigheid. In een brief die Zweig op 18 maart vanuit Den Haag aan zijn vrouw schreef verzuchtte hij namelijk dat hij, in plaats van plichtmatige bezoekjes bij de ambassadeurs van Oostenrijk en Duitslands, van wie hij bij aankomst in zijn hotel uitnodigingen had aangetroffen, ‘lieber das Mauritshuis noch einmal’ zou bezoeken. ‘Noch einmal’? Was hij dan eerder in Den Haag geweest? Dirk Jansen sprak niet voor niets in zijn inleiding in de Nieuwsbrief over een ‘sprankje hoop dat Stefan Zweig Nederland weleens twee keer bezocht zou kunnen hebben.’

Welnu, Thomas Huttinga, Zweigvriend en trouw lezer van de Nieuwsbrief, heeft dat sprankje hoop in vervulling doen gaan. Hij wees mij op een passage in Stefan Zweig: wie ich ihn erlebte van Stefans eerste vrouw, Friderike Zweig, dat in 1947 verscheen. Daarin had hij de summiere beschrijving gevonden van een kort bezoek van Zweig, samen met Friderike en haar toen 18-jarige dochter Suse, aan België en Nederland in de zomer van 1928.

Suse von Winternitz, jongste dochter uit Friderikes huwelijk met Felix von Winternitz, was als leerlinge woonachtig in een meisjesinternaat in Gland, aan het Meer van Genève. (Een onbelangrijke maar niet onaardige bijzonderheid is dat dit Quaker-internaat onder leiding stond van een zekere Miss Thomas. Zij was bevriend met Romain Rolland en had haar kat naar diens romanheld Jean-Christophe genoemd.)  Suse was ziek geworden en in de paasvakantie van 1928 door Friderike opgehaald. Zij vergezelde nu haar moeder en stiefvader in augustus op een reis naar België en Nederland.

Sinds zijn overhaaste vertrek in november 1914 was Zweig niet meer terug geweest in België, waarmee hij in het verleden zulke nauwe banden had gehad. De dichter Émile Verhaeren, in november 1916 door een tragisch spoorwegongeluk om het leven gekomen, en de graficus, houtsnijder en kunstschilder Frans Masereel, hadden tot zijn meest intieme vrienden behoord.

Brussel deden Stefan, Friderike en Suse in die warme zomermaand in 1928, anders dan aanvankelijk hun bedoeling was geweest, maar kort aan. Daags na aankomst reisden zij door naar Oostende, waar Stefan dacht meer rust te kunnen vinden om wat te werken. Hun bezoek aan Ieper inspireerde hem tot zijn opstel Ypern, dat op 16 september 1928 verscheen in het Berliner Tageblatt en later is opgenomen in de bundel Begegnungen mit Menschen, Büchern, Städten. Zweig beschrijft daarin zijn weerzien na zovele jaren met deze ‘nun so tragisch berühmte’ stad. Weerzin bekruipt hem vanwege het massatoerisme. Van Lille tot Antwerpen en tot ‘weit ins Holländische hinein’, schrijft hij, staat de naam van deze ville martyre op borden en wegwijzers. Touringcars en autobussen voeren er de ‘ramptoeristen’ (‘nachträgliche Schlachtenbummler’) dagelijks bij duizenden langs de ruïnes, monumenten en begraafplaatsen. De uit patronen vervaardigde souvenirs en uit granaatscherven bestaande crucifixen en rozenkransen stuiten hem tegen de borst. Eén grote show heeft België, tot zijn verdriet en ergernis, van deze lieu de mémoire gemaakt.

Zij reizen verder, Holland in. In Den Haag bezoeken zij het Mauritshuis waar de schilderijen van Rembrandt, in het bijzonder Saul en David, grote indruk op Zweig maken. In Amsterdam gaan zij met Suse naar Artis. Het is een bloedwarme dag, noteert Friderike, ze zijn jaloers op de rinocerossen, die een verkoelend bad tot hun beschikking hebben:

“Stefan begon Hollands tegen ze te praten, dat hadden wij ook in restaurants al geprobeerd, maar zonder enig resultaat. Een paar woorden hadden we wel onthouden, zo bijvoorbeeld ‘vertrecken’, wat ‘sich entfernen’ betekent. Dat riep Stefan een paar maal naar de rinocerossen, maar die bleven ons met hun onbeschrijflijk lelijke koppen onbewogen aanstaren. Zij verstonden hem al net zo min als het bedienend personeel in de restaurants die wij bezochten.”

Op het water hoopt ons drietal vervolgens enige verkoeling te vinden. Zij stappen aan boord van een kleine, overvolle boot die gereed ligt om uit te varen. Wat voor boot dit precies geweest moet zijn is moeilijk te achterhalen. Een rondvaartboot zoals wij die tegenwoordig kennen zal het niet geweest zijn, want Friderike vervolgt dat zij met dit schip ‘een bijzonder interessant Hollands dorp’ zouden gaan bezoeken. Marken misschien, of Volendam? Maar zo ver komt het niet. Voordat ze nog een voet aan boord hebben gezet, nog op de aanlegsteiger, draait Stefan zich resoluut om en stapt weer aan wal. Hij is toch al geen liefhebber van toeristische sightseeing, maar een vaartochtje in deze ‘unbeschreibliche Hitze’ op een stampvol bootje met toeristen wordt hem echt teveel. ‘Zodoende hebben we de Hollandse boerinnen met hun witte kappen, die onvermoeibaar hun koperen spullen zitten te poetsen, nooit gezien’, schrijft Friderike. Ze lachen om Stefans grilligheid en zoeken troost in een koele bierkelder, waar zij zich amuseren met Stefans uitspraak van de Bolsreclame: ‘Enke Dag en Gläschen’.

Hier eindigt Friderikes summiere verslag van haar bezoek met man en dochter aan de Lage Landen. Een goed halfjaar later, als hij wederom Den Haag aandoet, herinnert Zweig zijn vrouw aan hun gezamenlijke bezoek aan het Mauritshuis, dat hij graag ‘noch einmal’ zou bezoeken, liever dan plichtmatige gelegenheidsbezoekjes af te leggen bij ambassadeurs.

Piet Wackie Eysten

 

Sluimersprookje van Ferenc Molnár

SLUIMERSPROOKJE

FERENC MOLNÁR

 

Met dit sprookje kunnen weduwen hun kleine kinderen en goede kinderen hun oude en moede ouders laten indutten. Het sprookje moet zachtjes, maar vloeiend verteld worden, aan het begin levendig, alsof het waar is, naar het einde toe steeds langzamer en goediger, zodat aan het einde, degene aan wie het verteld wordt, is ingeslapen.

1

In het stadsbos woonde in één van de tentjes een zonderlijk mens. Hij werd Závoczki genoemd. Deze Závoczki was een grote schurk, hij schold iedereen uit, sloeg voortdurend om zich heen, stak met een mes in op mensen, hij stal, bedroog, roofde en was toch een goede kerel, die veel van zijn vrouw hield. Want zijn vrouw was een kleine, eenvoudige dienstmeid, die tot haar 17de bij een joodse familie gediend had en toen, op een zondag, toen ze een paar uur vrij was, in het stadsbos Závoczki had leren kennen, die een tweekleurige broek droeg, de enen pijp was geel, de andere rood. In zijn haar droeg hij een hanenveer, waaraan een koordje vastzat. Het eind van het koordje zat in zijn zak, en als Závoczki eraan trok, bewoog de veer op zijn hoofd. Daarover moest iedereen erg lachen, en de mooiste dienstmeisjes klommen op de carrousel  waar Závoczki zijn kunsten vertoonde. De eenvoudige, kleine dienstmaagd leerde hier Závoczki kennen en bleef de hele dag bij hem. Ofschoon ze om 7 uur thuis had moeten zijn, ging ze ook om 11 uur nog niet; de volgende dag durfde ze niet meer naar huis. Ze bleef bij de vent met de veer op z’n hoofd en kon zich geen maagd meer noemen en ze was een zo goed, zacht en klein meisje, dat Závoczki haar mee naar het stadhuis nam en trouwde.

Dit mens was de grootste schurk van het hele stadsbos. Al snel was hij de omroeper van een schiettent en weldra leefde hij maandenlang van het geld dat hij met kaartspelen van anderen afnam. Als hij iets had gestolen, dan hield hij op met werken tot het geld op was. Vaak sloot men hem voor een paar dagen in het brandweerhuisje op, dan huilde zijn vrouw de hele dag en nacht en maakte, ofschoon ze wist dat hij niet naar huis kon komen, toch zijn bed naast zich op, zodat het net leek alsof hij zo thuis zou komen. Závoczki gedroeg zich echter in zijn gevangenis zo onbeschaamd, dat men hem in een isoleercel zette. Daar huilde de stakker erg en zei onophoudelijk: “Wat ben ik ongelukkig, wat ben ik ongelukkig”.

Thuis was er geen geld, en Závoczki schaamde zich dat er geen geld was. Zijn hart deed pijn als hij zag dat het lieve kleine dienstmeisje met het bleke gezichtje ’s avonds broodkostjes moest eten, maar omdat zijn vrouw dit niet mocht merken, snauwde hij tegen haar: “Je verspilt al ons geld, onmogelijk stuk ongeluk”. En het bleke gezicht keek hem dan verdrietig aan en huilde bijna, waarop Zácovzki zijn vuist hief: “Jank niet of ik ram je in elkaar”.

Daarop liep hij naar buiten, sloeg de deur dicht, verstopte zich in de schuur en huilde de hele nacht bitter. Het bleke gezichtje waagde het daarna zelfs niet meer om stilletjes te huilen, omdat hij-met-de-veer-op-zijn-hoofd dat verboden had en omdat vrouwen huilen kunnen inhouden. Zo ging het. Maar de volgende dag dachten zij de hele dag aan elkaar, en Závoczki sprak daar met geen woord over. Gewoonlijk sloeg hij daarna de huismeester of stak een politieagent in de rug om daarna snel weg te hollen. Want hij was een driftig, totaal in de prut weggezakt mens, die allang rijp was voor de galg.

Op een zondagavond regende het, en Závoczki zat samen met een andere maatjesdief ergens in de buurt van Herminastrasse op de rand van een grafsteen. Ze speelden kaart in de regen. Het werd al donker en de kaarten waren nauwelijks meer te zien, overigens had de regen ook de afbeeldingen op de kaarten doen uitlopen. Dat had Závoczki nauwelijks gehinderd, want hij herkende de kaarten ook vanaf de achterkant, maar de andere heer stelde toch voor het spel te stoppen. “Dank u, mijn heer” zei hij en stond moeizaam op van het graf. “Dat gaan we niet doen” schreeuwde Závoczki, “anders ben ik de pineut, want je hebt al mijn geld gewonnen, mijn hele kapitaal. Speel door!”. De ander beriep zich erop, dat het regende en al laat werd, morgen zou hij graag revanche geven. En hij holde zo snel als een pijl weg, op blote voeten spetterend door de modder.

Daarop trok Závoczki een keukenmes tevoorschijn en liep de Franciastrasse door tot de Damm voor de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen. Daar liep, gewoonlijk, Herr Linzmann, de kassier van de Leerfabriek, als hij op zaterdagavond de lonen van de arbeiders kwam brengen. Hij stelde zich verdekt op naast de Damm  om de heer Linzmann op te wachten, hem neer te steken  en het geld  te grijpen. Maar hij wachtte tevergeefs. Hij besefte dat hij te laat was. Herr Linzmann had het geld al weggebracht en was allang met de lege tassen op  weg naar de stad terug. Wat een vervloekt gedoe is dat kaartspel toch.  Je mist daardoor de zaken die werkelijk van belang zijn.

Závoczki klom op de Damm van de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen en er rolde twee tranen over zijn vuile gezicht; plotseling verbleekte hij, glimlachte en riep: “Julia Zeller! Julia Zeller!”. Dat was de naam van zijn vrouw. En hij pakte het keukenmes met beide handen beet, richtte het op zichzelf en stootte het in zijn hart. Hij stierf direct, rolde van de Damm van de Ungarischen Königlichen Staatseisenbahnen met in zijn zak een spel smoezelige kaarten en drie witte, ivoren ballen, die hij bij het jongleren gebruikte, in zijn haar een hanenveer, op zijn lippen nog steeds de naam van het kleine, zachte dienstmeisje: “Julia Zeller!, Julia Zeller!.

2.

Závoczki werd ter aarde besteld en er was geen sprake van dat de Aartsbisschop van Esztergom een grafrede zou houden. Alleen zijn vrouw was er, in een zwarte jurk, die ze zelf die nacht genaaid had. Iedereen in het huis troostte de bleke Julia: “God zij geloofd, dat hij de gekwelde, kleine dienstmaagd van haar ellende heeft bevrijd. U bent nog jong, God geve hem eeuwige rust, zo is het beter, God is groot. U bent nog jong”. En Julia knikte, zij gaf met een treurige blik de buren gelijk en zei zelfs: “Dank u wel mevrouw de huisbewaarder, u bent zo goed voor mij, mevrouw Braun, dankuwel mevrouw Braun, dank u mevrouw Stufenberg, u bent allemaal zo goed voor me, dank u mevrouw Braun”. Ja, en wat nog opmerkelijker was, ze zei zelfs: “U heeft gelijk mijnheer de commisaris, het is zo veel beter, God geve zijn ziel eeuwige rust”. Want Julia schaamde zich tegenover de politie dat zij een schurk als Závoczki nog over het graf heen kon liefhebben, zonder enige reden, wat werkelijk schandalig was. En ze begon ook, direct een dag na de begrafenis, kinderkleertjes te naaien, want ze zou de komende maand een kind krijgen.

Závoczki werd ’s middags in een armengraf gelegd, waarin hij echter slechts tot de avond bleef. Wie de regels kent, weet ook dat elke avond de groene wagen van de politie-inspectie verschijnt om iedereen naar de gevangenis te brengen die de hele dag lang vlijtig door de politieagenten verzameld was. Dus rijdt iedere nacht een grote groene wagen naar het kerkhof om de schurken die zelfmoord pleegden af te voeren. Zij gaan niet direct naar de hel, maar moeten eerst het vagevuur in. Daar wordt onderzocht wat de oorzaak was en hoe de zaak in elkaar zit. Want er komen van hen nog vrij veel in het paradijs.

Dus, ook Závoczki ging, samen met de anderen,  in de groene wagen zitten, het grote mes nog in zijn hart. Naast hem zat een drenkeling die nog vol water zat, omdat hij zich in de Donau had verdronken. Tegenover hem zat een vrouw met een touw om haar nek. Zij was een arme vrouw die zich opgehangen had. Aan de anderen was niets te zien. In hen zaten alleen kleine kogels die zij op elkaar hadden afgevuurd. De wagen met hen erin vertrok. Hij rammelde de Keresztúrerstrasse op en verdween, richting gevangenis, de donkere nacht in. Hij reed en reed zolang dat het al begon te dagen. Toen begonnen de paarden plotseling harder te lopen en gingen er in gestrekte galop vandoor. Závoczki keek door een gaatje naar buiten en zag, dat de wagen op een zeer brede weg  een dal in raasde waarboven een roze-achtige nevel hing. De wagen steeg op, de wielen draaiden in de lucht, steden en dorpen onder zich latend, maar dat alles deerde Závozcki niet meer, er stak immers een mes in zijn hart, waardoor niets hem meer pijn deed.

Tot stopten ze. De een na de ander stapte uit de wagen, en wachtlieden brachten ze naar een groot kantoor. Ze moesten in de entree wachten, roken was niet toegestaan, velen rochelden op de grond en het stonk toch naar rook. Toen kwam een brildragende ambtenaar naar buiten en riep op alfabet de namen af. Eindelijk was Závoczki aan de beurt.

“Hoe heet u ?” vroeg de beambte zonder op te kijken van het grote blad papier, waarop alles werd bij gehouden.

“Endre Závoczki”.

“Leeftijd?”.

“Twee en dertig”.

“Geboorteplaats ?”.

Daarop antwoordde Závoczki niet. De beambte keek hem nog steeds niet aan. “Geboorteplaats? Onbekend?” Závoczki knikte, want nu keek de ambtenaar hem aan: “U heeft het recht om één dag terug te keren, als u daar in het leven iets hebt vergeten. Wie gewoon vanzelf doodgaat, zoals het hoort, die mag niet terugkeren, want hij heeft niets achtergelaten.  Maar een zelfmoordenaar gaat niet vanzelf dood. Hij vergeet vaak iets en veroorzaakt daardoor leed op aarde. Geef antwoord”. En hij keek hem streng aan, zoals bij zelfmoordenaars gebruikelijk is. Závoczki antwoordde: “Ik heb vergeten de geboorte van mijn kind af te wachten. Achteraf bezien heb ik spijt dat ik het niet heb afgewacht, want ik had het kind graag gezien, maar nu is het te laat. Dat is erg treurig,, maar ik ben een man, en nu ik eenmaal hier ben, denk ik dat ik hier maar blijf”.

“Hup, de kerker in, harteloze schurk”, schreeuwde de beambte en de wachters grepen Závoczki en sloten hem op in de kerker, en Závoczki lachte hen de hele weg erheen uit, het mes in zijn hart en hij schudde zijn hoofd en zei: “Provocateurs zijn jullie, kankergezwellen zijn jullie, nutteloze provocateurs, beulsknechten”. Daarop gaven de wachtlieden Závoczki een trap, waarbij eén het handvat van het mes vasthield, opdat het niet uit zijn hart zou vallen.

3.

Zestien jaren lang zat Závoczki in het vagevuur. Het is een grote leugen, dat het vagevuur brandt. Het vagevuur is niets anders dan een zeer sterk, roze gekleurd licht waarin men een groot aantal jaren moet zitten, totdat het de slechte eigenschappen uit een mens gewist heeft. Závoczki raakte in de loop der tijd gewend aan het licht en meende dat het hem zeer opgeschoond had. Hij smeedde alweer de meest uiteenlopende plannen, want zijn hart was gelouterd  en hij wilde graag zijn kind zien, van wie hij niet eens wist of het een jongen of een meisje was. Toen er dan ook een klerk in het roze licht opdook en aan iedereen vroeg of er bezwaren tegen het personeel leefden, meldde Závoczki zich en vroeg: “Neemt u mij niet kwalijk, geachte heer, heb ik nog het recht om één dag terug te keren omdat ik iets vergeten heb?

“Dat recht heeft u”, zei de klerk, want met degenen die reeds lang in het vagevuur zitten, spreekt men beleefder. “Meldt u zich maar”.

Dat deed Závoczki de volgende dag. De klerk gaf hem een klein briefje, waarop stond dat hij 24 uur verlof kreeg.  Daarop leidde men hem naar de kelder en trok het zwaard uit zijn hart. Voor het mes kreeg hij in het magazijn een nummertje, die hij in zijn zak moest bewaren. Toen ging hij langzaam op weg en liep zo lang tot hij bij de Ujpester Jutenfabriek kwam. Daar vroeg hij beleefd, waar de weduwe Závocszki woont, die in de fabriek werkt. Men gaf hem het adres en hij liep verder.

Zijn vrouw woonde in een kleine arbeiderswoning, waarvan er zes op een rijtje stonden en de een er net zo uitzag als de andere. Het was zondagochtend en de zon scheen. De vrouw was nog altijd het  bekende, kleine, bleke dienstmeisje en slechts een beetje veranderd. Závoczki zag haar, terwijl ze in de benedenverdieping aan het raam zat te naaien. In het venster bloeiden in twee potjes gewone rode bloemen, en naast de bloemen hing een klein gordijn. Opzij van het gordijn was zoveel ruimte, dat men ook de vrouw kon zien. Haar gezicht was zacht en ingetogen.

Závoczki klopte aan de deur. Op het geklop ging de deur open en een meisje verscheen op de drempel. Ze kon best 16 jaar oud zijn, en de man zag gelijk dat het zijn dochter was. Het meisje vroeg streng: “Wat wilt u?”.

Závoczki bedekte met zijn linkerhand zijn hart , zodat het meisje niet de plek van de messteek in zijn sjofele jas zou kunnen zien. Toen merkte hij bij zichzelf dat hij nu eigenlijk wel terug zou kunnen gaan, want hij had zijn dochter gezien. Maar hij moest iets zeggen, want het meisje had gevraagd wat hij wilde. Dus tastte hij met zijn rechterhand in zijn broekzak en haalde er de drie witte, ivoren balletjes uit, waarmee hij zo duivelsgoed had kunnen jongleren.

“Kijk”, zei hij, ik ken de meest aardige kunsten…”

En hij grijnsde om zijn dochter aan het lachen te krijgen. Maar de dochter lachte niet. Ze was net zo streng en ernstig als haar moeder. Zij zei: “Gaat u weg”.

Daarop greep ze naar de deurklink, om de deur voor de bedelaar dicht te doen. Fijngevormde vingers had zij aan haar kleine witte hand. Op dat ogenblik ontwaakte in Závoczky weer al die woede die in  zestien jaar vagevuur tot rust was gekomen. Zoals de vloed opkomt, zo kwam de bitterheid in hem weer boven. En hij sloeg op de kleine, witte hand, die reikte om de deur voor altijd voor hem dicht te slaan. Het meisje keek hem aan en toen pakte ze de deur en sloot hem. Ze draaide de sleutel in het slot om en Závoczki bleef buiten. Daarop verdampte zijn woede, en hij schaamde zich vreselijk dat hij zijn dochter geslagen had. Verwilderd keek hij om zich heen en merkte dat zijn doorstoken hart weer pijn ging doen. Dus haastte hij zich op weg terug. Eigenlijk wist hij zelf niet waar hij heen ging. Maar gestorven mensen kennen geen andere richting meer dan terug de dood in.

Het was al laat in de avond, toen hij in het grote huis aankwam waar vanuit hij vertrokken was. Daar wist men alles al. De portier grijnsde naar hem vanuit zijn nis. Závoczki boog zijn hoofd en ging zwijgend de trap op om zich te melden. De klerk verwachtte hem. Hij pakte het magazijnnummer aan, drukte het mes in zijn hand en brulde tegen hem: “Jij bent wel de allerergste schoft ter wereld. Komt van de andere zijde terug om zijn kind te slaan!”.

Závoczki zei geen woord. Toen men hem het mes in zijn hart terug stak, zuchtte hij alleen een keer. Toen greep men hem en zette hem op een ijzeren wagentje en schoof hem de hel in. Zo rolde Závoczki uit het roze-achtige licht het rode vuur in, waar hij tot het einde der tijden zou smoren en schreeuwen van pijn. Zo verging het Závoczki.

Het meisje ging echter de huiskamer in naar haar moeder. “Er was een armoedige bedelaar aan de deur” zei zij.  “Hij grijnsde zo akelig, dat ik de deur voor hem wilde dichtslaan. Er laaide een verschrikkelijk vuur in zijn ogen. Zijn ogen huilden, maar zijn gezicht lachte. Net toen ik de deur dicht wilde doen, sloeg hij mij op mijn hand. Zo hard dat het helemaal kletste”. De vrouw keek naar de grond, alsof ze iets zocht. En ze vroeg met een bevende stem: “En toen?”.

“Toen is hij weggegaan. Maar ik tril nog steeds. Hij heeft mij heel hard op mijn hand geslagen, maar het heeft geen pijn gedaan. Het was alsof iemand mij zachtjes aangeraakt heeft. Zijn eeltige, grove hand voelde aan alsof het lippen waren of een hart”.

“Ik weet het”, zei de vrouw heel zacht en naaide door.

En ze hebben er nooit meer over gesproken en ze leefden nog lang, totdat ze dood gingen, en hier is het sprookje afgelopen. Slaap, m’n kleine meid.

 

 

[Van het Hongaars in het Duits vertaald door ORSOLYA KALÁSZ en PETER HOLLAND;

Van het Duits in het Nederlands vertaald door DIRK JANSEN]

Bron: Salzburger Festspiele